huiskamer - zelfstandig naamwoord
uitspraak: huis-ka-mer
1. kamer die door het hele gezin het meest gebruikt wordt
♢ we zaten in de huiskamer televisie te kijken
Zelfstandig naamwoord: huis-ka-mer
de huiskamer
de huiskamers
het huiskamertje
Synoniemen
living, woonkamer, zitkamer
Studenten en medewerkers van onderwijsinstellingen hebben gratis toegang.
Ensie voor jouw (onderwijs)instelling? Bekijk de mogelijkheden.