Alkmaar betekenis & definitie

Alkmaar is een stad, ontstaan aan de noordoostelijke rand van een strandwal op de overgang naar klei- en veengronden nabij de getijdekreek de Rekere. In de 10de eeuw kwam op de hogere geestgrond een agrarische nederzetting tot ontwikkeling (omgeving Kerkplein, de Geest). Deze nederzetting groeide in de 12de eeuw uit tot een handelscentrum. Wegens de strategische ligging in het grensgebied van Kennemerland en West-Friesland kreeg Alkmaar in 1254 stadsrechten van graaf Willem II, die aan de oostzijde de (verdwenen) dwangburcht Torenburg stichtte. Waarschijnlijk is de Kooltuin, de moestuin van het voorm. kasteel, daar een overblijfsel van. In de 12de eeuw begon men met de aanleg van dijken tegen het opdringende water, eerst aan de oostzijde van de Rekere, later aan de westzijde gevolgd door de dijk naar Bergen (voltooid 1212). De Langestraat en de Houttil liggen op deze dijk en daardoor hoger dan de omliggende straten. Langs deze dijk ontwikkelde zich al spoedig een handelsplaats met aan de oostzijde de oude aanlegplaats (Mient). De parallel aan de Langestraat lopende oudste grachten (Heul/Laat en Nieuwesloot) zijn in de 19de eeuw gedempt.

Een eerste stadsuitbreiding vond plaats rond 1275 ten oosten van de Houttil, tot ongeveer halverwege het huidige waaggebouw. Vanaf het derde kwart van de 14de eeuw volgde stadsuitbreiding naar drie zijden. Aan de noordzijde werd het gebied tussen Kanaalkade en Langestraat opgehoogd en werden de stadmuren doorgetrokken tot aan de Kooltuin. Ook aan de zuidkant vond een ophoging plaats. Vanaf eind 15de eeuw volgde uitbreiding naar het oosten door aanplemping in de Voormeer, na 1470 resulterend in een grachtenwijk met het Luttik Oudorp en het Verdronkenoord als hoofdstructuur. Dit proces stopte met het brood- en kaasoproer (1491-'92), waarna Alkmaar tijdelijk zijn stadsrechten verloor en de stadsmuur werd geslecht. Na een plundering door Gelders-Friese troepen (Zwarte Hoop) in 1517 kreeg Alkmaar een nieuwe ommuring (1524-'38) met de Bierkade als oostgrens en de Oudegracht als zuidelijke begrenzing. Nog vóór 1573 volgde een verdere vergroting naar het zuiden. Na de val van Haarlem (12 juli 1573) werden in Alkmaar snel nieuwe verdedigingswerken opgeworpen. Daarmee kon men de Spaanse belegering (21 augustus - 8 oktober) doorstaan, wat een keerpunt betekende in de Opstand: na de inundatie van de omringende gebieden begon op 8 oktober 1573 in Alkmaar de Victorie. In 1595 kwam de ruimere omwalling gereed, waarbinnen aan de westzijde ook de Geest en de Molenbuurt gebracht waren en aan de oostzijde de nieuwe aangeplempte eilanden in de Voormeer. In het zuidoosten ligt het zoutketengebied, Zandersbuurt en Schelphoek, in het noordoosten het Heiligland en het Hondsbosch (en vanaf 1607, als laatste aangeplempt, het Veneetse Eiland).

Mede door de inpoldering van de Schermer (1634) werd Alkmaar een regionaal centrum voor de handel in agrarische producten, vooral kaas. De kapel van het voorm. H. Geesthuis werd daartoe tot waag omgebouwd en in fasen volgde de aanleg van de Kaasmarkt. Verder was Alkmaar de voorzittende stad van het Noorderkwartier. Eind 18de eeuw speelde Alkmaar als garnizoensplaats een rol in de Overeenkomst van Alkmaar (1799), die een einde maakte aan een invasie door Engelsen en Russen.

Een nieuwe bloei volgde met de aanleg van het Noordhollands Kanaal (1819-'24), dat op verzoek van de stad door het oostelijke havengebied werd gegraven en verder de noordelijke vestinggracht volgde. Die gracht werd hiervoor deels vergraven. Langs de Kanaalkade verrezen vanaf circa 1880 diverse bedrijfsgebouwen. Op korte afstand ten noordwesten van de binnenstad kwam in 1865 het station gereed aan de spoorlijn Amsterdam-Den Helder. In de binnenstad dempte men enkele grachten (Laat, Heul, Baansloot en Nieuwesloot) en aan de zuidzijde ontstond in 1873 op basis van een stedenbouwkundig plan van L.P. Zocher een landschappelijk villapark (Kennemerpark) ter plaatse van de vergraven vestingwerken en de daaraangrenzende 16de-eeuwse lijnbanen.

De aanvankelijk door verdichting van de bestaande bebouwing binnen de singels opgevangen bevolkingsgroei resulteerde pas na circa 1890 in nieuwe wijken buiten de singels. Als eerste werd vanaf 1894 de Spoorbuurt verwezenlijkt tussen het station en de oude stad. De bouw van de Emmabrug (1894) vormde het begin van een zuidelijke uitbreiding. Tuinarchitect L.A. Springer ontwierp aan de westzijde rond een groot driehoekig plein het Nassaukwartier, dat vanaf 1907 werd ontwikkeld door de Alkmaarsche Exploitatiemaatschappij. Het in 1909 aangenomen Algemeen Plan van Uitbreiding van de directeur gemeentewerken G. Looman werd de leidraad voor de na 1918 tot stand gekomen uitbreidingen.

De aanwijzing van Alkmaar als groeikern in 1957 leidde tot een verdere groei naar het zuiden, waar de grote woonwijken Nieuw-Overdie en De Hoef in fasen verrezen. Een grenswijziging in 1972 maakte een grootscheepse uitbreiding naar het noorden mogelijk in het gebied tussen het Noordhollands Kanaal en de N245. Een reconstructie van het Schermereiland tot woongebied werd in 1983 afgerond. In het kader van stadsvernieuwing is de opvallende R.K. St.-Dominicuskerk (1866) aan de Laat in 1985 op de traptoren na gesloopt. Verdere stadsvernieuwing in de binnenstad heeft vooral plaatsgevonden aan de noordwestzijde, met als belangrijkste recente elementen theater De Vest (1975-'77) en het Stedelijk Museum annex Openbare Leeszaal en kunstencentrum aan het Canadaplein (1998-2000, Mecanoo). De binnenstad van Alkmaar is beschermd stadsgezicht.

Gepubliceerd op 22-05-2017