De Kleine Winkler Prins

Kleine Winkler Prins van A-Z

Gepubliceerd op 07-06-2020

Friesland

betekenis & definitie

provincie, grenzend aan Groningen, Drente, Overijsel, IJselmeer en Waddenzee. 3431 km2 met inbegrip van de eilanden Ameland en Schiermonnikoog. 460.000 inw. Het bestaat uit een hoog hoogveengebied aan de Drentse grens, een laag meren- en laagveengebied in ’t midden en een gebied van zeeklei in het N. en W.

In het Z.W. de keileemheuvels van Gaasterland.

F. is overwegend polderland met kunstmatige waterlozing. De polders zijn deels ingepolderde aanwassen langs de zee, deels droogmakerijen. Zij lozen alle in één boezem, „Frieslands boezem”, gevormd door de talrijke meren en poelen (gezamenlijke oppervlakte 24.000 ha). Deze boezem loost in de Waddenzee met 12 sluizen en een gemaal te Tacozijl. Er is een druk verkeer op de vele waterwegen (1372,6 km, geheel Nederland 6933,1 km). De gezamenlijke lengte van de landwegen bedraagt 1002,6 km (geheel Nederland 12.736,8 km). Het aantal gemeenten bedraagt 44. De bevolkingstoename bedroeg in 1946 0,78 %. Het geboortecijfer was in dat jaar 28,5 °/00, het sterftecijfer 9,6 De grootste steden zijn: Leeuwarden (hoofdstad, 76.000 inw.),'Sneek, Harlingen, Franeker, Bolsward, Drachten en Heerenveen. Veeteelt is het belangrijkste middel van bestaan. Van de totale oppervlakte van 269.821 ha cultuurgrond bestaat 216.044 ha uit grasland, 51.254 ha uit bouwland. Bossen en woeste grond beslaan resp. 7313 ha en 41.027 ha. Ook in de bouwstreek, ten N. van de lijn Harlingen-Leeuwarden en ten N. van Leeuwarderadeel, is meer grasland dan bouwland. In dit gebied teelt men vnl. consumptieaardappelen (45,5 % van de oppervlakte), tarwe, haver, peulvruchten, suikerbieten. De veestapel bedroeg in Mei 1947 381.209 stuks, eigendom van ruim 20.000 veehouders.

Door de hoge kwaliteit van het Friese vee is fokvee een belangrijk uitvoerartikel geworden, evenals boter. Ten nauwste met de veeteelt is de zuivelindustrie verbonden. Feitelijk alle boter en kaas wordt in zuivelfabrieken gemaakt, waarvan de meeste coöperatief georganiseerd zijn. De overige industrie is van minder betekenis: steen-, hout-, schaatsen-, metaalwaren-, machine-, papier-, touw- en tabaksfabrieken, exportslagerijen. Verder is er visserij op IJselmeer, Waddenzee en in de meren (paling).