Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

Gepubliceerd op 31-01-2022

Toneel

betekenis & definitie

[Middelned. tanneel, getimmerte in de openlucht], o. (-nelen),

1. plaats, podium in een schouwburg waar een toneelstuk wordt opgevoerd; (fig.) van het toneel verdwijnen, weggaan, niet meer gezien worden in een bepaalde kring; iets ten tonele voeren, het vertonen, opvoeren;
2. datgene wat op een toneel te zien is, de decors e.d., vandaar: de plaats van handeling: het toneel stelt een bos voor;
3. deel van een bedrijf in een toneelstuk, scène: een toneelstuk verdeelt men in bedrijven, de bedrijven in tonelen;
4. alles wat met schouwburg en toneelspelen in verband staat: aan het verbonden zijn;
5. (coll.) dat wat wordt geschreven om als toneelstuk te worden opgevoerd: het Ned. toneel; het in de 16e eeuw; geschiedenis van het toneel; ook: de gezamenlijke toneelspelers van een land en hun prestaties: het toneel

staat er op een hoog peil;

6. (fig.) plaats waar een reeks van gebeurtenissen voorvalt: het toneel van de strijd;
7. (fig.) dat wat zich voor iemands ogen voltrekt: een aandoenlijk toneel.

Drama, schouwburg, acteur en publiek zijn onafscheidelijk met elkaar verbonden. Het toneel is een weerspiegeling van de tijd en berust op de spel- en imitatiedrift van de mens. In zijn oorsprong is het één met de eredienst en de cultusgebruiken. De wereld is vol demonen, die worden uitgebeeld m.n. door middel van maskers. Van oorsprong is het toneel dus symbolisch.

Westers toneel. Uit de eredienst van Dionysos ontstond in Griekenland de westerse toneelkunst. In de klassieke tijd (ca. 5e eeuw v.C.) toen Aischylos, Sofokles en Euripides hun tragedies schiepen en Aristofanes zijn politiek-satirische komedies schreef, verzorgde de gegoede burgerij de jaarlijkse feestelijke opvoeringen (theater). De toneelspelersstand genoot groot aanzien. Na ca. 330 v.C. ontstond de Nieuwe Attische komedie (blijspel). De Grieken kenden ook voorstellingen door rondreizende acteurs, de mimen, die een vorm van volkstoneel, gebaseerd op stereotype figuren, ten beste gaven.

In de antiek-Romeinse periode kwam de scaenae frons in zwang. De acteurs traden niet meer in de orchestra op en het koor werd afgeschaft. Behalve de tragedies van Seneca en de komedies van Plautus en Terentius waren deflyakes (tragikomedies), afkomstig uit Sicilië, geliefd. Hierin werden de tragische helden geparodieerd. Zeer populair waren de pantomime en de grofkomische mimos.

Toen de christenen aan invloed wonnen, richtten zij zich m.n. tegendemimosende toneelspelersstand.

Toch is de antieke erfenis niet verloren gegaan. Ten tijde van Karei de Grote en zijn opvolgers werden vele teksten gekopieerd. De renaissance reconstrueerde klassieke schouwburgen en gaf de oude toneelwerken uit. Door de reconstructie van de antieke tragedie ontstond de opera. Het Franse classicisme en de barok gaven in de klassieke helden de eigen problemen weer. Het Duitse classicisme zocht in de oudheid de harmonie.

In de 19e eeuw onderkende m.n. F.Nietzsche de dionysische dynamische zijde ervan. De antieke werken werden gespeeld en de stof werd vaak het onderwerp voor eigentijdse werken. W.Shakespeare en P.Corneille begonnen ermee, J.W.von Goethe en F.Grillparzer en 20e eeuwse auteurs als E.O.’Neill, C.Fry, B.Brecht, J. Anouilh, H.Claus en H.Mulisch volgden.

Al keerde het christendom zich tegen het toneel, toch werden de heilsfeiten in Byzantium sinds de 6e en in West-Europa sinds de 9e eeuw in de kerken dramatisch voorgesteld. Sinds ca. 1100 werden deze spelen aangevuld met kluchtige scènes. Sinds de 13e eeuw speelde men in de landstaal (daarvóór in het Latijn) en veranderden de stukken van karakter, zodat zij buiten de kerk moesten worden uitgevoerd (mysteriespej). Populair was ook het wagenspel. Vaak vormden de burgerlijke lekespelers genootschappen. Ter viering van kerkelijke feestdagen werden in Spanje en Portugal de autos sacramentales gespeeld, mystiek-allegorische verheerlijkingen van het altaarsacrament.

Naast dit religieus toneel ontstonden ca.1350 het abel spel en de klucht. Met het mirakelspel Mariken van Nieumeghen (1495) en de moraliteit Elckerlyc (ca.1490) behoren de abele spelen Esmoreit en Lanseloet (beide ca. 1350) tot de thans nog gespeelde Middelned. stukken.

Tijdens de renaissance werden aan de Italiaanse hoven reconstructies van Romeinse theaters gebouwd, waar treurspelen, blijspelen en pastorales werden opgevoerd. Elk genre had zijn eigen vaste decor. Ook in andere landen voltrok zich de overgang van de middeleeuwen naar de renaissance. In de Nederlanden waren de rederijkers en in het Duitse taalgebied de Meistersinger voorbeelden van deze overgang. Grote invloed had de Italiaanse commedia dell’arte (16e eeuw). In Engeland zette Shakespeare zich in voor een sobere, natuurlijke speelstijl.

In die tijd was het theater zeer geliefd. De stukken werden door beroepsspelers in vaste schouwburgen uitgevoerd. In het begin van de 17e eeuw deden vooral het Engelse (met o.a. Shakespeare, C.Marlowe en B.Johnson) en het Spaanse toneel (met Lope de Vega en later P.Calderón de la Barca) hun invloed gelden. Tijdens de barok prefereerde men weelderige toneelmanifestaties. In deze tijd speelden, evenals bij o.a. de Romeinse mimos, vrouwen mee.

Italië was de bakermat van het baroktoneel. Later werd vooral het Franse toneel (met Molière, P.Corneille en J.Racine) zeer belangrijk. In 1680 werd te Parijs de Comédie Française opgericht. Te Amsterdam werd in 1638 de door J.van Campen gebouwde, eerste vaste schouwburg geopend (afgebrand in 1772, herbouwd in 1774). Tot de belangrijkste 17e-eeuwse Ned. toneelschrijvers behoorden J.van den Vondel, P.C.Hooft, S.Coster en G.A.Bredero. De natuurlijke speeltrant, die o.a.

Shakespeare en Molière voorstonden, deed vooral opgeld voor het 18eeeuwse burgerlijk drama, waarvan de Engelse dramaturg G.Lillo de schepper was. In Duitsland was G.E.Lessing de schrijver van dit genre. Daarnaast waren vaudevilles en melodrama’s populair. Voor de ontwikkeling van het Duitstalige toneel was de stichting van het Burgtheater (1741) van belang. In de 19e eeuw werd de realistische, historisch juiste weergave van de te spelen stukken steeds belangrijker (Meininger). De romantische stukken van V.Hugo en de sociale drama’s van G.

Hauptmann, A.Strindberg en H.Ibsen hadden grote invloed. Daarnaast was het vaak overdreven gespeelde volkse stuk, de draak, zeer populair. In 1898 richtte K.Stanislavski het Moskouse Kunsttheater op. Hij had grote invloed op het Westeuropese toneel. De realistische uitbeelding maakte plaats voor een meer suggestieve, symbolische opvatting. Ca. 1920 kwam, vooral in Duitsland, het expressionistisch toneel in zwang, waarbij m.n. de regisseur een grote inbreng had.

Een van de belangrijkste 20e-eeuwse dramaturgen was Brecht (episch theater). Zijn ideeën vonden vooral na 1945 veel weerklank. De Franse toneelschrijver A.Artaud wilde met zijn théâtre de cruauté de toeschouwer aan het denken zetten. Hij oefende invloed uit op het absurd toneel, dat o.a. door S.Beckett, E.Ionesco, J.Genet en B. Vian wordt vertegenwoordigd. Ca. 1960 zette men zich m.n. in Engeland en de VS, af tegen het commerciële toneel.

In New York ontstonden de off-Broadwaytheaters, waar avantgardetoneel werd gegeven. In het Ned. taalgebied werd men wel beïnvloed door deze ontwikkelingen, maar de structuur van het toneel veranderde niet wezenlijk (Mickery). Sinds ca. 1969 wil men de toeschouwer niet alleen vermaken, maar hem vooral bewust maken van zijn sociaal-economische positie. Het (politieke) vormingstheater dat zich hieraan wijdt is een variant van didactisch toneel.

Oosters toneel. Uit ca. 100 n.C. dateren de oudste bewaard gebleven Indische toneelstukken. Het eerste belangrijke werk over het toneel was Naja sastra (3e eeuw n.C.) Toneelattributen werden weinig gebruikt. De personages werden aangeduid door hun kleding en opmaak. De stukken omvatten traditionele verhalen en onderwerpen uit Pancatantra, Ramayana en Mahabharata. Vanaf de 10e eeuw beleefde het toneel een inzinking. Men greep terug op de oude vormen en er ontstonden rondtrekkende volkstoneelgezelschappen.

De oudst bewaard gebleven teksten van het Chinese toneel stammen uit de 13e eeuw. Er waren twee vormen: het noordelijk toneel (tsa tsjoe), een komedie die allerlei onderwerpen kon hebben, en de zuidelijke vorm die meestal uit een zangspel met een romantisch karakter bestond (hsi wen of tsjoen tsji). De toneelschrijver en regisseur Li Joe (1611—79) schreef de eerste dramaturgie. De Opera van Peking ontstond ca. 1850 uit regionale toneelvormen, waarin naast acteren en zingen de acrobatiek een voorname plaats inneemt.

Het klassieke Japanse drama, no (15e eeuw), en het volkstoneel, -kaboeki (ca.1600), zijn nog steeds geliefd in Japan. Het marionettentoneel, ningjosjibai, was vooral vroeger populair. Ca. 1890 ontstond een overgangsvorm tussen kaboeki en westers toneel, het sjimpa-theater.

Op Midden-Java is de door mensen gedanste en gespeelde wajang wong de klassieke toneelvorm. Het spel wordt begeleid door de gamelan. Ca. 1920 werd ook een vorm van volkstoneel, de ketoprak, populair op Midden-Java. Deze beeldt episoden uit de Javaanse geschiedenis en de mythologie uit. Sandiware, gespeeld in grote steden, brengt historische stukken van eigentijdse auteurs. Ludruk is een m.n. op Oost-Java geliefde vermenging van toneel en politiek cabaret.

De klassieke Balinese toneelvorm, arja, wordt door gamelanmuziek begeleid. Bij deze uitvoeringen spelen de kostuums een voorname rol.

LITT. B.Hunningher, The origin of the theatre (1955); P.Arnold, Le théâtre japonais (1957); A.C.Scott, The classical theatre of China (1957); H. Kindermann, Theatergeschichte Europas (10 dln. 1957-74); F.Bowers, Theatre in the East (1960);M.Bieber, The history of the Greek and Roman theatre (1961); B.Gargi, Theatre in India (1964); B. Albach, Duizend jaar toneel in Nederland (1965); M.Berthold, Weltgeschichte des Theaters (1968); V.Pandolfi, Histoire du théâtre (5 dln. 1968-69); P.Brook, The empty space (1969; Ned. vert. 1972);J.Roose-Evans, Experimental theatre (1970); W. Notenboom en J.F.Vogelaar, B.Brecht. Teatereksperiment en politiek (1972); M.Berger e.a., Theater in der Zeitenwende (1972); G.Wickham, The médiéval theatre (1974); B.Albach, Langs kermissen en hoven (1977); A.Villiers, La scène centrale (1977); R.Hayman, Theatre and anti-theatre (1979).