Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

Gepubliceerd op 17-06-2020

recht

betekenis & definitie

bn. en bw. (-er, -st),

1. niet gebogen of bochtig: een rechte lijn is de kortste afstand tussen twee punten; (genealogie) rechte lijn of linie, de lijn gevormd door een reeks opvolgingen van ouder op kind of omgekeerd, tegenover zijlijn: in rechte lijn van iemand afstammen; (van de romp) niet krom gegroeid: — van lijf en leden zijn; (van een beweging): in een rechte vaart; de rechte of directe stoot (van een bokser); als bw.: op zijn doel af gaan; overeind; een op-en-neer, een gewone klare; ook: — op zijn doel afgaan, zonder omwegen; door zee gaan, eerlijk voor zijn bedoelingen uitkomen, zonder omwegen zijn doel nastreven; iemand in de ogen kijken, open, zonder de ogen neer te slaan; — voor zich uit kijken; — voor de zaak uitkomen; hij kwam op me af; (gew.) voor de vuist, oprecht; 2. niet scheef of schuin; (van een hoek) begrensd door lijnen die haaks op elkaar staan: een rechte hoek, een hoek van 90°; iets trekken;
3. normaal omhooggericht van stand of houding: (van personen) een rechte houding; zijn hoofd houden, (ook fig.) goed weten wat te doen staat; bw.: — op zijn benen staan; zo als een kaars; (van zaken) het schip leggen, stuwen, het in evenwicht brengen;
4. zoals het als normaal beschouwd kan worden, tegenover averecht; een rechte steek bij het breien, steek gebreid door de pen op de als normaal gevoelde wijze, d.w.z. van voren naar achteren in de lus steken; in de juiste, normale stand; alleen predik.: iets — hangen; iets — zetten; b.w.: — evenredig zijn, (van twee veranderlijke grootheden) in zodanige verhouding staan dat het enige malen groter of kleiner worden van de ene tot gevolg heeft, dat ook de andere evenveel malen groter of kleiner wordt;
5. rechtvaardig, billijk, goed: (spr.) het geld dat stom is, maakt wat krom is; bw.: hij handelt niet —;
6. in overeenstemming met de eis van de omstandigheden, de menselijke wil of bedoeling, vereist, juist, goed: dat is niet de rechte manier om zijn doel te bereiken; het rechte van iets weten, zoveel weten als men eigenlijk zou moeten weten, de precieze feiten weten; ter rechter tijd, op het juiste ogenblik; iemand op de rechte weg helpen, (fig.) hem uit een dwaling helpen; het bij het rechte eind hebben; het hart op de rechte plaats hebben, niet hardvochtig, medelijdend zijn; bij hem ben je aan het rechte kantoor, bij hem moet je juist wezen; (van personen) hij is daar de rechte man niet voor, niet de persoon die daarvoor vereist wordt; hij is de rechte man op de rechte plaats, als geknipt voor die betrekking;
7. als versterkend bw. echt, helemaal, ten volle: dat voorval had hem eerst — woedend gemaakt;
8. (in diverse vaste verbindingen) precies, juist, pal: het schrift voor zich hebben; zijn kamer is — boven de mijne; hij woont — tegenover mij.