Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Gepubliceerd op 18-09-2019

2019-09-18

Kongo

betekenis & definitie

(zie pl. en krt. Vgl. index).

I. Aardrijkskunde, economie en bestuur.
A. Ligging. Belgisch-Kongo is een kolonie, die een aanzienlijk gedeelte van Midden-Afrika inneemt (zie de kaart van Afrika). Zonder het mandaatgebied van Roeanda-Oeroendi, beslaat Kongo ongeveer 2 337 000 km2, d.i. ongeveer 1/13 van Afrika, met ca. 10 millioen inw. De kolonie strekt zich uit van 5°20'N. tot 13°17'Z. en van 12°15'0. tot 31°15'0.; zij wordt begrensd: ten N. door Fransch-Aequatoriaal-Afrika en Engelsch-Egyptisch Soedan; ten O. door Engelsch-Oeganda, Roeanda-Oeroendi (Belgisch mandaatgebied), het Tanganjika-territorium en N. Rhodesia; ten Z. door N. Rhodesia en Portugeesch Angola; ten W. door Portugeesch Cabinda en Fransch-Aequatoriaal-Afrika.
B. Opbouw en landschappen. Er bestaat een kenmerkend verschil tusschen de aardkundige vormingen van het laag centraal gedeelte en die van de bergachtige randgewesten der kolonie. Deze laatste zijn samengesteld uit lei-, zand- en kalksteenen en kristallijne gesteenten, die tot het Archaeicum en tot het Primair behooren. Men treft ze aan in het N.O., het O., het Z.O. en in het Kristalgebergte. Deze zeer oude ontsluitingen van Kongo bevatten geen fossielen behalve de lagen, die tot het Koendeloengoe-systeem gerekend worden; vandaar de onmogelijkheid er een juisten geologischen ouderdom aan te geven. Uit de opsporingen echter blijkt, dat deze gesteenten ouder zijn dan het Perm en dat de oudste tot het Archaeicum behooren. Zij werden hevig aangetast door tectonische bewegingen, waarvan de Kibari-plooiingen en de Koendeloengoe-plooiing het diepst ingrepen.

Het centraal gedeelte van de Kongo-kolonie, dat een trage inzinking onderging, werd gedurende millioenen jaren onderworpen aan continentale vormveranderingen en ligt thans bedolven onder dikke jongere nederzettingen, die nagenoeg horizontaal gebleven zijn en die duidelijke kenmerken bezitten van sedimentatie in een meer. Zij rusten discordant op de sterk geplooide oude randgesteenten. Het zijn de Boesira-lagen, Quartair en Tertiair, en de vormingen van het Loealaba-Loebilasj-systeem, welke tot het Secundair en tot het einde van het Primair dienen gerekend te worden.

Buiten de vermelde aardkundige formaties, die bijna het geheele bekken van Kongo innemen, moeten nog vermeld worden: de kuststrooken, welke uit Krijt- en Tertiaire fossielrijke lagen zijn opgebouwd; verder de vulkaanuitwerpsels, die vooral in de omstreken van het Kivoe-meer voorkomen.

Naast de opgesomde gesteenten beslaan de hedendaagsche verweerings- en erosiegronden, nl. het voor de tropen zoo kenschetsend lateriet, een aanzienlijke oppervlakte. De lithologische verscheidenheid en de tectonische bouw hebben natuurlijk een diepen invloed uitgeoefend op de morphologische kenmerken der landschappen, welke, op haar beurt, belangrijke biologische en economische gevolgen hebben. De lage middenvlakte valt samen met de jongere Quartaire, Tertiaire en Secundaire sedimenten. De randhoogvlakten en gebergten van het N.O., O., Katanga en Kristalgebergte vinden hun verklaring in het samentreffen met de oudste, sterk geplooide en gebroken gebieden.

Het O. deel van K. behoort tot de welbekende Oost-Afrikaansche breukzone, welke zich uitstrekt van het Nyassameer tot in het dal van de Jordaan. Daar heeft de tectonische verbrokkeling een reeks meren doen ontstaan in de slenkzones, en op hun randen hebben zich vaak machtige vulkaanmassa’s opeengestapeld, nl. het Viroenga-massief, ruim 4 000 m hoog, ten N. van het Kivoe-meer. Het is ook in het diep omgewoeld Oostelijk deel dat de Roewenzori zich verheft tot 5 126 m. Het huidig voorkomen van heete bronnen, de twee nog in werking zijnde vulkanen in het Viroenga-gebergte en het vaak zich voordoen van seismische storingen leveren hier het bewijs, dat de Oost-Afrikaansche slenkzone geenszins tot kalmte is gekomen in onze dagen.

C) Wateren. Het aardkundig verloop van Midden-Afrika heeft een diepe inwerking gehad op de meren en waterloopen van Kongo. Het is nl. in de Oostelijke slenkzone, waar talrijke breuken voorkomen van N.N.O.—Z.Z.W. en N.N.W.—Z.Z.O. richtingen, dat de Tanganjika-, Kivoe-, Albert- en Edwardmeren, o.a. gelegen zijn en waarvan het morphologisch onderzoek een duidelijk tectonischen oorsprong opgeeft. Toch heeft de vulkanische werking hier ook wijzigingen veroorzaakt en meertjes doen ontstaan. In de lage middenvlakte daarentegen heeft men te doen met relict-meren: de Toemba- en Leopold-II-meren zijn overgebleven bewijzen van het uitgestrekte watervlak, dat gedurende zeer lange tijdperken midden-Kongo innam. Zelfs de Kongostroom in dit gedeelte van zijn loop, en vooral bij overstrooming, wekt den indruk van een langgerekt meer. Op talrijke plaatsen worden palaeontologische bewijzen aangetroffen van het vroeger bestaan van een groot binnenmeer.

De tectonische bewegingen hebben verder een sterken weerslag gehad op de waterloopen; deze ondergingen een verjongingsphase en de menigvuldige waterversnellingen bewijzen, dat de nieuwe erosiecyclus thans nog in volle werking is. Een ander kenmerk van de rivieren van het Kongo-bekken (zie richting der waterloopen op de kaart) is, dat zich in de randstreken veel onthoofdingsverschijnselen hebben voorgedaan, ten nadeele van de naburige stroomgebieden. Deze aantappingen werden bespoedigd door het dalen van de erosiebasis, dat een gevolg was van het geleidelijk leegloopen van het centraal meer. Door terugschrijdende erosie heeft een kuststroom het binnenmeer doen afvloeien naar den Oceaan, over de waterversnellingen van Livingstone, in het Kristalgebergte.

D) Klimaat. Ofschoon de weerkundige dienst van Kongo pas sedert 1911 is ingericht, bezit men thans reeds voldoende gegevens om de algemeene kenmerken te kunnen opgeven van de klimaatsverschillen van Belg.-Kongo. Door het feit, dat de evenaar dwars door Kongo loopt, is het klimaat er standvastig heet en vochtig: de gemiddelde temp. overtreft 20° en de regenneerslag bereikt ruim 2 m, binnen de bocht van den Kongostroom, ten Z.W. van Stanleystad. Volgens de bekende wet nemen hitte en neerslag af, naargelang men zich van den evenaar verwijdert; zoo krijgen het N. en het Z. twee droge en twee vochtige seizoenen, hetgeen op het regiem van den Kongostroom een regulariseerenden invloed heeft, daar het droog seizoen in het eene halfrond samenvalt met het vochtige in het andere halfrond.

Ter oorzake van de speciale morphologie in het Oostelijk randgebied, heerscht hier geenszins het aequatoriaal klimaat. Het is een gewest met groote regionale weerkundige afwijkingen, welke hoofdzakelijk beïnvloed worden door de hoogteverschillen; zoo heeft de Kivoestreek een klimaat, dat veel gelijkt op dat van sommige mediterrane plaatsen, terwijl de hoogste toppen van de Roewenzori ijsgletsjers dragen.

Aan de klimatologische verscheidenheid hebben zich typische planten- en dierenassociaties aangepast (zie onder).

E) Economische gevolgen.

De verspreiding van de voornaamste economische rijkdommen wordt duidelijk, als men rekening houdt met den natuurkundigen opbouw van Kongo. Uit voorgaand overzicht blijkt, dat enkel de hooge randgewesten, en, meer speciaal, het Oosten en het Z.O. goed geschikt zijn voor blanke kolonisatie. Het is ook op de hoogvlakten en in de gebergten, waar de tsé-tsé-vlieg niet huist, dat de veeteelt rendeerend kan zijn. De vochtige, heete laagvlakte daarentegen bevat den machtigen houtvoorraad van het aequatoriaal woud en bezit tevens talrijke tropische cultures.

Ook op hydrographisch gebied is de tegenstelling opvallend tusschen de randgebergten en de middenvlakte. Hier zijn de waterloopen haast alle bevaarbaar, elders daarentegen treden storende waterversnellingen op, die niet toelaten de rivieren als vervoerwegen aan te wenden, maar die anderzijds een reuzenvoorraad verzekeren op het gebied van de witte steenkool, welke trouwens reeds op eenige plaatsen benuttigd wordt. Treffender nog is het verband tusschen den goelogischen bouw en de verspreiding der minerale voortbrengsels. Uranium-, kobalt-, koper-, tinertsen, goud, diamant en steenkool worden enkel aangetroffen in de randstreken, omdat deze de moederrotsen ervan bevatten, hetgeen tevens een aanduiding is voor het ontdekken van nieuwe vindplaatsen voor ertsen. Want, hoe groot de economische schatten van Kongo reeds bevonden werden, de wetenschappelijke opsporingen zullen ongetwijfeld nog meer rijkdom onthullen.

Lit.: J. Cornet, vsch. publicaties, in tijdschriften verspreid; M. Robert, Le Congo physique (1923); id., Le Katanga physique (1927); id., Le Centre africain (1932); P. Van Deuren, Aménagement du Bas-Congo; mededeelingen van vsch. auteurs in talrijke tschr., nl.: Annales de la Soc. géol. de Belgique; Bull. de la Soc. royale belge de géol.; Annales en Revue van de Soc. scientif. de Bruxelles; uitg. van het Kon. Koloniaal Instituut; van het ministerie van Koloniën, enz. V. Asbroeck

F) Plantenwereld

De vegetatie van K. vertoont een groote verscheidenheid en bestaat grootendeels uit regenwouden en savannen, die, gezien de geographische ligging der streek, samengesteld zijn uit tropische elementen.

De flora zelf is zeer rijk aan soorten, maar ze is nog onvolledig bekend, vooral voor wat de tallooze Cryptogamen betreft. De Phanerogamen met inbegrip der varens zijn thans beter bekend en men kan hun getal op ruim 10 000 schatten.

Plantengeographisch behoort geheel het Westelijk en centraal gedeelte van K. tot de Guineesche woudprovincie, terwijl de Oostelijke berglanden en Opper-Katanga tot de provincie der Afrikaansche savannen gerekend worden.

De regenwouden, die meer dan 40 % der geheele oppervlakte beslaan en meestendeels nog oerwouden zijn, bedekken de gansche centrale laagvlakte van het Kongobekken (centraal wouddistrict) en zetten zich voort in den vorm van menigvuldige galerij wouden langs de rivieren in de omliggende savannen. Ook in Majoembe treft men regenwoud aan, terwijl langs de kust vloedwouden van Rizophora mangle bestaan. Samengesteld uit een bonte mengeling van zeer verschillende houtsoorten, waartusschen en waarop talrijke lianen en epiphyten groeien, vertoonen de regenwouden een weelderige en, volgens ligging en bodem, een zeer afwisselende vegetatie. Als kenmerkende planten dienen vermeld: de oliepalm (Elaeis guineensis), die in de wouden der gansche Guineesche provincie verspreid is; de kapokboom (Eriodendron anfractuosum), een der grootste woudreuzen; de Chlorophora excelsa; de copalboomen (Copaifera en Cynometra) en de Raphia-palmen vooral in de moeraswouden rond Coquilhatville; de Limbali (Macrolobium Dewevrei), welke uitgestrekte, bijna homogene formaties vormt in Oeële en in Itoeri; verschillende koffieboomen, nl. Coffea canephora, welke als Robusta-koffie gekweekt wordt; vele caoutchouc-houdende lianen; eindelijk de eigenaardige parasolboom (Musanga Smithii), voorzien van typische steltwortels en die alleen in Secundaire wouden voorkomt.

De savannen, die al de randstreken rond het centraal wouddistrict bedekken, bestaan uit kruiden, vooral grassoorten, meest met verspreide struiken en kleine boompjes, uitgezonderd op de hoogvlakten van Kivoe, Roeanda-Oeroendi en Opper-Katanga, waar het uitgestrekte grasvelden zijn.

Voor de savannen der Guineesche woudprovincie is de apenbroodboom kenmerkend, terwijl in vele moerassen uitgestrekte Papyrusvelden bestaan.

De bergvegetatie, nl. van Roewenzori en der vulkanen van het Nationaal Albert-Park (thans reservegebied), vertoont een reeks opeenvolgende gordels, verschillend volgens de hoogte, nl. van onder naar boven: bergwouden, bamboewouden (Arundinaria alpina), boomachtige Ericaceeën en reuzen-Senecio’s en Lobelia’s.

Het Opper-Katangadistrict heeft een bijzondere vegetatie: het savannenwoud, samengesteld uit kleine, knotsige en zeer xerophiele boompjes der geslachten Brachystegia, Acacia, Protea enz., terwijl op den ertsrijken bodem verschillende bijzondere plantengemeenschappen groeien.

Gelijk in alle tropische streken zijn de oerwouden en vooral de bergwouden op vele plaatsen door den mensch gerooid en vervangen door culturen en weilanden.

Lit.: W. Robijns, La Flore et la végétation du Congo Belge, in: Revue Quest. Scient. (1930).

G) Dierenwereld

De dierenwereld, die grootendeels afhankelijk is van bodem en plantenkleed, verschilt zeer al naar gelang men te doen heeft met wouden of savannen.

In de eerste plaats trekken de groote zoogdieren, en vooral het groote wild, de aandacht, zooals: de grootoorige olifant, de buffel, de luipaard, de talrijke antilopen, de hyena, de rhinoceros en de leeuw, deze laatste alleen in de savannenstreek. In de bosschen der eilanden van Beneden-Kongo, in het Majoembewoud en in het centraal wouddistrict treft men talrijke apensoorten aan vooral van het geslacht Cercopithecus. In Beneden-Kongo leeft ook de bruine buffel, terwijl in het O. van de Kwango-Kasaïstreek en in Katanga de zwarte buffel met groote horens voorkomt. In het Noord-Oostelijk gedeelte van het centraal wouddistrict (Oeële-Itoeri) leeft de zeldzame Okapi en het zwarte woudzwijn. In het N.O. van Oeële vindt men nog de giraffe en de witte rhinoceros, terwijl in de bergstreken van Kivoe de bekende Gorilla Beringei en de Chameleon Johnstoni aangetroffen worden.

De fauna van Opper-Katanga wijkt af van die van de overige streken van K. en herinnert veel aan die van Rhodesia. Men vindt er nl. de zandantilopen (Hippotragus niger), het hartebeest (Bubalis Lichtensteini), de impalies, de zebra, de zwarte rhinoceros en veel apen van het geslacht Cercopithecus.

De meeste stroomen, rivieren en meren zijn bewoond door nijlpaarden en gevaarlijke krokodillen, die nochtans in het Kivoemeer ontbreken. Ook de visschen zijn overal talrijk vertegenwoordigd en te vermelden vallen: de slijkspringers (Periophthalmus) met uitpuilende oogen in hun dikke koppen; de eigenaardige Mormyridae met de dikke slijmige poriënachtige huid, die hun kop bedekt. Veel Siluriden met lange baarden komen ook voor, alsook de eigenaardige longvisch (Protopterus) met slangvormig lichaam, voorzien van draadvormige vinnen.

De vogels zijn overal verspreid: de vertegenwoordigers van het geslacht Turracus zijn meest woudbewoners, terwijl de zeldzame Balaeniceps rex, met kenmerkenden grooten bek, alleen in de moerassen van het Oepemba-meer te vinden is.

Bijna overal valt een groote rijkdom van insecten op: vlinders, kevers, sprinkhanen, enz. Te vermelden zijn: de welbekende termieten met hun eigenaardige nesten in den vorm van parasol, paddenstoel of heuvel, deze laatste vooral talrijk in Opper-Katanga; de bladvormige roofsprinkhaan (Mantes religiosa); de gevreesde muskieten, die de malaria verwekken; de tsétsé-vliegen, die de slaapziekte verspreiden en de zgn. zandvloo.

Lit.: H. Schouteden, Quelques notes sur la Faune congolaise, in: Revue Quest. Scient. (1930). Robijns

H) Anthropographie

De bevolking van K. vormt op het gebied der anthropographie geen homogeen geheel. Vermoedens liggen voor de hand, dat dit gebied oorspronkelijk door Pygmeeën was bezet, waarboven zich in den loop der tijden Negers zijn komen vestigen. Zoo laat zich verklaren, dat nog heden in K. het Pygmeeënras sporadisch opduikt, te midden van het alom verspreide Negerras.

Slechts de Pygmeeën uit het oerwoud van Itoeri, met de kleinere groepeeringen ten N. van Loesambo en langs den bovenloop der Lomami, schijnen het oorspr. type van het ras zuiver te hebben bewaard. Zij kenmerken zich door een zeer kleine gestalte van gemiddeld 1,44 m, een leemachtiggele huidskleur, een zwaar, plomp hoofd met uiterst korten hals. Het kinnebakken is vooruitspringend, de neus meer breed dan lang en diep ingedrukt. Zij hebben kroeshaar, en niet zelden een zeer ontwikkeld haarsysteem over het heele lichaam. De lichaamsbouw vertoont bovendien gebrek aan verhouding: de romp is te lang tegenover de beenen, de armen tegenover den romp. Al de overige Pygmeeën-groepen hebben Negerbestanddeelen in zich opgenomen.

Negerras. Buiten de door de Pygmeeën bezette gebieden is geheel K. door Negers bewoond. Allen behooren tot éénzelfde ras, al zijn sommigen blijkbaar van gemengd bloed. De overgroote meerderheid der Negers in K. vertoont echter het zuiver Negertype: middelmatig van gestalte (beneden 1,70 m), donkerbruin van kleur, kroeshaar, langwerpig hoofd, breede neus, uitstekende kaken, dikke lippen. Men moet voor zeer waarschijnlijk houden, dat sommige Negers, die van het oorspr. type afwijken, Pygmeeënbloed in de aderen hebben. Ook de inval van Hamietische en Semietische volksstammen in Oost-Afrika heeft tot rasvermenging aanleiding gegeven. Als nomadische veekweekers hebben deze volken door hun veroveringstochten niet alleen nieuwe cultuurelementen, maar ook nieuwe raseigenaardigheden over een zeer uitgestrekt gebied van Afrika verspreid.

Lit.: Zie beneden: sub Ethnographie.

I) Ethnographie

Het vraagstuk der ethnogr. indeeling der Kongoleesche bevolking heeft op dit oogenblik nog geen afdoende oplossing gekregen. In afwachting van wat nader ethnogr. onderzoek wellicht nog leeren zal, kan men niettemin in K. drie ethnische groepeeringen onderscheiden: 1° de Pygmeeën, 2° de landbouwvolken, 3° de herdersvolken.

1° De Pygmeeën. Van al de volken in K. bezitten dezen ongetwijfeld den oudsten cultuurtoestand. Thans leven zij slechts nog in kleine, afgezonderde groepjes tusschen de hen omringende Negerbevolkingen, zooals de Aka, de Efe en de Bamboeti resp. in het N.W., N.O. en Z. van het Itoeriwoud; de Batwa in Kivoe, Roeanda en langs den W. oever van het Tanganjikameer; de Batsjoea tusschen den evenaar en het meer Leopold II, en bij den oorsprong der Tsjoeapa en der Lomela (vgl. ethnographisclie kaart). Door dit samen leven met Negers is natuurlijk een wisselwerking tusschen beider cultuurelementen ontstaan, zoodat in werkelijkheid het eigen beschavingsbezit der Pygmeeën nergens meer gaaf en ongeschonden voorhanden blijkt te zijn. Op godsdienstig gebied gelooven de Pygmeeën aan een Opperwezen, dat de wereld geschapen heeft. Alles wat is en leeft, hoort de godheid toe. Het aanvaarden van dit hoogste gezag komt duidelijk tot uiting in het offeren der eerstelingen, zooals eerste vruchten, vroege honig, stukken wild. Ook de zedenleer past zich in zeer groote mate aan bij hetzelfde begrip: sommige zedelijke voorschriften worden ontegenzeggelijk door God uitgevaardigd, terwijl anderzijds overtredingen en buitensporigheden door hem worden gestraft. Het geestengeloof, alsmede de voorvadervereering zijn weinig ontwikkeld. Ook de magie blijft zeer beperkt. De familie ligt aan de gemeenschap ten grondslag. Het huwelijk is algemeen monogamisch. Man en vrouw, ouders en kinderen, leven door den band in goede verstandhouding. De vader is het hoofd van het gezin en hij oefent dit gezag uit in het raam van de familiegroep, waartoe hij behoort. Al vormen nu ook meerdere familiegroepen op haar beurt den familiestam of clan, dan toch blijft de familiegroep als dusdanig de spil, waarom heel het maatschappelijk leven draait. Van een politiek georganiseerd stamverband is geen sprake. Op stoffelijk gebied zijn de Pygmeeën zeer achterlijk. Zonder landbouw noch veeteelt leven zij slechts van wat de natuur hun spontaan oplevert, nl. planten en voedsel uit het bosch en jachtproducten. Daar na een min of meer lang verblijf in één streek het wild en de vruchten beginnen te ontbreken, worden zij als van zelf tot uitwijken genoodzaakt. De volledige afhankelijkheid van de natuur heeft dus voor hen een zwervend leven ten gevolge. Toch dolen de Pygmeeën niet onbepaald rond; elke clan heeft zijn nauwomschreven gebied, dat alleen voor eigen vruchtenverzameling en eigen jacht voorbehouden is. Als wapenen kennen zij oorspronkelijk slechts boog en pijl, zoodat de speer, in de olifantenjacht veelal in gebruik, van de Negers overgenomen blijkt te zijn. Als woning hebben zij slechts een beschutsel tegen regen en wind.
2° De landbouwvolken. Onmiddellijk dient er op gewezen, dat een strenge doorvoering van de volkenkundige indeeling in onderscheiden hakbouwvolken en jagersvolken in K. vooralsnog uitgesloten is. De landbouwers zijn er tevens jagers, zoodat op gemeenzamen grondslag een bonte verscheidenheid van geestelijk en stoffelijk cultuurbezit is gegroeid, welke naast veel overeenkomst ook veel verschil vertoont. De overgroote meerderheid der Kongoleesche volksstammen behoort tot de groep der landbouwvolken.

Bijna al deze volksstammen erkennen een Hoogste Wezen, dat zij beschouwen als den Schepper, Heer en Meester van het heelal. Dit opperwezen, dat naargelang van de volksstammen verschillende benamingen draagt, wordt nooit verstoffelijkt, heeft noch afbeeldingen, noch tempels, noch priesters. Is het godsbegrip als dusdanig algemeen verspreid, de practische beteekenis ervan voor het dagelijksch leven der Zwarten blijkt niettemin van zeer ongelijke waarde te zijn. Bij sommige volksstammen, zooals de Bakongo, de Ngbandi en de Azande, berust de zedenleer gedeeltelijk althans op het godsbestaan. In vele gevallen echter is het verband tusschen godsdienst en moraal zeer onduidelijk geworden. Aldus bij de Koendoe, bij wie ontegenzeglijk het godsbegrip nog een vagen terugslag heeft op het gewoon levensverloop, waar het echter niettemin moeilijk uit te maken valt, waar de juiste aanknoopingspunten gelegen zijn.

Ten slotte is de kennis van het godsbestaan soms louter speculatief. Zoo gelooven de Baloeba wel in een opperwezen, doch erkennen ditzelfde geenszins meer als zedelijken wetgever. Hier is de breuk tusschen godsdienst en moraal.

Het animisme of geestengeloof neemt in het godsdienstig leven der Zwarten een ruimere plaats in dan het geloof in een opperwezen. De Zwarte stelt zich de natuur voor als bevolkt en beheerscht door geesten: bronnen, bergen, rotsen, boomen, regen, storm, enz. worden verpersoonlijkt en dientengevolge door riten, gebeden en offeranden vereerd (naturisme). Naast geesten der natuur, erkent de Zwarte ook geesten der afgestorvenen (manisme), waaronder deze der voorouders vooral worden vereerd. Na den dood immers leeft de ziel gescheiden van het lichaam voort. Zij keert soms terug onder de menschen om den een te bevoordeelen, den ander te schaden. Het komt er dus op aan de geesten gunstig voor zich te stemmen.

De nganga of geestenpriester bezit dit geheim. Hij kan nl. sommige geesten opsluiten in bepaalde voorwerpen, meestal gesneden houten beelden. Deze worden dan vereerd om gunsten te bekomen of ongelukken af te weren (fetisjisme).

Tooverij (magie) is verreweg de voornaamste factor in het leven der Zwarten. Tooverij is een practijk, welke uitgaat van het geloof in geheime onpersoonlijke krachten, die het heelal willekeurig beheerschen. Sommige lieden, bandoki, kennen het geheim deze krachten te bemachtigen. Door middel van formules en riten kunnen zij zelfs op afstand wonderbare uitwerksels bekomen, die volkomen tegenstrijdig zijn met het normaal verloop der natuurwetten. Aldus wordt noodzakelijkerwijze de grootste bekommernis van den Zwarte zich te beschermen tegen tooverij of zelf tooverkrachten te benutten. Ook neemt hij zijn toevlucht tot toovermiddelen bij alle omstandigheden van het leven: geboorte, puberteit, huwelijk, zwangerschap, ziekten, dood, jacht, vischvangst, bewerken van ijzererts enz.

Het maatschappelijk leven berust op de familie, welke bij vele volksstammen rechtstreeks in de clanorganisatie opgenomen wordt. Een clan is immers een soort familie, in breeden zin opgevat. Hij is een collectiviteit van personen, die bloedverwant zijn of denken te zijn. Dit openbaart zich, hetzij langs den kant der mannen, hetzij langs den kant der vrouwen, bijzonder door een gemeenschappelijken naam. De leden van een clan voelen zich hierdoor verbonden tot een collectieve verantwoordelijkheid, mogen doorgaans niet onderling huwen en leven soms onder het regiem van een collectieve economie. Toch bewonen de leden van een clan niet noodzakelijk een ononderbroken gebied.

Een clan kan aldus plaatselijk of verspreid zijn. De eeredienst der voorvaderen en sommige spijsverboden, eigen aan den clan, geven hem een godsdienstig karakter. Familie en clan zijn patriarchaal of matriarchaal. Feitelijk zijn echter in K. familie en clan noch zuiver patriarchaal, noch zuiver matriarchaal. Aldus behoort bijv. bij matriarchale volksstammen het gezag niet aan de moeder, maar aan den moederlijken oom: alle gezag van vaderskant gaat echter niet verloren. Insgelijks bij patriarchale volksstammen blijven de kinderen een zeker plichtsbesef behouden tegenover hun moeder en moederlijke familie. Op te merken valt, dat het matriarchaat meest voorkomt in den Z.W. hoek der kolonie, nl. bij de Bakongo, Bajaka, Baloeba, Baloenda, enz.

Naast de monogamie kennen de landbouwvolken insgelijks de polygamie. Deze heeft echter veel meer een economisch dan een zedelijk karakter. Er is vooreerst de groote veelwijverij: één man bezit tientallen, soms honderdtallen vrouwen. Daaruit volgt, dat sommige mannen geen vrouw vinden, een toestand, die tot allerlei misbruiken aanleiding geeft. Bij sommige volksstammen bestaat echter ook de kleine veelwijverij. Daar één man in dit geval slechts drie of vier vrouwen bijhoudt, is deze vorm van veelwijverij minder noodlottig.

Het staatkundig leven vindt, buiten en boven familie en clan, uiting in de hoofdij, d.i. een collectiviteit van personen, die leven op een bepaald grondgebied onder het gezag van een eertijds onafhankelijk hoofd. In het uitoefenen van zijn ambt wordt de hoofdman bijgestaan door een raad der voornaamste vrije lieden.

Op stoffelijk gebied zijn de landbouwvolken niet meer ten volle afhankelijk van de natuur. Naast de jacht en de vischvangst voorzien zij in hun onderhoud vnl. door den hakbouw. Dit is vrouwenarbeid. Graangewassen zijn hun onbekend, wel planten ze maniok, bananen, zoete aardappelen, maïs, aardnoten, enz. Ook aan hoornvee hebben zij gebrek, en zij bezitten enkel geiten, zwijnen, honden, hoenders, eenden, enz. De kleeding is allereenvoudigst: een stuk stof tusschen de beenen aangelegd en opgehouden door een gordel.

Haar en lichaam zijn in het algemeen het voorwerp van bijzondere zorg: haartooi, huidbeprikking en -beschildering, kunstmatige misvorming van schedel en tanden, oor-, neus-, en lipdoorboring, besnijding en dies meer. Als woning hebben zij de hut. Deze is steeds uit snel vergankelijke materialen opgetrokken, en dient meer als beschutting voor den nacht en slecht weer dan als eigenlijke woonstee.

Ambachten zijn ijzer- en houtbewerking, vlechten, weven en pottenbakkerij. Vele voorwerpen dezer nijverheden getuigen van ontwikkelden kunstzin. Als aesthetische verschijnselen der Kong. beschaving staan zij naast literatuur, muziek en dans op den voorgrond. Ook handel komt voor. Naast den primitieven vorm van ruiling zijn er bij vele volksstammen waardematen of eenheden te vinden, die als munt dienst doen. Dit is het geval voor sommige soorten parels, weefsels, koperen kruisen, ijzeren lansen, enz.

De handel wordt ook op bepaalde dagen op markten uitgeoefend. Door hun periodiciteit vormen zij de kaders der inlandsche week.

3° De herdersvolken. Deze wonen in het uiterste Oostelijke grensgebied. In de onmiddellijke omgeving der groote meren leven nl. de Bahoende, de Bahavoe, de Wanjaroeanda, en de Waroendi (cf. ethnogr. kaart). Op godsdienstig gebied is er geen opvallend verschil met de vorige groep: geloof in een opperwezen, animisme en magie. De maatschappelijke en staatkundige toestanden zijn echter zeer bijzonder, vooral in Roeanda en Oeroendi. Twee verschillende ethnische groepen, veefokkers en landbouwers, liggen er als twee onderscheiden cultuurlagen boven elkaar, met gevolg, dat een kleine heerscherskaste, welke in den loop der eeuwen als nomadisch herdersvolk in het land is binnengedrongen, de autochthone bevolking geheel of gedeeltelijk domineert.

Het karakteristieke der herdersvolken is de veefokkerij, welke de geheele stoffelijke beschaving beïnvloedt. Zoo gaat bijv. de inlander alhier met huiden en vellen gekleed. Het meerendeel der bevolking leeft echter nog van den landbouw, die naast zoete aardappelen, boonen en erwten ook graangewassen oplevert. De hut heeft den vorm van een bijenkorf. Ook sommige ambachten worden beoefend.

Lit.: Paul Hinneberg, Die Kultur der Gegenwart (III. 5. Abt.: Eugeen Fisher, Spezielle Anthropologie); W. Schmidt, Die Stellung der Pygmäenvölker; C. G. Seligman, Races of Africa; Czekanowski, Wissenschaftliche Ergebnisse der Deutschen Zentralafr. Exp.; C.

Van Overbergh, Collection de monographies ethnographiques; E. De Jonghe, Ethnographie du Congo (Revue des questions scientifiques, 1930); Annales du musée du Congo, Ethnographie et Anthropologie; Kongo, Alg. tijdschr. van de Belg. kolonie; P. Schebesta, Bambuti die Zwerge vom Kongo (1932); id., Vollblutneger und Halbzwerge (1934); J. Maes en O. Boone, Les Peuplades du Congo Belge (1935). De Cleene

J) Handel.

Gedurende het eerste tijdvak der kolonisatie (15e-19e eeuw) waren de handelsbetrekkingen tusschen K. en Europa zeer gering. Alleen de kuststreken waren bekend en daar juist zijn de uitvoerproducten zeldzaam. Handelskantoren werden er nochtans opgericht voor den slavenhandel. Toen Stanley in 1876 Afrika doorreisde van O. naar W., was hij de eerste om de groote rijkdommen van het binnenland op te sporen. Nochtans waren deze niet ontginbaar, zoolang deze afgelegen streken niet door degelijke vervoermiddelen met de kust werden verbonden. Heel de handelspolitiek in Belgisch-Kongo berust op deze noodzakelijkheid: het binnenland met de kust verbinden, niettegenstaande alle natuurlijke en politieke hinderpalen.

Het verkeersmateriaal van Kongo is tegenwoordig zeer uitgebreid: 15 000 km waterwegen met 60 000 ton vaartuigen; 4 465 km spoorwegen (ter vergelijking: België 4 500 km, Ned. ruim 3 700 km), 39 000 km wegen; 4 000 km luchtlijnen in de kolonie, en regelmatige verbinding met het moederland, enz.

De uitslag van deze politiek is niet achterwege gebleven. Kongoleesche in- en uitvoer, welke schier niet bestonden in het begin der 20e eeuw, namen vlugge uitbreiding: