Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

Gepubliceerd op 14-11-2017

schip

betekenis & definitie

schip - zelfstandig naamwoord

1. voertuig waarmee je vaart
♢ het schip legde aan in de haven
1. schepen achter je verbranden
[iets doen waardoor je niet meer terug kunt]
2. het zinkende schip verlaten
[weggaan voor het te laat is]
3. hij zit in het schip
[in moeilijkheden]
4. schoon schip maken
[problemen uitpraten en opnieuw beginnen]
5. het schip ingaan
[een financiële strop hebben]
6. er kunnen geen twee kapiteins op één schip zijn
[één persoon moet de leiding hebben]
7. de ratten verlaten het zinkende schip
[men vlucht weg als het niet goed gaat met de zaak]
8. schoon schip maken
[opruimen]
9. je schepen achter je verbranden
[de terugtocht voor jezelf onmogelijk maken]
10. de wal keert het schip
[de omstandigheden zorgen ervoor dat de ontwikkeling weer in omgekeerde richting gaan]
11. tussen de wal en het schip vallen
[nergens bij horen]
12. het schip van de woestijn
[de kameel]

Zelfstandig naamwoord: schip
het schip
de schepen
het scheepje

Synoniemen
boot, schuit