v. (-en), 1. het omkeren of omgekeerdworden: — van de bewijslast, van een akkoord, van een functie, van een integraal;
2. (muziek) bij tweeklanken: verwisselen van de tonen zodanig, dat de onderste toon een octaaf hoger of de bovenste toon een octaaf lager gelegd wordt; bij akkoorden: een andere toon van het akkoord dan de grondtoon in de bas leggen; bij passages: het veranderen van stijgende intervallen in dalende en omgekeerd.