Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

Gepubliceerd op 17-06-2020

priester

betekenis & definitie

m. (-s, -en), voornaamste functionaris in de cultus of eredienst van vele religies, als bemiddelaar tussen de mens(heid) en de godheid; (r.-k.) geestelijke die van een bisschop de priesterwijding heeft ontvangen (e)-.tot wijden (fig.) een van Themis, een rechter of rechtsgeleerde; een — van Minerva, iemand die zich aan de wetenschap wijdt. (e) De priester vertegenwoordigt de godheid bij de mensen (draagt daarom soms een godennaam) en de mensen bij de godheid; hij heeft de zorg voor de dagelijkse verbinding en de blijvende rechte verhouding tussen beiden en onderscheidt zich hiermee van de →profeet. Het priesterschap vindt zijn wortels enerzijds in het complex van sjamaan-medicijnman (→sjamanisme), waarvan het vaak nog lang de sporen blijft dragen, anderzijds in de positie van het hoofd van de familie, die zijn gemeenschap vertegenwoordigt tegenover de góden en/of machten; het is de vader die offert: bloedverwantschap en cultuurgemeenschap vallen samen.

Ontstaat in groter verband een eigen cultus (stam, stad, staat), dan wordt het priesterschap een functie, waarvoor bepaalde personen worden aangewezen, eventueel op grond van hun geroepen zijn door de godheid. Dat hoeft niet te betekenen dat hij een voor de cultus ‘vrijgestelde’ is; bij de Semieten en in India vormden (vormen) de priesters een afzonderlijke stand, maar bij de Grieken en Romeinen b.v. waren zij doorgaans ambtenaren die voor kortere of langere tijd met het verzorgen van de cultus werden belast. De taak van de priester omvat meer dan alleen het voltrekken van godsdienstige riten. Omdat hij de vertegenwoordiger van de god is, diens wil kent, deskundig is op het gebied van de onzichtbare machten, is hij ook ten aanzien van vele andere zaken een autoriteit. Men raadpleegt hem bij onheilspellende voortekenen en bij het bepalen van de juiste tijd voor een onderneming; men roept zijn hulp in bij het verkrijgen van een →orakel; hij treedt op als rechter (de god spreekt recht door zijn mond); hij wordt geroepen in geval van ziekte en treedt dan op als de uitbanner van →demonen; hij is de bewaarder van de heilige traditie, de theoloog, de uitdeler van goddelijke genade enz. Deze uiteenlopende werkzaamheden kunnen aanleiding worden tot specialisatie.

Men ziet bij diverse oude volken een talrijk priesterschap ontstaan, in verschillende klassen verdeeld, elk met een eigen taak. In een polytheïstisch milieu (→polytheïsme) is daarvoor trouwens nog een andere aanleiding: elke god heeft zijn eigen priester. Een machtige priesterschap is altijd de oorzaak van verwikkelingen en conflicten met de wereldlijke macht, ook daar (of wellicht juist daar), waar de koning als vertegenwoordiger van zijn volk tevens opperpriester (in Egypte theoretisch zelfs de enig volgerechtigde priester) is. In het oude Israël hadden de priesters, onder leiding van de →hogepriester, eeuwenlang grote invloed op het volksleven, m.n. tijdens Jojada, deMakkabeeënende Sadduceeën. Naast de priester kende men er de →leviet. Behalve priesters komen in bijna alle streken van de wereld ook priesteressen voor, en niet alleen bij vrouwelijke godheden.

Hun taak is echter meermalen beperkt tot dienst van het orakel en tot bezwering (anderzijds zijn m.n. de vruchtbaarheidsceremoniën vaak juist aan de vrouwen overgelaten). In de zgn. grote godsdiensten werd de vrouw van de cultische functies uitgesloten.In het christendom hebben de Rooms-Katholieke Kerk, de Oosterse kerken, de Anglicaanse Kerk, de Oud-Katholieke kerken het priesterschap bewaard; het protestantisme heeft het op grond van het in het NT geleerde ‘priesterschap van alle gelovigen’ (vgl. lPetr.2,5 en 9) verworpen (→ambt, GODSDIENST).

LITT. A.Friedrich, Afrikanische Priestertümer (1939); H.Bonnet, Reallexikon der agypt. Religionsgesch. (1952); A.C.Welch, Prophet and priest in Old Israël (1953); E.O.James, The nature and function of priesthood (1955); A.Cody, A history of Old Test. priesthood (1969); A.Deissler e.a., Der priesterl. Dienst (1970); L.Sabourin, Priesthood (1973).