zoeken betekenis & definitie

('zoekən) (zocht, heeft gezocht)

1. (wat verloren is) trachten te vinden: (naar) zijn hoed ; wie zoekt, die vindt; zoek, zoek, herhaalde hij tegen zijn hond.

Gez. dat had ik achter, bij hem niet gezocht, daartoe had ik hem niet in staat geacht; dat is ver gezocht, dat is van verre, met de haren erbij gehaald; ik heb mij (half)gek gezocht, ik wist niet meer waar te zoeken; zoekt en gij zult verkrijgen, vinden, door vlijt en inspanning ontdekt men veel. → geld, gezocht, haar, knorf, koe, lantaarn, naald, ruimte, snoek, soort, speld, spijker, steen, woord.

2. trachten te krijgen: grond door het werven van het dieplood; een betrekking -. → fortuin, vrouw.
3. trachten te ontdekken: het kind -. → wolf.
4. beogen: eigen roem, voordeel -.
5. beproeven: hij zoekt u te bedriegen.
6. willen hebben: ruzie -.
7. bij iedere gelegenheid onaangenaam bevitten: iemand -.