tabak betekenis & definitie

tabak - zelfstandig naamwoord
uitspraak: ta-bak

1. gedroogde bladeren waarvan de vulling voor sigaren en sigaretten gemaakt wordt
♢ hij rolt een shaggie met vloei en tabak
1. ergens tabak van hebben
[er genoeg van hebben]
2. lichte tabak
[met laag teergehalte]
3. zware tabak
[met hoog teergehalte]
4. dat is andere tabak
[dat is heel iets anders]
5. dat is mij geen pijp tabak waard
[niets]
6. er bálen tabak van hebben
[er meer dan genoeg van hebben]
7. dat is straffe (zware) tabak
[een moeilijke klus]

Zelfstandig naamwoord: ta-bak
de tabak