('o:pən) (stond open, heeft opengestaan)
1. niet gesloten zijn: de sluis staat open.
2. toegankelijk zijn (met het bijdenkbeeld van gastvrijheid): ons huis staat voor je open; de weg staat open.
3. beschikbaar zijn: de gelegenheid staat open.
4. onafgesloten, onvereffend zijn; een -de rekening, post.
5. onbezet, vrij: een -de zitplaats, betrekking.