Doopeling betekenis & definitie

Elk menschelijk wezen, hoe klein ook, is bekwaam het d. te ontvangen; dus moet men trachten het te doopen ook bij miskraam of afdrijving (C.I.C. can. 747); of bij dringend stervensgevaar in den moederschoot (can. 746) zonder echter eigenlijke vruchtafdrijving daartoe te veroorzaken; of na het overlijden der zwangere moeder (ibid.).

Kinderen, nog niet tot de jaren van verstand gekomen, behoeven niet, om geldig gedoopt te worden, de intentie daartoe te hebben; ze mogen gedoopt, maar later niet herdoopt worden, dit is door de Kerk naar aanleiding van de leer der Doopsgezinden uitgesproken (Trid. sess. 5. can. 4; sess. 7. can. 12—14). Zij schrijft voor (C.I.C. can. 770) de kinderen van Katholieke ouders zoodra mogelijk plechtig te doopen; ze keurt dus het gebruik af, dat in de eerste eeuwen van het Christendom hier en daar bestond, nl. het d. tot lateren leeftijd uit te stellen. Kinderen van niet-Katholieke ouders mogen, buiten dringenden stervensnood, in den regel niet Katholiek gedoopt worden, tenzij er voldoende hoop bestaat op Katholieke opvoeding, bijv. door de toestemming der ouders (can. 750—751).

Al wie tot de jaren van verstand gekomen is, moet, tot geldigheid van het d., den wil hebben het te ontvangen; hij mag niet daartoe gedwongen worden; heeft hij de passende gesteltenissen (zie onder), dan heeft hij ook recht tot het d. (can. 745, 752). Wie nu buiten kennis en in stervensgevaar is, maar zich eenigszins tot het Christelijk geloof genegen betoonde, mag en moet althans voorwaardelijk gedoopt worden (can. 752, § 3).

Uitwerkselen. Door het d. bekomt men

1° vergiffenis van de erfzonde;
2° vergiffenis van de zonden vóór het d. bedreven;
3° kwijtschelding van al de zondestraffen, tijdelijke en eeuwige;
4° de heiligmakende genade, waardoor de mensch tot kind Gods aangenomen en tot de bovennatuurlijke orde verheven wordt: het d. is het sacrament der geestelijke wedergeboorte; daarbij komen de ingestorte → deugden en de → gaven van den H. Geest;
5° recht op genaden van bijstand om een Christelijk leven te leiden volgens de → doopbeloften; 6° een altijddurend → merkteeken in de ziel geprent;
7° het lidmaatschap van de heilige Kerk en meteen van het mystisch lichaam van Christus, met de geschiktheid om andere sacramenten geldig te ontvangen (C.I.C. can. 737).

Om de vijf eerste uitwerkselen te ontvangen, moet een doopeling, tot de jaren van verstand gekomen, geloof en althans onvolmaakt → berouw hebben over zijn vroegere doodzonden. Een zeker onderricht, ten minste in de geloofswaarheden, noodig uit noodzakelijkheid des middels, en een zekere voorbereiding zijn dus vereischt. De dagelijksche zonden, waarover de doopeling geen voldoende berouw zou hebben, worden niet door het d. vergeven, en dus ook niet de straffen daarvoor. Het kan gebeuren, dat een doopeling reeds vergiffenis van de erfzonde en van zijn voorgaande zonden bekomen heeft, nl. door het d. van begeerte: dan wordt door het doopsel de heiligmakende genade (4°) niet voor het eerst gegeven, maar wel vermeerderd; toch moet hij het doopsel-sacrament nog ontvangen krachtens het gebod van Christus en om de andere uitwerkselen van het sacrament te verkrijgen. Het d. neemt niet al de pijnlijke gevolgen der erfzonde weg (onwetendheid, begeerlijkheid, lijden en dood), m.a.w. het geeft niet de buitennatuurlijke gaven terug, aan onze eerste ouders in het aardsch Paradijs geschonken; maar alle andere strafschuld wordt kwijtgescholden, te zamen met de zondeschuld, zoodat wie het d. behoorlijk, met voldoende berouw over zijn vroegere zonden ontvangt en dan zonder nieuwe zonden komt te sterven, recht naar Gods aanschouwing in den hemel gaat (Trid. sess. 5. can. 5).

Wie echter met de noodige bedoeling of intentie (zie boven) om gedoopt te worden, doch zonder voldoende → geloof (Mc. 16. 16; Act. 8. 36—37; Hebr. 11. 6) of met vrijwillige gehechtheid aan persoonlijke doodzonden, zich doopen laat, ontvangt het sacrament wel geldig, dus ook het merkteeken (6°) en het lidmaatschap van de heilige Kerk (7°), maar zonder vrucht van genade (1°—5°). Deze zal hij bekomen, zoodra het beletsel (obex) verdwijnt, dat de instorting der genade in den weg stond; m.a.w. zoodra hij voldoende geloof en althans onvolmaakt berouw verwekt, „herleeft” het sacrament: dan wordt krachtens het vroeger toegediende d. de heiligmakende genade enz. ingestort.

Immers, om het merkteeken mag het d., eenmaal geldig ontvangen, nooit herhaald worden (→ Herdoopen). Is de geldigheid twijfelachtig, dan mag en moet het d. onder voorwaarde opnieuw toegediend.

Noodzakelijkheid. Niemand kan zalig worden, d.i. toegelaten tot de aanschouwing Gods in het andere leven, zonder het d., omdat alle menschen besmet zijn met de → erfzonde en deze slechts door het d. wordt uitgewischt (zie onder). Deze „noodzakelijkheid des middels” bestaat niet in de leer der Protestanten, die beweren dat de mensch door het geloof gerechtvaardigd wordt; ook hebben zekere Modernisten geloochend, dat Jesus het d. als noodzakelijk zou hebben ingesteld (S. Off. 3 Juli 1907, 42e veroordeelde stelling). Maar Christus heeft die volstrekte noodzakelijkheid duidelijk te kennen gegeven in zijn woorden tot Nicodemus (Joh. 3. 3—6); de heilige Vaders spreken eensluidend en de heilige Kerk heeft dit dogma meermaals plechtig verkondigd (bijz. Trid. sess. 6. cap. 4; sess. 7. can. 5 de bapt.). Kinderen, die met de erfzonde sterven vóór de jaren van verstand zullen dus het eeuwig geluk des hemels niet genieten, doch een zeker natuurlijk geluk in het „voorgeborchte der hel”: God, die geenszins verplicht was de bovennatuurlijke gaven aan den mensch te schenken, mocht die ook van zekere voorwaarden afhankelijk maken, zonder te kort te komen aan zijn rechtvaardigheid en goedheid.

Wat de vergiffenis der zonden en de instorting der genade met het recht op den hemel betreft, niet echter voor het merkteeken en het lidmaatschap der Kerk (zie boven: uitwerkselen, 6°—7°), kan het doopselsacrament vervangen worden

1° door het doopsel des bloeds (Mt. 10. 32, 39), d.i. het → martelaarschap voor Christus door ongedoopte kinderen of volwassenen doorstaan;
2° door het doopsel van begeerte, d.i. een akte van liefde tot God boven alles, met volmaakt berouw over de persoonlijke zonden: oprechte liefde tot God is onvereenigbaar met den staat van doodzonde; zij bewerkt dus de instorting der heiligmakende genade met het recht op de eeuwige zaligheid [Joh. 14. 21, 23; de tegenovergestelde leer van Baius (stelling 31) werd door

Kerk veroordeeld]. In die liefde, waardoor men Gods geboden zeker wil onderhouden, is althans stilzwijgend het verlangen naar het d. begrepen (Trid.. sess. 6. cap. 4). Zoodra een heiden, eengeloofsleerling, een ongeldig gedoopte, reeds voldoende → geloof hebbende, God boven alles beminnen, ontvangen zij de heiligmakende genade met het recht op den hemel. Door een dergelijk middel in verband met het geloof in den toekomenden Verlosser, kon men ook in het Oude Verbond kwijtschelding der erfzonde bekomen.

Zie ook → Doopbeloften; Doopbewijs; Doopboek; Doopborg; Doopnaam; Doopvont; Doopwater; Peter. Salsmans.



B) Toediening van het Doopsel (historisch en liturgisch). De hedendaagsche plechtige toediening van het H. Doopsel (zoowel de langere voor de volwassenen, als de verkorte voor kleine kinderen) bestaat uit drie gedeelten: het eerste grijpt plaats aan den ingang der kerk of der doopkapel (eigenlijk er buiten: → Atrium), het tweede in de kerk, het derde bij de doopvont. De eerste twee zijn een samenvatting der plechtigheden van het → catechumenaat, nauw is echter het tweede verbonden met het derde, de toediening van het Doopsel zelf, als de onmiddellijke voorbereiding daarop, en dit geheel klimt op tot de hoogste Oudheid, hetgeen blijkt zoowel uit de documenten der kerkelijke overlevering als uit het N. Testament zelf: aan de afwassching onder het uitspreken van woorden, waaronder de namen der drie Goddelijke Personen een plaats hadden, gingen steeds en overal vooraf:
a) de verzaking aan den duivel (zijn werken en ijdelheden) als voltooiing der exorcismen;
b) de belijdenis van het Geloof als bekroning van het godsdienstonderricht. Zij zijn de dubbele uiting van de vereischte gesteltenis tot het ontvangen van den Doop: de vlucht van de zonde en de gehechtheid aan God, de boetvaardigheid en het Geloof. Duidelijk staan beide vermeld in de H. Schrift (Act. 1; 2; 8), de Overlevering zette ze voort. Men sprak er oudtijds van als van twee „verbintenissen”, heden spreekt men van → Doopbeloften. Duidelijk is dit bindende karakter uitgedrukt door de formule uit het Byzantijnsche euchologion (gelijkwaardig met formulen der 4e eeuw): „Aan u duivel verzaak ik (apotassomai) en aan U, o Christus, hecht ik mij geheel (suntassomai)”. Reeds Tertullianus (3e eeuw) wijst erop en de kerkelijke schrijvers, vooral die van de 4e eeuw, verklaren met nadruk, dat de terugkeer tot den duivel onmogelijk is voor wie hem onder eede heeft verzaakt en dringen erop aan te overwegen, aan Wien men daarbij zijn woord gegeven heeft (S. Ambrosius, de Myst. V, 28). Ook de vorm: vraag en antwoord, is zeer oud. S. Augustinus noemde hem reeds algemeen. Na hun 7e jaar antwoordden de kinderen zelf, daarvóór deden dit de → doopborgen (S. Aug., de Anima III, 9; de Conjug. adult. I, 26). De vragen over het Geloof vatten dit samen volgens de door Christus voorgeschreven (Mt. 28. 19) aanroeping der drie Goddelijke Personen (Didachè, S. Justinus; Apost.Traditie, de Sacramentis, Sacramentar. v. Gelasius). In de oudste liturgieën volgt op elk der drie ondervragingen een onderdompeling; later scheidde men deze af en had de drievoudige onderdompeling plaats onder een afzonderlijke Drieëenheidsaanroeping, ongeveer gelijk aan de hedendaagsche: „Ik doop u in den naam van den Vader enz.” en (in het Oosten, behoudens de Kopten en Abessiniërs) „N. wordt gedoopt in den naam van den Vader enz.”, wat op hetzelfde neerkomt. Tusschen deze beloften en den Doop bevindt zich een zalving met de → Catechumenen-olie tot sterking tegen den duivel (exorcisme). Ook deze bestond reeds in de 3e eeuw (Apost. Trad.).

De Doop zelf geschiedde oudtijds veelal door onderdompeling (immersio) of door een begieting (infusio), waarbij de doopeling zelf in het water stond; later (sinds de 13e eeuw) werd in het Westen meer en meer de enkele begieting gewoonte, welke trouwens eveneens van apostolischen oorsprong is (Didachè, Catacombenschilderingen). Ook doopte men in het begin veelal buiten, in stroomend water, spoedig echter binnen op bepaalde plaatsen (S. Justinus I Apol. 65), en sinds de 4e eeuw in bijzondere Doopkerken (→ Baptisterium), naast de bisschopskerken gelegen. Lang bleef inderdaad de bisschop de gewone bedienaar (= minister ordinarius) van het Doopsel, zij het ook bijgestaan door zijn priesters en diakens (S. Ignatius, ad Smyrn. 8; Ordo rom. I, 43; VII, 11).

Later (6e—9e eeuw) kregen afgelegen kerken eigen dooprecht, nog later de parochies der bisschopssteden (van de stad Rome eerst in de 19e eeuw). Mede onder den invloed van den kinderdoop, eerst zeldzaam, maar sinds de 3e tot aan de 9e eeuw steeds algemeener (behoudens de „missiegebieden” van N. Europa) en heden verplicht gesteld, werd het doopbekken, eerst een bassin, steeds kleiner; de naam bleef echter aan zijn oorsprong herinneren: vont (Lat. fons = bron). Als doopwater werd immer natuurlijk water gebruikt, als van den aanvang af door den H. Geest (Gen. 1.1) gewijd en begiftigd met een (her)scheppende kracht (Tertullianus, de Baptismo 1,3,4). Als herinnering hieraan werd reeds vroeg (3e eeuw: Tertull., S.

Cyprianus) een plechtige wijding daaraan toegevoegd de „benedictifontis” van Stillen Zaterdag in het vooruitzicht op den plechtigen Doop der Catechumenen in den Paaschnacht (→ Doopwater). In deze wijding valt in het Westen de nadruk op een werking, die de H. Geest door het water uitoefenen gaat, in het Oosten op eene, die een openbaring van het Vleeschgeworden Woord zal zijn; éénzelfde Goddelijke werking, die zich van het water bedienen gaat tot het herscheppen der zielen, hebben beide op het oog.

De slotplechtigheden: zalving met het H. Chrisma, bekleeding met een wit gewaad, overreiking eener brandende kaars, dagteekenen alle uit de 4e eeuw. De zalving ontstond (in het Westen) door splitsing uit het H. → Vormsel, eertijds onmiddellijk na het Doopsel toegediend, en bleef aan den Doop gehecht als een sacramentale. Het witte kleed, heden vereenvoudigd (tot een doekje of een mutsje), was het zinnebeeld der zuiverheid, ook der vreugde; het werd eerst afgelegd op Zondag na Paschen [→ Dominica (in Albis)]; de kaars was een dergelijk symbool en hield ook verband met de geestelijke verlichting, door het Doopsel teweeggebracht. Geheel verdwenen is sedert de 6e eeuw (behoudens bij de Kopten en de Abessiniërs) het oude gebruik den pasgedoopten een mengsel van melk en → honig (voorsmaak van het Beloofde Land) te doen proeven, aanvankelijk nog vóór zij de H. Communie ontvingen, later (5e eeuw) erna.

Ook was in enkele streken een tijdlang een voetwassching gebruikelijk (Gallië, Spanje, Afrika). Eindelijk ontving overal de nieuwgedoopte de Heilige Communie, hetgeen ook heden, voor volwassenen, nog de wensch der Kerk is (Rit. rom. tit. II, c. 4, n. 52). . Lit.Duchesne, Origines du culte chrét. (Parijs 1920) ; Dict. d’Arch. et de Lit. (s.v. Baptême); d’Alès, Baptême et Confirmation (Parijs 1928); Coppens, Baptême aux temps apostoliques (rites, bapt. et mystères paiens) in : Supplem. au Dict. de la Bible (Parijs 1928); Dubosq, Les étapes de la vie chrét. Le Baptême (Bayeux 1930); Tschuor, Die h. Taufe (Einsiedeln 1931). de Puniet.

II. Doopsel van Christus. Bij het begin van zijn openbaar leven liet Jesus zich doopen door Joannes den Dooper in den Jordaan (Mt. 3.13—17; Mc. 1.9—11 Lc. 3. 21, 22; Joh. 1. 29—34). God wilde bij deze gelegenheid openlijk getuigen, dat Jesus van Nazareth de Zoon Gods en de beloofde Messias was. Christus zelf wilde door deze daad het doopsel van Joannes goedkeuren, een voorbeeld van nederigheid geven en door zijn aanraking het water heiligen, dat voor het H. Sacrament des Doopsels bestemd was.

Bij het Doopsel van Christus had ook een duidelijke openbaring der H. Drieëenheid plaats. Uit Mt. 3. 14 vgl. blijkt, dat Christus reeds vóór dit Doopsel een helder messiasbewustzijn had. De meening, dat de openbaring der H. Drieëenheid slechts een intramentaal en door suggestie ontstaan visioen zou zijn, is in tegenspraak met de Evangeliën. C. Smits.

Voorstelling in de kunst: Christus staat, met een enkelen lendedoek om, in het water van den Jordaan, terwijl St. Joannes de Dooper het doopwater over Hem uitstort. In den geopenden hemel wordt gewoonlijk God de Vader afgebeeld, terwijl de H. Geest, in de gedaante van een duif, omlaag zweeft. Naast den Chr. ziet men vaak dienende Engelen, die zijn kleederen vasthouden of Hem behulpzaam zijn bij het aandoen daarvan. <verwijzing plek afbeelding> Heijer.

Doopsel der dooden. Het tweede argument van Sint Paulus voor de verrijzenis der dooden in zijn 1en brief aan de Corinthiërs luidt aldus: „Wat zullen zij dan doen, die zich voor de dooden laten doopen, zoo er heelemaal geen dooden verrijzen? Waarom dan laten zij zich voor hen doopen?” 1 Cor. 15. 29; naar de Vulgata. Van de velerlei verklaringen van dezen moeilijken tekst is deze de meest gangbare: Paulus argumenteert hier op indirecte wijze voor de verrijzenis der dooden uit een gebruik bij de Christenen van Corinthe, om zich te laten doopen voor (= in plaats van, ten gunste van) nog niet gedoopte gestorven bloedverwanten of vrienden, teneinde hen in de glorievolle verrijzenis te doen deelen. Het is moeilijk uit te maken, welke waarde de Christenen aan deze daad hechtten. De Apostel keurt dit gebruik goed noch af.

Het staat vast, dat sommige ketters der eerste eeuwen, zich op dezen tekst baseerend, het doopsel aan dooden zelf of het plaatsvervangend doopsel toedienden. Het misbruik werd verworpen op het 3e Concilie van Carthago (397). De H. Joh. Chrysostomus e.a. verklaren uit Paulus’ leer van het Doopsel den tekst aldus: De verrezen Christus is de bestaansgrond van het Doopsel. Wie nu de verrijzenis der dooden ontkent, moet ook Christus’ verrijzenis ontkennen en ontneemt hierdoor aan het Doopsel zijn fundament.

De ontkenners der opstanding laten zich enten op een doodenstam: zij laten zich doopen in en om den dooden Christus en in een gemeenschap van dooden [pro (Gr.: huper, met genit.) is hier redegevend: om, ter wille van]. In deze opvatting is er geen sprake van een plaatsvervangend Doopsel.

Lit.: o.a. I. Delazer O.F.M., De baptismo pro mortuis (Antonianum, VI 1931, 113-136). C. Smits.