Nederlandse spreekwoorden

Nederlandse spreekwoorden, spreekwijzen, uitdrukkingen en gezegden (1923-1925) door F.A. Stoett

Gepubliceerd op 10-03-2020

Op grooten voet leven

betekenis & definitie

D.i. op rijkelijke, ruime wijze leven; ook wel in scherts gebezigd voor: groote voeten hebben.

Het is onnoodig voor de verklaring van deze spreekwijze te denken aan de in de 14de eeuw in Frankrijk voorkomende gewoonte der adellijke heeren om schoenen te dragen met lange spitsen; zij laat zich veel eenvoudiger verklaren, wanneer men ‘voet’ opvat in den zin van wijze, die zich geleidelijk ontwikkelt uit dien van steunpunt, basis, grondslag’; vgl. mnl. uptien voet, aldus; Kiliaen: Voet, modus, lex, conditio; op dien voet, eo modo, ea lege, ea conditione; Vondel, Jeptha, 922: op dien voet, op die wijze; Salomon, 797; afrik. hulle lewe op groot voet, het hd. auf groszem Fusze leben; fr. être sur un grand pied; être sur un bon pied, dans une bonne situation; ook être surun bon pied avec quelqu'un, met iemand op goeden voet staan; surle pied de guerre, op voet van oorlog; au petit pied, in het klein, enz.; hd. auf gutem, vertrautem Fusze; etwas auf den alten Fusz bringen; ook in het eng. on the old, same footing; on a friendly, a good footing, en verder bij ons op goeden voet (Pers, 703 a; Janus, 199); op vertrouwden voet; op den ouden voet (Pers, 474 a; Hooft, Brieven, 167); op gelijken voet (Van Effen, Spect. V, 229); op (een) nieuwen voet(Com. Vet. 35); op (een) lossen voet (Van Effen, Spect. XII, 135; V Janus, 3, 206); op denzelfden voet (C. Wildsch. I, 133); enz . enz . Vgl . fri. hy libbit op in greate foet, hij leeft op grooten voet; ironisch van iemand die buitengewoon groote voeten heeft en bovendien lompe schoenen draagt (W . Dijkstra II, 316 b); Huygens, Hofwijck, 2408: Dat's nu de kleine voet, het gebruik, de manier bij den geringen man; De Cock , 139, alwaar vermeld zijn de syn . op een hoogen, een breeden voet leven; Schuerm . 825 a: iets op breeden voet aanleggen, op een breede schaal, in het groot; Antw. Idiot. 1392; De Bo, 1340 b; Tuerlinckx, 700: op goeie (of goen) voet zijn of staan, op den goeden weg zijn, veel kans hebben. Vgl. ‘Op groote (breede, ruime) schaal’; West-Friesl.: Hij kakt op 't groote huisie, leeft op grooten voet.