Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Gepubliceerd op 10-01-2019

Landrente

betekenis & definitie

Landrente - heet nog altijd de op Java en Madoera (met uitzondering van de residentiën Soerakarta en Djokjakarta) geheven belasting van alle gronden waarop zakelijke rechten worden uitgeoefend en die niet vallen onder de bepaling omtrent de verponding. (Ook in Boelèlèng en Djěmbrana op Bali wordt landrente geheven). De naam is ontleend aan het Eng. woord „landrent”, grondpacht, omdat het begin der heffing dateert van het Eng. tusschenbestuur op Java; Raffles n.l. voerde, op grond van zijn meening, dat naar Indonesische opvatting de grond behoort aan de Godheid, in wier plaats de vorsten waren getreden, op hun beurt vervangen door het Europ. Gouvernement. Niet alleen is deze opvatting door latere onderzoekingen onhoudbaar gebleken (zie GRONDBEZIT EN RECHTEN OP DEN GROND IN NED.

INDIË), maar bovendien bestond sedert eeuwen onder den naam padjěg boemi of padjěg sawah, een heffing van den rijstoogst der sawahs ten bate van den vorst; deze belasting is door Raffles naar Eng. Ind. model gewijzigd en met den naam „grondpacht”, „grondhuur” bestempeld en als zoodanig voorgesteld; het Jav. woord padjěg toch wordt ook wel voor „pacht” gebruikt, maar, afgeleid van den stam adjěg = vast, beteekent het oorspronkelijk een fixum, en werd dus ook voor belasting gebruikt. De door Raffles ingevoerde l., door Commissarissen-Generaal met wijzigingen overgenomen, heeft sedert tal van veranderingen ondergaan, en kenmerkte zich in later jaren vooral door een admodiatiestelsel, waardoor van een belasting naar vaste regels weinig overbleef. Sedert 1896 echter is, in de Preanger het eerst, een geheel nieuw stelsel ingevoerd, dat sedert 1906 met geringe wijzigingen ook voor het overige deel van Java toepasselijk is verklaard (met uitzondering van de Vorstenlanden) en thans reeds in de meeste res. van Java werkt. De voornaamste grondslagen zijn: Voor de heffing worden de gronden onderscheiden in a. sawahs en b. droge gronden, vischvijvers en nipahbosschen. De gronden worden door de landrente-brigade van den Topogr. Dienst opgemeten in perceelen, d. z. complexen, door terreingrenzen aangegeven. Het landrentepersoneel verdeelt daarna, naar de uiteenloopende productiviteit, de perceelen zoo noodig in perceelgedeelten; de perceelen of perceelgedeelten van een district, die onderling in productiviteit (voor a) of waarde (voor b) overeenstemmen, worden samengebracht tot districtsgroepen (voor a) of districtsklassen (voor b).

Rekening houdende met opbrengst van proefvelden in normale jaren, bepaalt nu het Hoofd van Gew. bestuur voor elke groep sawahs de productiviteit, uitgedrukt in pikols droge padi per bouw; de geldswaarde van dat getal, verminderd met 10 pikols (of, als het minder dan 20 pikols is, met de helft), wordt als belastbare opbrengst aangemerkt. Hiervan wordt 8 % tot 20 % geheven, het cijfer vast te stellen door den Resident, die daarbij inzonderheid met den econom. toestand en met het laatstelijk geheven bedrag rekening houdt. Voor elke klasse (van b) wordt door hem de landrente vastgesteld op f 0.25 tot f 20 per bouw. Uit deze gegevens wordt voor elk individueel belastingschuldige het bedrag van zijn aanslag vastgesteld, welke voor het jaar van aanslag en de 9 volgende jaren geldt. Voorts zijn bepalingen gemaakt omtrent heffing van landrente en omtrent gelijke verdeeling van den aanslag bij communaal bezit met periodieke verdeeling. Tegen een vergoeding van 8 % collecteloon zijn de dessa-hoofden belast met de inning en overstorting der landrente.