2020-01-27

bol

bol - m. (-len), 1. (wiskunde) lichaam, begrensd door een gebogen oppervlak waarvan alle punten even ver verwijderd zijn van het middelpunt; ook het oppervlak alleen; 2. hemellichaam van die vorm, de aarde; vgl. aardbol; 3. voorwerp van min of meer zuiver ronde gedaante, bal; (natuurkunde) Maagdenburger halve bollen, twee luchtdicht op elkaar sluitende holle halve bollen, die men luchtledig kan maken; prop; synoniem voor kruisspoel; kluwen: een – garen; (wapenkunde) rond schijfje in e...

2020-01-27

Bol

Bol - 1. Benaming voor verschillende Oudhollandse scheepstypen. → Enkhuizer bol, → Vollenhovense bol, → Wieringer bol. 2. Plaat in een zeearm.

2020-01-27

bol

Zie: Beroepsopleidende leerweg (bol)

2020-01-27

Bol

Bol - zie E. Smit.

2020-01-27

bol

Een bol is een meetkundig figuur die het ruimtelijke equivalent is van de cirkel.

2020-01-27

Bol

Bol - 1° Meetkundig. Het oppervlak, gevormd door alle punten, die een gegeven afstand R tot een vast punt, het middelpunt M, hebben, wordt b. (ook bolvlak) genoemd. Ook het lichaam door dit oppervlak begrensd heet b. Door omwenteling van een halven cirkel om zijn middellijn ontstaat een b. Elke lijn, die een punt van het oppervlak met M verbindt, heet straal. Een lijn, die twee punten van het oppervlak verbindt, wordt koorde genoemd, en een koorde, die door M gaat, is een middellijn. Een middel...

2020-01-27

Bol

Bol - in Nederland wellicht de meest gebruikte term voor een rekruut. Verkorting van oliebol. In andere talen: Fr. bidasse, culotte de peau, piou­ piou, troufion; Eng. cruity, pongo; Du. Barrasit, Kommissknüppel, Piep, Pipel, Schniefer.

2020-01-27

Bol

Ferdinand Bol (1616—1680) was een bekend Nederlands schilder, vooral van portretten en van regentenstukken, bijbelse taferelen en allegorieën. Hij was een der begaafdste leerlingen van Rembrandt en schilderde o.a. portretten van Michiel de Ruyter en van diens zoon Engel. Het een en ander van Bols werk staat op naam van Rembrandt, zodat het soms moeilijk is uit te maken, van wien van beide schilders een gegeven doek is.

2020-01-27

bol

bol - Oppervlakken in een driedimensionale ruimte waarvan elk punt zich op dezelfde afstand van een bepaald punt bevindt.

2020-01-27

Bol

1. BOL, m. (-len), voorwerp van rrin of meer ronde gedaante, bal; — de breede zijde van een hamer; — kop of kroon van een nagelijzer; — rond uiteinde van den roggerskop bij steenen windkorenmolens, waarop de bovensteen draait; — (gew.) ronde nap; — (Zuidu.) prop, kluwen; — (ook) straalbol, vgl. bolpijp; — (wapenk.) rond schijfje in een wapen, doorgaans plat, doch in de Duitsche wapens meestal geschaduwd en bolvormig; — klomp bereid metaal om letters van te gieten; — bal, bij ve...

2020-01-27

bol

bol - zelfstandig naamwoord 1. bovenste deel van het lichaam, met ogen, neus, mond, etc. ♢ iemand een aai over zijn bol geven 1. iemand een aai over zijn bol geven [een compliment geven] 2. het is hem in de bol geslagen [hij is gek geworden] 3. het hoog in...

2020-01-27

bol

bol - Zelfstandignaamwoord 1. (wiskunde) (o.a. stereometrie) driedimensionaal lichaam, begrensd door een gebogen oppervlak waarvan alle punten even ver verwijderd zijn van het middelpunt, sfeer 2. min of meer rond voorwerp Bovenop de mast was een bol bevestigd, waarop je moest proberen te blijven staan. 3. (biologie) bolvormig, vlezig, onderaards plantendeel in schubben of rokken opgehoopt waar gestopt in de grond een plant uit groeit...

2020-01-27

Bol

Zie Omwentelingsligchamen.

2020-01-27

Bol

uit de/zijn - gaan een intense ervaring beleven; in verrukking raken; buiten zichzelf zijn; opgewonden raken; wild worden. Deze informele uitdr. is vooral populair onder jongeren. Bolstaat hier voor ‘hoofd, hersens’, zodat de zegswijze eigenlijk bet. ‘zijn verstand kwijt raken’. In de hedendaagse jeugd taal kent men voor een dergelijke euforie vele syn.: uitzijn dak gaan; door zijn hoeven gaan; uit zijn knar gaan; uit zijn schoenen gaanenz. De Fizz in Amsterdam, dat vind ik nou nog wel...

2020-01-27

bol

zie schijten.

2020-01-27

BOL

Beroepsopleidende weg, opleiding binnen een ROC met een stagecomponent van ten minste 20%.

2020-01-27

bol

(jeugdtaal) iemand die voortdurend met z’n neus in de boeken zit; blokbeest. Verkorting van studiebol. De term was populair in de jaren tachtig.

2019-05-01

Wieringcr bol

Wieringcr bol - rond vissersvaartuig, ook bekend als Enkhuizer bol, al naar gelang de plaats van herkomst. Men viste er vroeger vooral mee op haring en ansjovis. Ze hadden een kiel, een gebogen vallende voorsteven en een steil staande rechte achtersteven. Het voorschip was gedekt tot de mast, erachter was het schip open. Ze hadden een boeiertuig met strijkbare mast, voorzien van grootzeil, fok en kluiver. De zwaarden waren smal en lang. L. 7,60 m, b. 3,05 m, h. 1,30 m. Er worden nog wel Wieringe...

2019-06-08

bol (plant)

bol (plant) - Planten met als bewaarplaats voor voedsel een gezwollen, onderaards plantedeel dat wordt omhuld door vlezige schubachtige bladen en de kiemen voor het volgend jaar bevat.

2019-05-01

Enkuizer bol

Enkuizer bol - een plaatselijke variant van de Wieringer Bol, te Enkhuizen ook wel aalboot genoemd.