macht betekenis & definitie

macht - zelfstandig naamwoord

1. kracht om iets te doen
♢we duwden uit alle macht
1. boven je macht werken
[met je handen boven je hoofd]
2. we waren niet bij machte om ...
[niet in staat om ...]
3. uit alle macht
[met de grootste inspanning]
4. eendracht maakt macht
[eensgezindheid maakt sterk]
5. kennis is macht
[wie veel weet, heeft ook veel invloed]
6. met man en macht
[met alle beschikbare hulp]
7. boven zijn macht werken
[met de handen boven het hoofd]
2. groep mensen met speciale taak
♢de rechterlijke macht
1. de gewapende macht
[door de staat georganiseerde krijgsmacht]
2. een hogere macht
[bovenaards wezen of principe dat het lot van de mensen bepaalt]
3. de uitvoerende macht
[de regering, het bestuur]
4. de wetgevende macht
[de kroon en het parlement samen]
5. de rechterlijke macht
[de rechters]
3. getal dat aangeeft hoe vaak je een getal met zichzelf moet vermenigvuldigen
♢twee tot de macht twee = 2 x 2
4. het ergens invloed op hebben, er de baas over zijn
♢de minister heeft meer macht dan de koningin
1. op het toppunt van zijn macht
[toen hij het meest te vertellen had]
2. de macht over het stuur verliezen
[de auto niet meer onder controle hebben]
3. de ouderlijke macht
[wat ouders over kinderen te vertellen hebben]
5. het aantal keer dat een getal met zichzelf vermenigvuldigd moet worden bij machtsverheffen
♢in 2 ^3 is 3 de macht en moet je uitrekenen 2 x 2 x 2

Zelfstandig naamwoord: macht
de macht
de machten

Synoniemen
vermogen, capaciteit, potentie, exponent

Tegenstellingen
onvermogen, onmacht, machteloosheid

Laatst bijgewerkt 31-10-2017