Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

Gepubliceerd op 04-02-2020

schild

betekenis & definitie

(schilt) o. (-en: -je)

I. Eig. platte of enigszins gebogen schijf van harde of taaie stof, als beschutting aan de arm, in de strijd gedragen: een tegen de houwen of steken van de vijand; een aanvaller met -, lans of pijl; met - en speer gewapend; in 1302 moesten de Fransen de woorden „- en vriend” uit spreken om ze hieraan te herkennen; Veroud. iemand in het vallen, varen, hem te lijf gaan met wapens of aanvallen met woorden; iemand op het (ver)heffen, hem tot krijgsaanvoerder, overste, koning verheffen.

II. Metf.

1. voorwerp min of meer in de vorm van een schild nl.
a. wapenschild: hij heeft een adelaar in zijn -; iets in zijn voeren, het tot wapen of als figuur in zijn wapen hebben of het tot leus hebben of heimelijk voorhebben, heimelijk van plan zijn.
b. bord dat een opschrift draagt: in de gang hingen -en, met bloemen omvlochten.
c. uithangbord,
d. dakvlak: de -en van een tentdak.
2. voorwerp dat als beschutting dient, nl.
a. harde, hoornachtige plaat die een deel van het lichaam van sommige dieren bekleedt: de -en