Haagbeuk betekenis & definitie

Haagbeuk - (Carpinus Betulus L.), boom van de fam. der Cupiliferen, met gladde grauwe schors, gegolfde stamdoorsnede, eivormige bladeren, kaal en dubbel gezaagd, spoelvormige en kantige knoppen; de mannelijke katjes aan overjarige, de vrouwelijke aan den top van jonge loten; het vruchtbeginsel is onderstandig met twee roode strepen, de vrucht tweekantig, eenzijdig omgeven door het driedeelig omhulsel. Het hout is hard, moeilijk splijtbaar, met kleine poriën, golvende jaarringen, geel of grauw-wit zonder gekleurde kern.

In Europa en W. Azië komt behalve de bovengenoemde soort de kleinere C. Duinensis Scop. voor, in N. Amerika de struikvormige C. caroliniana Walt.

In W7. Europa is de C. Betulus inheemsch, doch ze wordt het meest aangetroffen in O. en N. O. Europa, waar ze soms zuivere opstanden vormt i.p.v. de gewone beuk. In Ned. en België evenals in Duitschland wel overal verspreid, doch in beperkte hoeveelheid.

Het is een boom van de laagvlakte en de lagere heuvelen, op goeden, liefst leemachtigen bodem, wordt niet hoog, is zeer winterhard en verdraagt bijzonder veel schaduw, vandaar vooral voorkomend als onderhout in opgaand loofbosch. Slaat bij snoeien sterk uit, waardoor veel gebruikt voor heggen, in sommige streken ook als knotboom. Sprangers