Ea betekenis & definitie

Soemerisch-Babylonische god van de apsoe, d.i. de wereldocaan, waarop de aarde als een ronde schijf gedacht ronddrijft; ook genoemd Enki, heer van de aarde. Ea is de god van de wijsheid, vooral vereerd te Eridoe (thans Sjahrain), de Zuidelijkste stad van Babylonië, destijds gelegen aan de uitmonding van Euphraat en Tigris in de zee.

Ea wordt voorgesteld in den vorm van een mensch, wiens onderstuk uitloopt in de onderhelft van een visch. Ea is de vader van den stadgod van Babel, Mardoek. Alfrink Eadmer Benedictijn; * ca. 1060, ✝ 1124; Engelsch kronieksclirijver, vriend en raadsman van S.

Anselmus. Hij werd 1120 tot aartsbisschop van S.

Andrews benoemd, maar niet geconsacreerd. Van hem hebben wij: Historiae novorum in Anglia, een waardevolle geschiedenis van Engeland tusschen 1066 en 1122 (M.

Rule in Rolls Ser. 81); een leven van S. Anselmus (uitg.

Migne, P.L. 158, 49—118) en Opuscula (Migne, P.L. 159, 709—800). Lit.: Lex. f. Theol. u.

Kirche (III, 505). W. Mulder S.J. Ealing Westelijke voorstad van Londen; in het graafschap Middlesex.