Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

Gepubliceerd op 13-12-2021

meer

betekenis & definitie

I. bw.,

1. sterker, in hogere mate; bij verbale uitdrukkingen: meer dan elk ander leed hij honger; hierbij wordt meer gedacht aan hoeveelheid dan aan aantal; bij bn. en bw., m.n. wanneer een comp. op -er minder welluidend zou wezen: men moet Gode meer gehoorzaam zijn dan de mensen (Hand.5,29); wanneer twee hoedanigheden, toestanden enz. met elkaar vergeleken worden en het ene meer op de voorgrond komt: deze kamer is meer lang dan breed; hij werd meer dood dan levend uit het water gehaald; meer bepaald hierom; meer of minder gunstige levensvoorwaarden, min of meer, (ook) in zekere mate, enigszins; meer en meer; des te meer; te meer : het werk had niet zijn volle aandacht, te meer omdat zijn gezondheid hard achteruit ging; (gew.) te meer, bovendien; (gew.) te meer dat, te meer omdat;
2. veeleer: hij was eigenlijk meer verbitterd dan ontmoedigd;
3. verder boven wat reeds genoemd is: wie waren er nog meer op het feest?; en zo meer; verschillende sporten, zwemmen, roeien en zo meer;
4. verder met betrekking tot de tijd: dat kan nu niet meer, daarvoor is het ogenblik, de tijd voorbij; de verb. niet meer duidt aan dat iets verloren gegaan, verdwenen is: daar was geen leven meer in; niet meer zijn, gestorven zijn: hij is niet meer;

II. zelfst., ter aanduiding van iets dat in hoeveelheid iets anders overtreft of van het verschil waarmee het ene het andere in hoeveelheid te boven gaat: de vrijheid is meer dan het leven; een meer en een minder; onder meer; zonder meer, eig. zonder iets daarbij te voegen, vervolgens ook: terstond daarop; wat meer is, ter aanduiding dat iets nog hoger aangerekend moet worden: hij kent zes talen, en, wat meer is, hij kan zich er vlot in uitdrukken; hij is weinig meer dan een dilettant;

III. onbep. telw.; hierbij wordt eerder gedacht aan een hoeveelheid dan aan datgene waarvan het een hoeveelheid is: hij heeft meer boeken dan ik; (abs.) hij wil steeds meer hebben; hoe meer men heeft, hoe meer men hebben wil; (zegsw.) dat smaakt naar meer, is heel lekker, bevalt uitstekend; gevolgd door een bep. met van: ze zei eerst dat ze geen zin had, en zo meer van die dingen; in vergelijking met andere telwoorden verbonden: een woord van twee of meer lettergrepen; meer dan eens, herhaaldelijk; met een bep. die aanduidt hoeveel de ene hoeveelheid groter is dan de andere: hij kreeg 21 stemmen meer dan ik.