('dra:iər) m. (-s) [< draaien]
I. [I 1]
1. Eig. hij die draait.
2. Metn. toestel om te draaien.
II. [I 3] hij die aan de draaibank werkt. III. [II 1] Ontl.
1. deel van het dijbeen dat in de kom van het heupgewricht draait.
2. tweede halswervel waarop de eerste met het hoofd draait.
IV. [II 5] hij die uitvluchten zoekt.