Damiens (Robert François), bekend door zijn aanslag op het leven van Lodewijk XV, werd geboren in 1715 te Tieuloy bij Arras. Hij was eerst leerling bij een slotenmaker, daarna soldaat, deserteerde tot 2 maal toe en werd vervolgens bediende. In die betrekking kwam hij te Parijs en genoot er eenig onderrigt aan eene Jezuïetenschool. Vervolgens maakte hij zich schuldig aan diefstal, werd voortvlugtig en leidde onder verschillende namen in de omstreken van St-Omer, Duinkerken en Brussel een zwervend leven.
In December 1756 kwam hij te Parijs terug, verzwakt van ligchaam en geest door het overtollig gebruik van opium. De despotieke regering van Lodewijk XV, vooral ’s Konings handelwijze jegens het Parlement, vervulde hem met wrok, zoodat hij den 3den Januarij 1757 in een toestand van halve waanzinnigheid naar Versailles snelde. Den 5den Januarij wilde de Koning met den Dauphijn en andere prinsen in den wagen stijgen en uitrijden, toen hem plotselijk een messteek in de regterzijde werd toegebragt. De dader was Damiens. Op de pijnbank gebragt, ontkende hij standvastig het bestaan van medepligtigen en verklaarde tevens, dat het niet zijn doel was geweest den Koning te dooden, maar hem tot betere gedachten te brengen. Niettemin werd hij den 28sten Maart 1757 op het Grève-plein te Parijs, nadat zijne regterhand doorboord en op een klein vuur verbrand was, met gloeijende tangen genepen, door 4 paarden vaneengereten en ten slotte op den brandstapel geworpen. Geheel zijne maagschap werd voor altijd uit Frankrijk gebannen, en het huis, waarin hij geboren was, tot den grond toe geslecht.