Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Gepubliceerd op 13-12-2018

Comptabiliteit

betekenis & definitie

Comptabiliteit, al hetgeen behoort tot de rekening en verantwoording der overheidsfinanciën en zoo ook hetgeen tot het controleeren dier rekening noodig is. — Hierbij zijn twee stelsels mogelijk, het zgn. preventieve, waarbij de wettigheid van iedere uitgave wordt onderzocht, alvorens zij wordt gedaan, en het zgn. repressieve, waarbij dit onderzoek achterna geschiedt. De doelmatigheid der uitgaven kan, behoudens de voorloopige goedkeuring bij de begrooting, moeilijk anders dan achterna worden beoordeeld. Vergel. ook ministerieele verantwoordelijkheid. — Art. 126 Grw. zegt: De verantwoording van de rijksuitgaven en ontvangsten over elk dienstjaar wordt, onder overlegging van de door de Rekenkamer goedgekeurde rekening, aan de Wetgev. Macht gedaan naar de voorschriften van de wet.

Art. 179 Grw. luidt: Er is eene Algemeene Rekenkamer, welker samenstelling en taak door de wet worden geregeld. Dit is geschied bij de wet van 5 Oct. 1841, Stb. 40, laatstel. gew. 29 Dec. 1898, Stb. 279, houdende instructie voor de Alg. Rekenk. Een Comptabiliteitswet, als bedoeld bij art 126 Grw., is nooit tot stand gekomen. — Feitelijk heeft rekening en verantwoording plaats aan de Rek. k.. Volgens art. 37 Instr. R. K. worden de rekeningen van ontvangst en uitgaven der verschillende departem. van alg. best. ter Alg. Rek. k. overgebracht binnen 3 maanden na het afgeloopen jaar en zullen voor elke begrooting twee zoodanige rekeningen worden afgelegd, te weten een voor elk der twee jaar, dat uitgaven op eene begrooting kunnen worden gedaan. Deze rekeningen zullen den grondslag uitmaken van de algemeene rekening, vermeld bij art. 126 Grw. — De vorm en de inrichting der rekeningen en die van de algemeene rekening zullen, na overleg met den minister van financiën, door de Alg. Rek. k. worden vastgesteld.

De laatst gemelde rekening zal aldaar worden overgebracht binnen 6 maanden na het afgeloopen jaar. De posten van die rekening zullen, wat derzelver volgorde en omschrijving betreft, in alle opzichten moeten beantwoorden aan de indeeling der begrooting van ontvangsten en aan de afdeelingen en artt. der begrooting van uitgaven (art. 38 Instr.). Binnen de eerste 3 maanden van ieder jaar zal de R. K. den Koning een volledig verslag aanbieden van het resultaat harer werkzaamheden over het afgeloopen jaar; dat verslag zal aan de Staten Gen. worden medegedeeld, ten laatste in de zitting, die in Oct. daaraanvolgende geopend wordt (art. 14 Instr.). — De Instr. R. K. huldigt voor de contrôle op de uitgaven in hoofdzaak het preventieve stelsel (zie art. 25: Alle uitgaven ten laste van het Rijk zullen, zooveel het nut der zake medebrengt, vóór de betaling bij de Alg. R. K. worden onderzocht, verevend en geboekt. Vergel. voor geval van toepassing van het repressieve stelsel.art. 26). — Voor de provinciale financiën zegt art. 119 Prov. w. (in verband met art. 137 Grw.), dat door Ged. St. over elk dienstjaar van de enkel prov. en huishoudelijke inkomsten en uitgaven verantwoording wordt gedaan aan de Staten, onder overlegging van eene rekening, welker cijfers door de R. K. zijn deugdelijk verklaard (zie ook artt. 57 en 58 Instr. R. K.). De Staten onderzoeken de rekening, zonder uitstel, en stellen het bedrag der ontvangsten en uitgaven vast. Ged. St. zijn bij de beraadslagingen tegenwoordig, doch onthouden zich van medestemmen (art. 120 Prov. w.). Het door de Staten genomen besluit behoeft bekrachtiging des Konings (art. 121 Pr.w.). Wegens uitgaven, door Ged.

St. bevolen, waardoor het eindcijfer der begrooting of de aangewezen begrootingspost wordt overschreden, of die, te kwader trouw, zijn aangewezen op een post, waarmede zij niet overeenstemmen, worden de leden der Ged. St. en de Commissaris des Konings, tenzij blijke, dat zij tot het bevelen dier uitgave niet hebben medegewerkt, persoonlijk aansprakelijk jegens de provincie, indien die uitgaven, bij het besluit in art. 120 bedoeld, niet onder de prov. uitgaven worden opgenomen (art.124 Pr.w.).— Van de inkomsten en uitgaven eener gemeente wordt door B. en W. over elk dienstjaar verantwoording gedaan aan den Raad, onder overlegging van de hun door den gemeente-ontvanger aangeboden rekening, die alle ontvangsten en uitgaven van het dienstjaar vermeldt (art. 218 Gem. w. in verband met ar. 146 Grw.). Deze rekening wordt, met alle de daarbij behoorende bescheiden, en met vermelding van hetgeen B. en W. te hunner verantwoording dienstig achten, aan den Raad overgelegd binnen 7 maanden na afloop van het jaar, waartoe zij betrekking heeft (art. 219 Gem. w.). De Raad onderzoekt de rekening zonder uitstel en stelt het bedrag der ontvangsten en uitgaven voorloopig vast, bij een besluit, waarvan het ontwerp hem, tegelijk met de rekening wordt aangeboden. B. en W. zijn bij de beraadslagingen daarover tegenwoordig, doch onthouden zich van medestemmen over het besluit (art. 220 Gem. w.). Het besluit van den Raad wordt, met de rekening en de daarbij behoorende bescheiden, binnen den termijn door Ged. St. telkens te bepalen, aan hen opgezonden. Zij sluiten de rekening vóór het einde van het jaar volgende op dat, waartoe zij betrekking heeft, en stellen het bedrag der ontvangsten en uitgaven vast (art. 221 Gem. w.). Het besluit van Ged.

St. houdende vaststelling der ontv. en uitg. strekt, zoover de daarin-goedgekeurde ontv. en uitg. betreft, aan den ontvanger en aan B. en W. tot ontlasting. Ged. St. kunnen den ontvanger of B. en W. afzonderlijk ontlasten, zoo zij beider beheer niet voor gelijktijdige goedkeuring vatbaar oordeelen (art. 122 Gem. w.). B. en W. worden wegens uitgaven door hen bevolen, waardoor het eindcijfer der begrooting of de aangewezen begrootingspost wordt overschreden, of die te kwader trouw zijn aangewezen op een post, waarmede die uitgaven niet overeenstemmen, tenzij blijke, dat zij tot het bevelen dier uitgaven niet hebben medegewerkt, persoonlijk aansprakelijk jegens de gemeente, indien die uitgaven, bij het in art. 222 bedoeld besluit van Ged. St. niet onder de uitgaven der gemeente worden opgenomen (art. 226 Gem. w.). Telken jare, nadat de gemeenterekeningen zijn opgenomen en gesloten, moet de Alg. R. K., op autorisatie des Konings, uit elke provincie eenige dier gesloten rekeningen, door haar aan te wijzen, met de begrootingen vergelijken, met de daartoe behoorende bewijsstukken nauwkeurig onderzoeken, en van hare bevinding dienaangaande in haar jaarlijksch verslag melding maken (art. 59 Instr. R. K.). — Voor onze koloniën schrijft art. 62 Grw. voor, dat de wet de wijze van beheer en verantw. der geldmiddelen regelt, zie het volgende artikel. — Van comptabiliteit spreekt men evenzeer bij groote particul. ondernemingen, zooals tot exploitatie van spoorwegen en derg.