Muiswerk Educatief

Muiswerk Educatief (2017)

Gepubliceerd op 14-11-2017

warm

betekenis & definitie

warm - bijvoeglijk naamwoord

1. met een hoge temperatuur
♢ in de zomer is het vaak warm buiten
1. warm eten
[maaltijd waarbij het eten warm opgegeten wordt]
2. het ging er warm aan toe
[er werd flink gevochten]
3. hij werd er niet warm of koud van
[trok zich er niets van aan]
4. ik loop er niet warm voor
[word er niet enthousiast over]
5. ze gaan als warme broodjes over de toonbank
[worden veel en gemakkelijk verkocht]
6. een warm buffet
[bestaande uit warme gerechten]
7. warm eten
[de hoofdmaaltijd]
8. met de warme hand geven
[terwijl je nog in leven bent]
9. het warm krijgen van iets
[er bang van worden]
10. het wordt hem daar te warm onder de voeten
[hij voelt zich er niet veilig meer]
2. hartelijk en vriendelijk
♢ we werden warm ontvangen bij die familie
1. het warm aanbevelen
[van harte aanbevelen]
2. iemand een warm hart toedragen
[erg aardig vinden]
3. ergens warm voor lopen
[er enthousiast over worden]
4. iemand ergens voor warm maken
[zorgen dat hij er enthousiast voor wordt]
3. wat de lichaamswarmte vasthoudt
♢ doe maar een warme jas aan, het is koud buiten!

Algemene uitdrukkingen:
1. je bent warm
[je hebt het bijna gevonden]
2. warme kleuren
[die een prettige indruk geven]
3. de warme bakker
[die zelf nog brood bakt]
Bijvoeglijk naamwoord: warm
... is warmer dan ...
het warmst
de/het warme ...
iets warms

Tegenstellingen
effen, fris, ijskoud, ijzig, kil, koel, koud

< >