Koenen

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

Gepubliceerd op 11-11-2021

bol

betekenis & definitie

I. m. bollen, bolletje (1 een voorwerp van min of meer ronde vorm in verschillende toepassingen; 2 stereometrie: lichaam, begrensd door een gebogen oppervlak, waarvan alle punten even ver verwijderd zijn van een punt in het midden van het lichaam; 3 hemellichaam inz. de aarde; 4 rond brood; klein rond gebakje; 5 onderaardse bolvormige plantenstengel inz. bloembol; zaaddoos van sommige planten; rijsbosstronk, pol; 6 min of meer rond bovengedeelte van een hoed; 7 hoofd, knikker; fig. hersens; 8 kraan, Piet):

1. de van een hamer, brede zijde; een bol garen, kluwen;
2. een raakvlak van een bol;
3. in samenst. wereldbol, aardbol, ook, globe;
4. bollen broods; bollen met botter; krentenbollen;
5. de bollen staan in bloei; de bol van vlas; de slaapbol;
6. een hoed met hoge of platte bol;
7. klappen in de handjes blij, blij, blij, geef dat boze bolletje dij, dij, dij; fig. dat kan hij niet in zijn bol krijgen; het is hem in de bol geslagen; iem. de bol wassen, een uitbrander geven;
8. dat is een (hele) bol hoor; z. krullebol, losbol.

II. bn., bw.; boller, bolst (1 van de wind: met losse vlagen waaiend; niet guur; 2 pafferig, opgezet; vet, dik, gezond; 3 min of meer bolvormig, opgeblazen):

1. een bolle wind, lauwe wind; de wind waait bol;
2. met bolle, bleke wangen; zijn bolle wangen gloeiden;
3. bolle lenzen, convex; de zeilen stonden opgeblazen; een deuk bol kloppen.