Wat is de betekenis van Bol?

2020
2021-11-27
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2020.

bol

1) (18e eeuw, vero.) uitmuntende vent; kraan. • ‘'t Is een bol, - 't is een kraan van een vent,’ mompelde hij in stilte: ‘niets geen pedanterie of soesah! (Justus van Maurik: Met z'n achten. Novellen en schetsen. 1883) • Ik wierd dan wel een bol in de kroeg, maar ik dorst toch niet langer blijven...

Lees verder
2019
2021-11-27
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

bol

bol - Zelfstandignaamwoord 1. (wiskunde) (o.a. stereometrie) driedimensionaal lichaam, begrensd door een gebogen oppervlak waarvan alle punten even ver verwijderd zijn van het middelpunt, sfeer 2. min of meer rond voorwerp Bovenop de mast was een bol bevestigd, waarop je moest proberen te blijven sta...

Lees verder
2018
2021-11-27
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

bol

bol - zelfstandig naamwoord 1. bovenste deel van het lichaam, met ogen, neus, mond, etc. ♢ iemand een aai over zijn bol geven 1. iemand een aai over zijn bol geven [een compliment geven] ...

Lees verder
2018
2021-11-27
Centraal Bureau voor de Statistiek

Begrippenlijsten van het CBS

bol

Zie: Beroepsopleidende leerweg (bol)

2017
2021-11-27
Soldaten

Jargon & Slang van Soldaten

Bol

Bol - in Nederland wellicht de meest gebruikte term voor een rekruut. Verkorting van oliebol. In andere talen: Fr. bidasse, culotte de peau, piou­ piou, troufion; Eng. cruity, pongo; Du. Barrasit, Kommissknüppel, Piep, Pipel, Schniefer.

2017
2021-11-27
WizWijs

Inzicht voor leerling en leerkracht

bol

Een bol is een meetkundig figuur die het ruimtelijke equivalent is van de cirkel.

2007
2021-11-27
Arbeidsmarktmakelaars

Begrippenlijst bij het boek Arbeidsmarktmakelaars

BOL

Beroepsopleidende weg, opleiding binnen een ROC met een stagecomponent van ten minste 20%.

2007
2021-11-27
Scheldwoordenboek

Geschreven door Marc de Coster © 2007

bol

(jeugdtaal) iemand die voortdurend met z’n neus in de boeken zit; blokbeest. Verkorting van studiebol. De term was populair in de jaren tachtig.

Lees verder
1998
2021-11-27
Woordenboek van populaire uitdrukkingen

Marc De Coster ©, 1998

Bol

uit de/zijn - gaan een intense ervaring beleven; in verrukking raken; buiten zichzelf zijn; opgewonden raken; wild worden. Deze informele uitdr. is vooral populair onder jongeren. Bolstaat hier voor ‘hoofd, hersens’, zodat de zegswijze eigenlijk bet. ‘zijn verstand kwijt raken’. In de hedendaagse jeugd taal kent men voor een dergelijke euforie vele...

Lees verder
1997
2021-11-27
Vloeken

Prof. dr. P.G.J. van Sterkenburg: Vloeken, een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie (SDU, 2001).

bol

zie schijten.

1990
2021-11-27
Art & Architecture Thesaurus

Art & Architecture Thesaurus

bol

bol - Oppervlakken in een driedimensionale ruimte waarvan elk punt zich op dezelfde afstand van een bepaald punt bevindt.

1981
2021-11-27
Zelfstudie

Encyclopedie voor Zelfstudie

Bol

1. in de wiskunde de meetkundige plaats van alle punten in de ruimte, die een vaste afstand r hebben tot een bepaald punt M, het middelpunt; de afstand r heet de straal van de bol; 2. een bijzondere vorm van onderaardse stengel, b.v. van de tulp en hyacint. Daarbij is de as van de stengel verkort en vormt de bolschijf. Daarop zitten de kleur...

Lees verder
1974
2021-11-27
Biologische encyclopedie

Biologische encyclopedie geschreven door G. Th. van Kempen. Amsterdam, 1974.

bol

gedrongen stengel (bolschijf of bolstoel) waarop een groot aantal bladen, de rokken, zijn ingeplant. Onderaan de bolstoel bevinden zich bijwortels. Bol is vaak omgeven door droge vliezige rokken waarbinnen de vlezige bolrokken met reservevoedsel. In de oksels zitten knoppen.

Lees verder
1973
2021-11-27
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

Bol

m. (-len), 1. (wiskunde) lichaam, begrensd door een gebogen oppervlak waarvan alle punten even ver verwijderd zijn van het middelpunt; ook het oppervlak alleen; 2. hemellichaam van die vorm, de aarde; vgl. aardbol; 3. voorwerp van min of meer zuiver ronde gedaante, bal; (natuurkunde) Maagdenburger halve bollen, twee luchtdicht op elkaar sluiten...

Lees verder
1971
2021-11-27
Watersport A-Z

Watersport A-Z, Kramer (1971)

Bol

Bol - 1. Benaming voor verschillende Oudhollandse scheepstypen. → Enkhuizer bol, → Vollenhovense bol, → Wieringer bol. 2. Plaat in een zeearm.

Lees verder
1969
2021-11-27
Pieter Scheen

Rode Scheen: Lexicon Nederlandse beeldende kunstenaars 1750-1950

Bol

Bol - zie E. Smit.

1954
2021-11-27
Agrarisch

Agrarisch Encyclopedie

Bol

bestaat uit een ondergronds gedrongen stengeldeel, de bolstoel of bolschijf, waarop een groot aantal bladen, de rokken of schubben genaamd, zijn ingeplant. Onderaan de bolstoel bevinden zich een groot aantal wortels (bijwortels). Meestal is een bol omgeven door een aantal droge vliezige rokken, waarbinnen zich de, vaak vlezige, bolrokken bevinden....

Lees verder
1952
2021-11-27
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Bol

1. s., bol, kloat. 2. adj., bol, roun; (van land), krunich.

Lees verder
1950
2021-11-27
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Bol

I. m. (-len), 1. (meetk.) lichaam, begrensd door een gebogen oppervlak waarvan alle punten even ver verwijderd zijn van één punt, het middelpunt, in het midden v. h. lichaam; — (nat.) Maagdenburger halve bollen, twee luchtdicht op elkander sluitende holle halve bollen, die men luchtledig kan maken; — 2. hemellichaam...

Lees verder
1937
2021-11-27
Koenen

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

bol

I. m. bollen, bolletje (1 een voorwerp van min of meer ronde vorm in verschillende toepassingen; 2 stereometrie: lichaam, begrensd door een gebogen oppervlak, waarvan alle punten even ver verwijderd zijn van een punt in het midden van het lichaam; 3 hemellichaam inz. de aarde; 4 rond brood; klein rond gebakje; 5 onderaardse bolvormige plantenstenge...

Lees verder