Lexicon van Sprookjes

Van Aladdin tot Zwaan kleef aan (2005)

Gepubliceerd op 11-06-2020

De getemde feeks

betekenis & definitie

HET sprookje van de getemde feeks begint er doorgaans mee dat er drie zusters zijn, van wie de jongste een eigenzinnige feeks is. De man die met haar trouwt, besluit haar met een list te temmen.

Als zijn hond en zijn paard even niet naar zijn bevelen luisteren, doodt hij ze zonder pardon. De feeks wordt hierdoor geheel geïntimideerd en onderwerpt zich voortaan aan de wensen van haar echtgenoot.In de volksverhalencatalogus van Aarne en Thompson is deze vertelling opgenomen als ‘Taming of the Shrew’ (AT 901). Het sprookje kent een verspreiding in geheel West-Europa, die zich uitstrekt tot in India, waar het oorspronkelijk mogelijk vandaan komt. Ook in China, Zuid-Afrika en Noord-Amerika is het gevonden. De beroemdste literaire uitwerking van deze vertelling is zonder enige twijfel het talloze malen opgevoerde kluchtige toneelstuk The Taming of the Shrew uit 1594 van William Shakespeare (1564-1616). Bewerkingen van de sprookjesstof voor televisie en film zijn ook doorgaans op dit werk van Shakespeare gebaseerd, zoals de Amerikaanse speelfilm THE TAMING OF THE SHREW (Sam Taylor, 1929) met Mary Pickford en Douglas Fairbanks in de hoofdrollen, en de eveneens Amerikaanse THE TAMING OF THE SHREW uit 1967 met Elizabeth Taylor en Richard Burton. Meer succes had overigens de musical-versie Kiss me Kate van Cole Porter.

De film van deze musical kwam in 1953 uit met Kathryn Grayson en Howard Keel in de hoofdrollen. De Nederlandse componist Johan Wagenaar componeerde begin 20e eeuw een nog regelmatig uitgevoerde ouverture De getemde feeks.

In de Lage Landen is het mondelinge sprookje, in tegenstelling tot de soms veelvuldige optekening in andere landen, relatief weinig opgetekend. Als we op de verzamelresultaten mogen afgaan, is het in deze contreien weinig populair. In Vlaanderen is het sprookje nooit bij vertellers opgetekend, in Nederland zegge en schrijve één keer. Wel kwam het hier zo nu en dan in de literaire overlevering voor: zo staat er een versie in de Steenwijker almanak voor 1889.

Het was de arts Cornelis Bakker die het sprookje over de getemde feeks in 1901 optekende uit de mond van zijn meest getalenteerde verteller, veehouder Dirk Schuurman (1839-1908) te Broek in Waterland. Schuurman vertelt het sprookje (archief PJMI) aldus: een boer heeft een bazige vrouw. Zelfs als het beestenweer is, zet ze hem de deur uit om op het land te werken. Onderweg blijft de boer staan bibberen van de kou en ontmoet hij een paardenkoopman op een paard en wagen. Ze keren terug naar de boerderij voor onderdak. Aangezien het slecht weer blijft, moet de koopman een tijdje blijven.

De koopman wordt na verloop van tijd verliefd op de dochter van de boer, zodat hij nadien nog vaker langskomt. Als de koopman en de boerendochter uiteindelijk gaan trouwen, krijgt de dochter van haar moeder het volgende dringende advies: zorg dat je altijd de baas blijft. De dochter belooft dit, maar de bruidegom heeft het gehoord. Telkens als het jonge stel op visite komt, zegt de moeder tegen de dochter dat ze de baas moet spelen. De dochter wordt inderdaad steeds baziger en haar echtgenoot besluit maatregelen te nemen. Op een dag gaat de koopman weer met zijn vrouw op visite.

Hij spant zijn oudste paard in en neemt zijn oudste hond mee. De koopman beveelt zijn hond driemaal om niet vooruit te lopen, maar achter te blijven. Als de hond niet luistert steekt hij hem met een mes dood. Driemaal ook beveelt de koopman zijn paard om niet zo te struikelen, en steekt het dier vervolgens dood (merk op dat de verteller de wreedheid van deze daden tracht te verzachten door de ouderdom van de dieren te benadrukken). Nu ze met de wagen niet meer vooruit kunnen, beveelt de man zijn vrouw om de wagen te trekken. Zij weigert dit natuurlijk, maar de man herhaalt zijn bevel en waarschuwt voor de gevolgen als hij het nog een derde keer moet bevelen.

Doodsbenauwd laat de vrouw zich vervolgens voor de wagen spannen. Bij de boerderij ontstaat grote hilariteit als men in de verte een vrouw een wagen ziet trekken. Maar de boerin schrikt zich een hoedje als zij ziet dat het haar eigen dochter is. De dochter vertelt wat er onderweg gebeurd is en verkiest om zich voortaan te schikken naar de wensen van haar echtgenoot. Dirk Schuurman besluit zijn verhaal met de opmerking: ‘Nee die tait [= na die tijd] hebbe ze een best léve ehad.’ Het sprookje over de getemde feeks behoort evenals Koning Lijsterbaard (AT 900) tot de verhalen die het temmen van (koppige) vrouwen tot onderwerp hebben. Het sprookje heeft welbeschouwd een tamelijk conservatieve strekking een vaststelling overigens die wel vaker kan worden gemaakt ten aanzien van sprookjes, of meer in het algemeen van volksverhalen.

De moraal dat in het huwelijk de man de baas moet zijn, bevat een flinke dosis mannelijk chauvinisme. Het lijkt wellicht tot ons voordeel te strekken dat de sprookjes over Koning Lijsterbaard en de getemde feeks in onze streken niet bepaald wijdverbreid genoemd kunnen worden. Het lijkt althans geen onwelkome gedachte dat er voor het thema nauwelijks een voedingsbodem schijnt te zijn geweest. Maar of er in de Lage Landen daadwerkelijk een gebrek aan affiniteit met het thema heeft bestaan, staat nog te bezien.

Het mag opvallend heten dat sprookjes met het thema ‘de vrouw is de baas’ hier bepaald vaker uit de volksmond zijn opgetekend. Voorbeelden hiervan zijn sprookjes die zijn geregistreerd als ‘Search for Husband in Command’ (AT 1366A*), ‘Who Can Rule his Wife?’ (AT 1375) en ‘Ham voor de man die zijn vrouw de baas kan’ (VDK 1375A*). Het inzicht dat de vrouw de baas is in huis klinkt weliswaar geëmancipeerd, maar is het historisch gezien niet. In veel sprookjes wordt de man die niet de baas is over zijn vrouw, gehekeld als een pantoffelheld. En daarmee blijkt dus zowel achter veel versies van dit type als achter de getemde feeks (AT 901) en aanverwante sprookjes (AT 900) een gelijkaardige rolbevestigende moraal schuil te gaan.

THEO MEDER TEKSTEN: Boekenoogen 1904, pp. 98-100.

STUDIES: AT 901, 1366A*, 1375; Brunvand 1966; Brunvand 1991; EM S.V. Zähmung des Widerspenstigen; Lüthi 1956-57; Moser 1972; Sinninghe 1943a, p. 25; Tubach 1969, nr. 742, 2023, 2408 en 4354; VDK pp. 447-448.