man van zeer veel vermaardheids in de Kerkelijke Geschiedenissen, geduurende de Godgeleerde geschillen, vooral in den aanvang der jongstverloopene Eeuwe, en daarom eener omstandige vermeldinge in ons Woordenboek over waardig. Zijne geboorteplaats was Utrecht, alwaar hij, op den elfden Februarij des Jaars 1557, ter wereld kwam.
Zijn Vader was AUGUSTYN UITENBOGAARD: man van geene onaanzienlijke geboorte, Onder-Koorzanger in de Kanunnikdij van St. Pieter, en diens volgens den Roomschen Godsdienst toegedaan. De naam zijner Moeder was HELENA, of HELEVICH HAMELS, geboortig van Heusden. Het eetste onderwijs in de Latijnsche Taale genoot UITENBOGAARD van zijnen Vader die hem voorts na het Latijnsche School zondt, en vervolgens bij eenen Advokaat besleedde, alzo hij voorneemens was, zijnen Zoon tot de beoeffening der Regtsgeleerdheid op te leiden De Advokaat, in zijnen Kweekeling veel vernufts en groote leergierigheid bespeurende, nam de moeite op zien, om hem de Instituten te verklaaren. Om zich den slenter der behandelinge van Regtszaaken eigen te maaken, woonde UITENBOGAARD vervolgens bij eenen Prokureur. Wel haast vatte ook deeze voor hem zo veel agtinge op, en stelde zo groot vertrouwen op zijne kunde, dat hij, genoodzaakt zijnde, ter voortzettinge van een pleidooi, zich na Mechelen te begeeven, de zorge over zijne zaaken UITENBOGAARD aanbeval; die dezelve ook met veel ijver en trouwe waarnam. Geduurende des Prokureurs afweezigheid, onstondt de pest binnen Utrecht. Zijne Huisvrouw en twee kinderen, van de besmetting aangetast, overleden aan die kwaale Met veel getrouwheids droeg UITENBOGAARD alle mogelijke zorge voer het Huisgezin, zettende, in het tijdverloop van zes weeken, geenen voet buiten het huis, en hadt evenwel het geluk van niet besmet te worden.
Door ‘t een en ander wierdt UITENBOGAARDS naam met lof vermeld, ook bij lieden van aanzien en gezag. ADRIAAN VAN DER BURCH, Griffier van den Hove van Utrecht, deedt hem den post van Eerste Klerk ter Griffie aanbieden, mids, evenwel, dat UITENBOGAARD verklaarde, dat ’er geene waarheid was aan het gerugt, welk hem naaging, te weeten, dat hij, van tijd tot tij, de predikatien van Mr. HUIBERT DUIFHUIS, in de St Jakobskerk, ging hooren. DUIFHUIS, gelijk van elders bekend is, hoewel hij den naam van Roomschgezind voerde, en nog het Koorkleed droeg, predikte, nogthans, in den smaak der Hervormden, en liep daarom, bij de Roomschgezinden, merkelijk in ’t oog. Te eerlijk van inborst was UITENBOGAARD, om in eene zaak, in welke hij meende, zijne tijdlijke rust en eeuwig geluk te zijn betrokken, den huichelaar te speeien. Rondborstig verklaarde hij, niet slegts dat hij bij DUIFHUIS ter preeke ging, maar dat hij dit bezwaarlijk zoude kunnen nalaaten. Het gevolg hier van was, dat de genoemde bediening aan eenen anderen wierdt opgedraagen.
Deels in zijn eigen gezond verstand, deels in het voorbeeld en gedrag zijner Ouderen, lag de grond deezer veranderinge van godsdienstige begrippen bij UITENBOGAARD. Naar het voorbeeld van eene menige hunner Stadgenooten, lazen deeze niet slegts de schriften van LUTHER, BULLINGERUS en andere Kerkhervormers, maar leiden zich ook, hoewel in het verborgene, toe op het onderzoek der H. Schriftuure. ‘Er leefde, omtrent deezen tijd, te Utrecht zekere JAN BLOK, een gemeenzaam vriend van UITENBOGAARD Ouderen, en die over den Doop van deezen als Gevader hadt gestaan. Hij was Kanunnik van de St. Pieterskerk; en hoewel hij het Koorkleed droeg, en de Roomsche Kerkplegtigheden waarnam, in zijn hart der Hervormde leere toegedaan. Van tijd tot tijd voorzag deeze UITENBOGAARD van boeken en geschriften, ten voordeele der Hervorminge geschreeven.
Door dit alles, als mede door het leezen der Schriften van ANASTASIUS VELUANUS en ERASMUS, wierdt UITENBOGAARD meer en meer overtuigd van de dwaalingen der Roomsche Kerke, en dat het leerstelzel der Hervormden beter strookte met de leeringen der Schriftuure. En daar hij boven dien eenen gunstigen keer der tijden ten zijnen voordeele hadt, liet hij zich, eerlang, tot Lidmaat der Hervormde Gemeente openlijk aanschrijven.
Zints de vermaarde Vereeniging, in den Jaare 1579 te Utrecht geslooten, hadt de Wethouderschap der Stad de Hervorming openlijk ingevoerd. Om dezelve te stevigen en verder op te bouwen, zag men uit na bekwaame voorwerpen. UITENBOGAARD, hoewel tot de Regtsgeleerdheid opgeleid, voelde, nogthans, eene overhellende zucht tot de beoeffening der godgeleerde Weetenschappen; vooral zints hij de gronden der Kerkhervorminge meer opzettelijk hadt onderzogt. Hierom nam hij thans het besluit, om zich tot het waarneemen van het predikampt bekwaam te maaken. Zo veel genoegen vondt dit besluit bij de Wethouderschap der Stad, dat zij aanboodt, ten dien oogmerke, een gedeelte der kosten te willen draagen. Hij vertrok dan na Geneve, in den Jaare 1580, om ’er zich op de Godgeleerdheid toe te leggen.
Hier hoorde UITENBOGAARD de lessen van THEODORUS BEZA en ANTONIUS DE LA FAYE. Ook ontmoette hij, in die Stad, den vermaarden JAKOBUS ARMINIUS, kweekeling van de Stad Amsterdam. De kennis, tusschen de twee beroemde Jongelingen hier begonnen, groeide, zedert, tot eene boezemvriendschap, die nooit geschonden wierdt. Veel voordeels trok UITENBOGAARD uit zijne gemeenzaame verkeering met den Predikant KAREL PERROT, en vooral ook met SIMON GOULART, als die hem, uit zijne rijkvoorziene Boekerij, van allerlei boeken goedgunstiglijk verzorgde.
Kort naa zijne terugkomst van Geneve, in den Jaare 1584, Wierdt UITENBOGAARD, door die van het Konsistorie, (dus noemde men de Gemaatigde Gereformeerden) met toestemming der Magistraat, tot Predikant beroepen. Hier won hij de gunst der zulken, die van meeninge waren, dat men, in zaaken van Geloove, der Verdraagzaamheid omtrent anders denkenden moet plaats geeven, en zich wagten voor stoutmoedige bepaalingen, ten aanzien van dingen, welke Gods Woords, zo niet onbepaald gelaaten, immers niet duidelijk geopenbaard heeft. Maar even deeze zagtmoedigbeid was oorzaak, dat UITENBOGAARD, eerlang, van zijn ampt wierdt verlaaten. Een verhaal der jammerlijke verdeeldheden, die thans birnen Utrecht de Kerk van een scheurden, behoort niet tot ons plan. Genoeg zij het, in ’t algemeen, gemeld te hebben, dat men, binnen gemelde Stad, thans twee Aanhangen vondt: de eene die van de St. Jakobskerk, de andere van het Konsistorie geheeten: de eersten harde drijvers van het aangenomen leerstelzel, de anderen meer toegeevende in verdraagzaam; dat de hoofden der eerstgenoemden, in weerwil van zeer veele meer en min aanzienlijke leden, de anderen verdrongen, en zich aldus een gezag aanmatigden, waar over zij, nog onlangs, toen het door de Roomsche Kerk wierdt geoeffend, zo erbarmelijk geklaagd hadden.
Niet lang bleef UITENBOGAARD buiten dienst. Men beriep hem, eerlang, tot Predikant in 's Graavenhage. Ondanks zijne afzetting, moet, nogthans, UITENBOGAARD, te Utrecht
zeer gezien geweest zijn. Want als, zedert zijn vertrek, de Kerkelijke twist aldaar tot die hoogte was gereezen, dat men, zonder hulp van elders, geenen raad wist om dien tot bedaaren te brengen, liet UITENBOGAARD, daar toe verzogt zijnde, nevens anderen, zich tot dat wenschelijk oogmerk gebruiken. In den Jaare 1593 deedt hij verscheiden keeren derwaarts. In eenen derzelven gelukte het hem, nevens den Leidschen Hoogleeraar FRANCISCUS JUNIUS, de zaak op den voet van een Verdrag bij Voorraad te brengen; waarbij de handhaaving van het gezag zo wel der Wethouderschap, als der Kerkelijken (want deeze was een voornaame twistappel) met Voorzigtig beleid wierdt in agt genomen. Ook gaf zich UITENBOGAARD zeer veele moeite, om de misnoegde Ledemaaten wederom tot het houden van het Avondmaal te brengen. Met voordagt deedt hij, ten dien einde, eenen keer na Utrecht, en, met goedvinden der Wethouderschap, de misnoegde Kerkleden, van ’t een einde der Stad tot aan het andere, bij een vergaderen, in verscheiden huizen en hoopen, ten getale van vijftien, twintig of dertig tevens; hun voorts de redenen afvraagende van hun agter blijven, en dezelve, als meer de persoonen dan de zaaken betreffende, in zulker voege oplossende, dat veelen zich lieten gezeggen, en, van nieuw, ten Avondmaal verscheenen.
UITENBOGAARD, die zo wel in het Fransch als in het Hollandsch predikte, verzelde, in den Jaare 1599, Prins MAURITS in het Leger, en gaf aan denzelven zo veel genoegen, dat de Veldprediker zes maanden langer in zijnen dienst bleef, dan hij, in ’t eerst, zich hadt voorgesteld. Van hier ook, dat hij, int de gemelde hoedanigheid, den vermaarden Veldtogt van den Jaare 1600 bijwoonde, en van nabij ooggetuige was van den befaamden Slag bij Nieuwpoort. En vermits UITENBOGAARD een man was van zeer beschaafde zedert, en over wiens verkeering lieden van het hoogste aanzien zich niet behoefden te schaamen, groeide de agting van Prinse MAURITS voor hem tot zulk eene hoogte, dat de Leeraar, op zijn verzoek, hem tot gewoonen Hofprediker wierdt afgestaan. Zelf deedt de Prins hem den voorslag, om hem tot zijnen Raad te willen benoemen; ‘t welk, egter, UITENBOGAARD, als niet voegende aan zijn Ampt, hoewel hij daar toe alle noodige hoedanigheden bezat, met veel heuschheid van de hand wees. Tot in den Jaare 1614 verzelde UITENBOGAARD den Veldheer op alle deszelfs togten, met veel ijvers en getrouwheids, dikmaals met geen klein gevaar, zijnen post en pligt waarneemende.
Van UITENBOGAARDS gemaatigdheid omtrent Kerkelijke geschillen, hebben wij reeds eene proeve geleverd. Uit het geen wij nu gaan verhaalen, aangaande zijne verrigtingen, zal dit nog duidelijker openbaar woiden. Boven verhaalden wij, hoe UITENBOGAARD, geduurende zijn verblijf te Geneve, met ARMINIUS kennis en vriendschap hadt gemaakt. Van zijne gunstige denkwijze omtrent ARMINIUS vertoonde hij een blijk, ter gelegenheid als deeze, in den Jaare 1602, tot Hoogleeraar in de Godgeleerdheid te Leiden was beroepen. Want als de Gedeputeerden van het Zuidhollandsche Sijnode, bij welke ARMINIUS in geenen gunstigen reuk van regtzinnigheid stondt, zich tegen dit beroep aankantten, en, om hun oogmerk te bereiken, UITENBOGAARD in den arm wilden neemen, kantte deeze zich openlijk tegen dezelven aan; verklaarende dat ’er geene reden was, om eenige stukken, in welke ARMINIUS van hun mogt verschillen, hem daarom den voet dwars te zetten.
De vrijheid over middelmaatige geschillen, zeide hij, moest men niet geheel uit de Kerk of uit het School verstooten. Zo wel in de Schoolen als in de Kerk was 'er altijd verscheidenheid van gevoelen geweest, en zoude 'er wel altoos blijven, ook over zwaare zaaken, en zulks behoudens de eenigheid der Kerke. Als iemand der Sijnodaale Gedeputeerden hem te gemoet voerde, dat genomen ARMINIUS ware niet schuldig aan de stukken, die hem ten laste geleid wierden, men, egter, moest vreezen daar 't veilig is, hernam UITENBOGAARD daartegen, dat de regel van PAULUS, de Liefde denkt geen kwaad, beter in het hart en in den mond eene Christens Leeraars paste.
Om UITENBOGAARDS geaartheid en denkwijze, ten aanzien van ARMINIUS, en de thans betwiste leerstellingen, nader te leeren kennen, zullen wij hier een en ander gesprek nevens voegen, door hem, bij die gelegenheid, gehouden.
Het eerst hielde hij met WERNERUS HELMICHIUS, Predikant te Amjsterdam, en eender Sijnodaale Gedeputteerden. Het gesprek liep over ARMINIUS, en vervolgens over het Onveranderlijk Besluit, raakende de Zaligheid of de verdoemenis der menschen. De Amsterdamsche Leeraar dit Besluit de Leere der Kerke genoemd hebbende, hernan UITENBOGAARD daar op, dat het de Leere der Kerke niet was, waar wel van eenige bijzondere Kerkelijken, en dat hij die Leere niet aannam.
Als HELMICHIUS daar op verklaarde, dat men de geene, die anders gevoelden, in de Kerk kon dulde, mids dat zij zich stil hielden, voerde hem de anders te gemoet, dat niet de geenen, die dat onveranderlijk Besluit verworpen, maar veel eer zij, die het toestonden, noodig hadden geduld te worden. HELMICHIUS vervolgens gezegd hebbende, dat te Amsterdam luiden waren, die zaaken van meer gewigt tegen ARMINIUS zouden voortbrengen, indien men dat stuk verder voortdreef, gaf UITENBOGAARD hem tot antwoord „ Dat die naageevingen streeden tegen de wet der liefde en der waarheid; dat hij tirannij zag invoeren in de Kerk, daar hij zich wilde tegen stellen; dat zommigen van de Gereformeerde Kerk spraken, als of dezelve niet konde doolen, en als of daar alles zo wel was gesteld, dat ’er niets ontbrak; dit zij daarom ook de zulken, die in ’t geringste van hun verschillen, niet konden dulden; dat men zulk eenen, die over het geringste punt bedenking hadt, terstond verdagt hieldt van Ketterij. Hier uit stondt veelerlei twist en zwaarigheid te wagten. Maar zij zouden ten laatste in hun voorneemen te kort schieten: daarom hadden ze het wat zagter op te neemen.”
Het ander gesprek, over het zelfde onderwerp, viel voor met GOMARUS; die gezegd hebbende, dat de Uitlegging van ARMINIUS over het zevende Hoofdstuk des briefs aan de Romeinen tegen de Leere der Kerke streedt, als UITENBOGAARD hem daar op vraagde, tegen wat Artikel der Consessie of van den Catechismus ? daar op tot antwoord gaf „ dat men over de Leere der Kerke niet alleen uit de Formulieren moest oordeelen, maar ook uit de overeenstemming der Predikanten”; ’t welk de andere verklaarde, op een Paapschen grond te steunen; ’er nevens voegende, dat hij in de Leere geene andere overeenstemming der Predikanten erkende, dan die in de Consessie was uitgedrukt. Niet weinig moet UITENBOGAARD ter bevorderinge van het beroep van ARMINIUS te Leiden hebben toegebragt, gelijk men mag afleiden uit een Lofdicht, door JANUS DOUZA, Heer van Noordwjk, ter zijner eere gesteld, in welks slot hij deeze regels schreef:
„ Et sanè fateamur hoc necesse est
Omnes queis pietas, amorque veri
Aut res Religionis ulla cordi est,
Istoc nomine nos Uitenbogardo
Esse ac perpetuum sore obligatos:
Haud paulo tamen obligatiores,
Recens ob meritum, quod Aurasinae;
Doctorem Arminium scholae dedisti.”
Te kennen geevende, „ dat al wien de Godsvrugt, de liefde der Waarheid, of de zaak van den Godsdienst eenigzins ter harte ging, uit dien hoofde aan UITENBOGAARD verpligting hadden, en altijd zouden hebben; maar nog meer om zijne nieuwe verdienste, om dat hij ARMINIUS tot eenen Leeraar aan het Leidsche School hadt gegeeven.”
’t Is bekend, welke geschillen, eerlang, tusschen ARMINIUS en GOMARUS, en derzelven wederzijdsche medestanders, reezen. Bij de vermaarde Haagsche Conferentie, of het mondgesprek, ten overstaan der Staaten, tusschen de twee Godgeleerden gehouden, stondt UITENBOGAARD aan de zijde des eerstgenoemden. Hij deedt, bij die gelegenheid, eene aanspraak aan de Staaten, in welke verscheiden merkwaardige zaaken voorkoomen. Dus meende hij dat de oorsprong van de Leere der volstrekte Voorbeschikkinge moest gezogt worden in de pooging der eerste Kerkhervormen, om de lieden te recht te brengen van het leerstuk van de Verdienstlijkheid der Goede Werken, en van dat der genoegzaamheid van de Natuurkragten tot Zaligheid. Hier omtrent, meende hij, waren ze, het eene uiterste willende vermijden, tot een ander vervallen.
Aangaande de Confessien of Gcloofsbelijdemssen meende hij, dat in den aanvang der Kerkhervorminge, eenige weinige Predikanten, onder het Kruis, eene Confessie gesteld hebbende, om voor de vervolgde Gereformeerden te dienen tot eene Verantwoordinge, deeze Confessie, allengskens, meer door gewoonte en overlevering, dan naa behoorlijk onderzoek, een Formulier en regel der Leere was geworden. Ten aanzien van het Sijnode, waar op thans (’t was in den Jaare 1609) bij veelen zeer sterk wierdt gedrongen: „ Wij zeggen daar niet tegen, zeide UITENBOGAARD; maar men zie toe, hoe men het houde op dat het geen kwaad einde neeme, en dat de Satan daar niet boven aan zitte, gelijk BEZA sprak.” Voorts was hij van oordeel, dat het Sijnode door ’s Lands Staaten moest beroepen en beleid worden: niet om uitspraak te doen bij overstemming, zonder dat eene partij wierdt overwonnen met redenen, die dezelve haar gevoelen deedt verlaaten; maar het Sijnode moest, onder andere, gehouden worden „ tot vriendlijke en broederlijke zamenspreekingen, en verhandeling over de tegenwoordige verschillen, om te zien, of men elkander tot ééne meening konde brengen, of, indien dit niet zo spoedig konde gelukken, men dan, midlerwijl, om rust en vrede te houden, eenige bekwaame onderlinge verdraagzaamheid beraamde, bij manier van voorraad, of voor altijd; de eenigheid intusschen vasthoudende ten aanzien van de noodzaaklijke artikelen, die, misschien, weinig in getal zijn.”
Bijstere begrippen wierden, ten deezen tijde, bij zommigen gekoesterd, aangaande de Kerkelijke magt, die, ginds en elders, tot die hoogte wierdt gedreeven, dat zij het waereldlijk gezag ten minste evenaarde. GOMARUS, met naame, hadt in deeze zaak zeer sterk geijverd. In den jaare 1610 nam UITENBOGAARD hier uit de aanleiding om zich op dit stuk nader te verklaaren. Hij schreef een Boek over het Ampt en Gezag eener hooge Christlijke Overheid in Kerkelijke zaaken, en droeg het aan de Staaten van Holland op. Met verwerping van de Pauslijke Opperhoofdigheid, en eene zo genaamde Collateraliteit, of Evenhoogheid, beweerde UITENBOGAARD, dat huune Edele Groot Mogenden, als Opperste Christlijke Overheid deezer Landen, het hoogde opzigt en gebied in Kerkelijke zaaken toekwam, doch onder en naar des Heeren Woord. Geen wonder dat dit Geschrift zeer onderscheiden wierdt opgenomen.
De Voorstanders der Gemaatigdheid preezen het hemelhoog. Anderen spraken daar van zeer kwalijk, en vatten tegen hetzelve de pen op. Eenige weinigen verwaardigde UITENBOGAARD met een antwoord, doch meestal zonder vrugt.
In het zelfde Jaar 1610 deedt UITENBOGAARD, op last der Staaten, eenen keer na Frankrijk, in de hoedanigheid van Predikant van een staatelijk Gezantschap, van wegen de Algemeene Staaten derwaarts gezonden. Te Parijs hielde hij een uitvoerig gesprek met den geleerden ISAACUS CASAUBONUS, die zich bij hem geweldig beklaagde, over het geweld, welk men zijn Geweeten zogt aan te doen, door den eisch om zich stellig te verklaaren over zaaken, die bij hem niet genoegzaam duidelijk waren: waarom hij het middel, door ARMINIUS aangeweezen, tot vereeniginge der Kerke, dat men onderscheid moest maaken tusschen fundamenteele en niet fundamenteele zaaken, eene godlijke gedagte noemde.
In den jaare 1613 bejegende UITENBOGAARD eene ontmoeting, die merkelijk gerugts veroorzaakte. In de maand Februarij het kind zijner Stiefdogter, te Amsterdam woonagtig, ten Doop zullende houden, bestondt PETRUS PLANCIUS, die de pleegtigheid zou bedienen, in plaats van, naar gewoonte, de getuigen aftevraagen, „ Of zij de Leere, die in het Oude en Nieuwe Testament, en in de Artikelen des Christlijken Geloofs bepreepen is, en DIENVOLGENE in de Christlijke Kerk geleerd wordt, niet bekenden de volkomene Leere der Zaligheid te zijn”, de Vraag, naar een ander formulier en op eigen gezag, aldus voor te stellen: „ Ik vraage, of gij DEEZE LEERE, DIE HIER GELEERD, en verder in ’t Oude en Nieuwe Testament, en in de Artikelen des Christlijken Geloofs begreepen is, niet bekent de waaragtige en volkomene Leere der Zaligheid te zijn? ” UITENBOGAARD, op deeze verandering niet genoeg gelet hebbende, antwoordde daar op Ja. Straks vloog ’er een gerugt door de Stad, en voorts door het gantsche Land,
dat UITENBOGAARD, met zijn toestemmend antwoord, zijn gevoelen, raakende de
Predestinatie niet den aankleeve van dien, openlijk hadt herroepen. PLANCIUS, naamelijk, was een ijverig voorvegter van het gevoelen der Contraremonstranten, en zogt, nevens de meesten zijner Amptgenooten, dit gevoelen in de Amsterdamsche Gemeente telkens te doen veld winnen. UITENBOGAARD bleef niet in gebreke, zo ras bij zijnen misslag, en het daar uit ontslaane gerugt, hadt vernomen, door eenen brief zijne meening aan PLANCIUS rondborstig te verklaaren.
Naar gelange de hevigheid der geschillen toenam, begon UITENBOGAARD meer en meer een voorwerp te worden van de opspraak en den haat der zodanigen, die den naam wilden hebben van voorstanders te zijn der rechtzinnige leerbegrippen. Reeds in den Jaare 1614 wierdt hem, nevens den Advokaat VAN OLDENBARNRVELD, de scheldnaam van Pensionarissen van Spanje na het hoofd geworpen, en hun naagegeeven dat zij Spaansch geld uitdeelden, ten nadeele van het Vaderland. Met dit alles hielden veelen der Haagsche Gemeente zich onzijdig, en hoorden vlijtig zijne Leerredenen. Het gedrag van den Haagschen Leeraar HENRICUS ROSAEUS deedt de zaak eenen anderen keer neemen. Deeze, weleer een gemeenzaam vriend van UITENBOGAARD, vermijdde eerst zijnen dagelijkschen omgang, bleef vervolgens uit zijne predikatien, en eindigde met openlijk van den predikstoel tegen hem uit te vaaren, als eenen zoeker en drijver van nieuwigheden. ’t Gevolg was, dat veelen, die ’t met hem hielden, UITENBOGAARD niet meer kwamen hooren, en zich van ’t Avondmaal onthielden. Met geduld, en uit vreeze voor scheuring, zweeg UITENBOGAARD van geschillen op dan predikstoel of, indien hij dezelve aanraakte, geschiedde het zonder wederlegging van anders denkenden.
Maar toen nu ROSAEUS, met eene klaarblijkelijke aanduiding, onder andere, van UITENBOGAARD, telkens sprak van valsche Leeraars, van Verleiders, Vossen en Wolven, die onder hen waren, die geenen God hadden; die men vlieden moest, met wien men geene gemeenschap moet houden, die men niet in huis mogt ontvangen, noch groeten, door geen deel te hebben aan hun kwaad; nu oordeelde UITENBOGAARD niet langer te mogen zwijgen, maar verpligt te zijn, zijne gevoelens openlijk te belijden, te verklaaren en te verdeedigen. Van de Leerrede die daar op volgde, als mede van den afloop deezes geschils, hebben wij reeds verslag gedaan, op het Art. ROSAEUS, in het Vierëntwinigste Deel onzes Woordenboeks; werwaarts wij den Leezer wijzen.
Hoedanig, intusschen, Prins MAURITS, ten deezen tijde, omtrent UITENBOGAARD gezind ware, blijkt uit een gesprek, in de maand Februarij des Jaars 1616, gehouden. UITENBOGAARD, met zijne Doorluchtigheid spreekende over Kerkelijke geschillen, en verzogt hebbende te mogen gehoord worden tegen de geenen, die hem uitmaakten voor den stigter der oneenigheden, die den Godsdienst zogt te veranderen; met aanbieding van zijnen dienst te willen verlaaten, gaf MAURITS hem tot antwoord Dat hij dat betigten hieldt voor kwaadspreeken; dat het niet te doen was met stil te staan, of iemant uit den dienst te stooten, maar dat men de zaak moest bijleggen, en daar toe middelen beraamen. De andere daar op hervat hebbende, geen ander middel te weeten, dan scheiding bij openbaar gezag, of eenigheid door onderlinge verdraagzaamheid, en dat hij het laatste voor het beste hieldt, erkende de Prins, dat zulks het beste middel was, maar begreep tevens, dat elke partij eene eigen Kerk moest hebben, om aldaar te prediken, en het Avondmaal te houden.
Te merkwaardig is het vervolg deezes gespreks, dan dat wij het niet zouden verhaalen. Op het zeggen van den Prinse merkte UITENBOGAARD aan, dat zulks eene volkomene scheuring zijn zoude, aan veel ongemaks onderworpen; dat ook de Contraremonstranten, in de Steden, alwaar zij meester waren, daar toe niet verstaan zouden, om den Remonstranten geen voordeel in te ruimen. Zijne Doorluchtigheid daar op, met eenig misnoegen, geantwoord hebbende, dat men te Rotterdam een Predikant hadt afgezet, om dat hij naar 't gevoelen der Contraremonstranten hadt geleerd; hernam de andere, dat men te Amsterdam een Predikant hadt afgezet, om dat hij naar ’t gevoelen der Remonstranten hadt geleerd, en om die zelfde reden eenen Krankbezoeker van zijn ampt hadt verlaten; als mede, dat die van Rotterdam zeiden, dien Predikant niet om den Godsdienst te hebben afgezet.
De Prins daar op hernomen hebben, men konde haast een dekmantel vinden, voegde ’er nevens „ Dat de Resolutien der Heeren Staaten, aangaande de Verdraagzaamheid, en de Kerkenorde van den jaare 1591, t’ ontijde waren uitgehouden, en dat die te willen doen agtervolgen; eene soort van Inquisitie was; dewijl de Predikanten hielden dat ze gesteld waren door hunne partijen, en dat hij wel wist dat ze niet, zouden gehoorzaamen; dat ook eenigen van de Staaten te hevig waren, en de zwaarigheid niet wilden wegneemen.”
UITENBOGAARD merkte daar op aan, dat, zijns oordeels, met de Staaten, maar veel eer zommige Predikanten Inquisitie zogten in te voeren, wanneer ze hunne medebroeders, met nieuwe Akten, op eigen gezag en buiten kennis der hooge Overheden gesmeed, wilden verbinden, of, bij weigering, het prediken verbieden; ook wanneer zij als noodzaakiijke leeringen wilden aangenomen en geleerd hebben, dingen, die met noodzakelijk waren; dat ook de Resolutien niet gemaakt waren door partijen, maar door de Heeren Staaten zelve, die voor gemeene Vaders moesten worden gehouden. Voorts maakte de Prins gewag van het houden van eene nieuwe Conferentie of bijeenkomst van eenige Predikanten, zeggende dat men da zaaken niet behoorde te richten bij authoriteit of gezag, maar bij accomodatie of minnelijke schikking.
Thans beriep zich UITENBOGAARD op de Conferentie van Delft, die hem den lust om zich in zodanig eene Vergadering te laaten vinden, hadt doen vergaan; voegende ’er, egter, nevens, indien de Heeren Staaten en zijne Doorluchtigheid goed vonden, dat men wederom bij een kwam, zijn pligt dan zijn zoude te gehoorzamen. Wijders viel het gesprek op UITENBOGAARD gevoelen en leere aangaande Gods Voorzienigheid omtrent het kwaade, even als of hij Gode de regeering van meer dan de helft der waereld onttrok, te weeten, van het kwaade, welk meest in de waereld geschiedde. De andere hernam hier op, tot ’s Prinsen onderrigting, dat hij leerde, dat God alles regeerde wat in de waereld geschiedde, goed en kwaad; doch dat ’er zeer groot onderscheid was tusschen ’t kwaad, welk ’er geschiedde, te regeeren, en tusschen ’t zelve te doen, of te veroorzaaken; dat God het kwaad der zonde niet veroorzaakt, maar regeerde, verboodt en strafte.
Toen de Prins hier geen genoegen in scheen te neemen, vraagde UITENBOGAARD, of zijne Doorluchtigheid, zijnde Graaf van Meurs, al het kwaad, ‘t welk in dat Graafschap door booswigten wierdt verrigt, zelve deedt of deedt doen. De Prins dat met Neen beantwoord hebbende, vervolgde de andere, dat het zo was, en dat evenwel zijne Doorluchtigheid het kwaad, ‘t welk aldaar geschiedde, regeerde, naardien hij het verboodt door wetten, en tuchtigde door straffen. En hier mede nam dit gesprek een einde.
Intusschen begon de toestand der zaaken sleeds van kwaad tot erger over te slaan. De gemoederen wierden meer en meer van elkander verwijderd. UITENBOGAARD deelde in den haat, met welken de Remonstranten belaaden waren. Hier uit begreep hij, dat hij zijnen dienst in 's Hage, voortaan, niet meer in gerustheid en vrede, maar in twist en scheuring zou moeten waarneemen, ten ware hij de leere en het gedrag der Contraremonstranten wilde goedkeuren, en zich zelven een ondraaglijk juk op den halze laaden. Des verzogt hij aan de Snaten van Holland, om van zijnen dienst in de Nederduitsche en Fransche Gemeente in ‘s Hage te mogen ontslagen worden, met behoorlijk schriftelijk getuigenis van zijne voorgaande diensten. En dewijl hij van begrip was, niet ligt in eenige Gereformeerde Gemeente, hier te lande, te zullen beroepen worden, van wegen den haat, dien men hem toedroeg, verzogt hij met een, dat hem een eerlijk onderhoud, voor zijne langduurige, getrouwe, moeilijke, ook, ten aanzien van het Leger en anderzins, gevaarlijke en bezwaarlijke diensten, zijn leeven lang moge worden toegeleid. Doch op dit verzoek kwam, naa lang wagten, geen ander antwoord, dan dat, eerlang, twee Heeren uit de Vergadering bij hem kwamen, hem verzoekende om te blijven, en tevens goeden moed op vreedzaamer dagen geevende.
Om de gemoederen tot bedaaren te brengen, en de redenloosheld en onschriftmaatigheid van veele Godgeleerde twisten aan den dag te leggen, vertaalde UITENBOGAARD uit het Latijn zekere Voorrede van den vredelievenden Godgeleerde MARINUS BUCERUS, in den Jaare 1730 aan het Hoogeschool van Marpurg geschreven, en geplaatst voor zijne Uitlegging over de vier Evangelien. UITENBOGAARD gaf dit Vredeschrift in ’t licht, onder den titel van Gulden Brief met eene Opdragt aan de Haagsche Wethouderschap.
Tot nog toe waren UITENBOGAARD alle de wederwaardigheden, die hem bejegenden, wedervaaren van de zijde der Nederduitsche Gereformeerden. Voor zo veel hij, in ’s Hage, ook in de Fransche taale predikte, was hij Lid van het Walsche Sijnode, en hadt bij hetzelve altoos in groote agting gestaan. ’t Was in den Jaare 1616, dat de zaaken, ook ten dien opzigte, voor hem een onaangenaamen keer begonnen te neemen. UITENBOGAARD hadt, eenigen tijd geleeden, tegen de driftige ijveraars gesteld eene Verdeediging van de Resolutie der Staaten van Holland, raakende de Verdraagzaamheid en den Vrede der Kerke. In een Sijnode, in het gemelde jaar te Amsterdam gehouden, hadt men hem, uit dat Geschrift, hoewel met beleeftheid en bescheidenheid eenige plaatzen voorgehouden, met aanwijzing van ’t geen zommige Kerken daar tegen inbragten, even als of hij op de zwaare gevolgen, welke hij uit het gevoelen der andersdenkenden afleidde, met te groote scherpheid drong.
Het antwoord, welk UITENBOGAARD daar op gaf, was zo voldoende voor de Leden, dat men hem alleenlijk verzogt, indien ’er nog iets viel te schrijven over de geschilstukken, hij mogt de zaak met alle mogelijke zagtheid en bescheidenheid behandelen; wordende hij voorts verzogt, dat hij, ’t geen in deeze zaak was gehandeld, ten goede wilde neemen. In het Walsche Sijnode, in de maand April des Jaars 1617 te Leiden gehouden, wierdt de zaak, in UITENBOGAARDS afweezigheid, wederom op het tapijt gebragt. Hij daar van berigt ontvangen hebbende in 's Hage, zondt eenen brief aan de Kerkvergadering, in welken hij aan dezelve nadere voldoening zogt te geeven. Zommige Leden rekenden de zaak hier mede voor afgedaan doch anderen stemden voor eene bezending aan een Briefschrijver, ten einde om, aangaande eenige zaaken, nadere opheldering te bekoomen. ’t Geschiedde. Doch UITENBOGAARD weigerde met de afgevaardigden te handelen, buiten de tegenwoordigheid van Ouderlingen der Nederduische Gemeente voor reden geevende, dat vermits hij zijn Boek, de Verdeediging, als Nederduitsch Predikant en in het Nederduitsch hadt in ’t licht gegeeven, het uit dien hoofde billijk was, dat die Gemeente ten vollen onderrigt wierdt van ’t geen des aangaande met hem zou gehandeld worden. Om evenwel aan het Sijnode alle mogelijke voldoening te geeven, zondt hij aan hetzelve nog eene nadere onderrigting. Doch dit alles mogt niet baaten, ter wegneeminge der vermoedens, door zommigen tegen hem opgevat.
Geene geringe aanleiding, tot de onbuigzaamheid van het Sijnode, zal, veelligt, gegeeven hebben, het gedrag van Prinse MAURITS, omtrent deezen tijd gehouden. De Prins, zich aan de zijde der Contraremonstranten gevoegd hebbende, hadt aan het Walsche Sijnode geschreeven, met verzoek, om een Contraremonstrantschen Predikant van de Fransche taale te brengen in ’s Graavenhage, ten dienste van de zulken, die de gewoone Kerkendienaars, niet begeerden te hooren. Niet weinig viel hier over te doen. De Kerkenraad der Walsche Gemeente in ’s Hage daar van kennis gekreegen hebbende, verklaarde zich UITENBOGAARD, nevens zijnen Ambtgenoot LA FAYE, daar tegen, ronduit verklarende, niet te kunnen toestaan dat ’er een Predikant wierdt beroepen, die met hun geene broederschap noch het avondmaal zou willen houden; en in gevalle men het tegendeel goedvondt, verzogten zij hun afscheid. Het zelfde verklaarden zij naderhand in de Vergadering van Gekommiteerde Raaden; die hunne redenen goedkeurden: zo dat, voor ditmaal, de Prins in zijn oogmerk wierdt verijdeld.
Omtrent deezen tijd wierdt veel gesproken en gehandeld over het houden van een Nationaal Sijnode. UITENBOGAARD, hoewel geen vriend of voorstander van soortgelijke Kerkvergaderingen, verschilde, egter, ten dien opzigte van de Remonstramen en Remonstrantsgezinden, dat hij, meermaalen, op het houden van zulk een Sijnode, met veel ernst aandrong en, gelijk hij zich verbeeldde, om zeer voldoende redenen, en die, inderdaad, een doorslaand bewijs van zijn diep vooruitzigt uitleverden. In de maand April des Jaars 1617 met ’s Lands Advokaat OLDEBARNEVELD in gesprek zijnde, badt hij denzelven, de zaaken te willen beleiden tot een Sijnode, op hoedanig eene wijze men het ook zoude begeeren. Daar de Advokaat hem op te gemoet voerde: Wilt gij 's Lands geregtigheid weggeeven; ik wil ’t niet doen.
Toen voerde UITENBOGAARD den anderen te gemoet, dat de Contraremonstranten, en de zulken, die hen droegen, het Sijnode zouden doordrijven, al ware ‘t ten koste eener veranderinge der geheele Regeermge, daar de volkomene verdrukking der Remonstranten aan vast zoude weezen: terwijl zij, indien de tegenwoordige Regeeringe in weezen bleef, aan dezelve nog eenigen voorstand zouden vinden, al wierden ze door de Kerkelijken veroordeeld. Met dat zelfde oogmerk gaf UITENBOGAARD, met grooten ernst, den raad aan de Remonstranten, dat ze blootelijk om een Sijnode zouden verzoeken.
Vrugtloos waren alle deeze redenen. De doorzigtige Kerkleeraar, ziende de zwaarheden telkens toeneemen, en de onheilen, die hem dreigden, herhaalde, in maand Maart des Jaars 1618, zijn voormaals gedaan verzoek aan den Haagschen Kerkenraad, om van zijnen dienst te mogent ontslagen worden. Doch de Kerkenraad, hoewel zijn verzoek niet geheel van de hand wijzende, begeerde, nogthans, op hem, dat hij zijn afscheid nog eenigen tijd wilde uitstellen. Daarenboven, voor zo veel Prins MAURITS niet meer bij UITENBOGAARD ter preeke verscheen, en de spraak ging dat zijne Doorluchtigheid een Contraremonstrantsch’ Leeraar in zijn Hof wilde laaten prediken, nam hij ook in overleg om zijn ontslag van den Franschen Kerkdienst te verzoeken. Doch wanneer hij dit oogmerk te kennen gaf aan LOUISE DE COLIGNY, Prinsesse Weduwe van WILLEM DEN I, die hem zeer groote genegenheid toedroeg, voerde hem daar op de Prinses te gemoet „ Dat zij wilde dat hij in de Fransche Kerk zoude blijven, al ware het dat zijne Doorluchtigheid (Prins MAURITS) in derzelver huis deedt prediken; en dat haar Zoon (Prins FREDRiK HENRIK) hadt gezegd, dat indien UITENBOGAARD de Fransche Kerk verliet, hij hem volgen zoude in de Duitsche; dat hij zich niet wilde binden aan de Fransche Kerk, maar ook zomwijlen gaan in de Duitsche.”
De Prinses voegde ’er nevens, dat zij on haar Zoon UITENBOGAARD in haar huis en bescherming wilden neemen. In een gesprek, niet lang te vooren, tusschen UITENBOGAARD en OLDENBARNEVELD, hadt deeze hem te verstaan gegeeven, dat hij nu wel besluiten zoude tot een Sijnode op den ouden voet. Daar de andere op antwoordde: „ Ach of gij dat voor jaar en dag hadt kunnen goedvinden, toen ik daar meer dan eens toe vermaande! ’t Is nu te laat. Toen sloeg gij ’t af. Nu zoeke ik mijn afscheid om te vertrekken.” De Advokaat daar op: Indien gij gaat, zeide hij, allen welmeenenden, zo Politijken als Kerklijken, zal 't hart ontzinken, dan zal 't met de Kerk en den Staat gedaan zijn. Op een anderen tijd wederom in gesprek zijnde, Hebt gij, vraagde de Advokaat, mij niets te zeggen aangaande het Sijnode?
Daar UITENBOGAARD op antwoordde: „ Ik heb ‘t voor deezen al gezegd: nu is ’t te laat. Alles is te zeer verloopen. Ik blijve bij de vijf Artikelen, en bij de Revisie, en dat men alles in zijn geheel stelle; als mede dat men te vooren aan onze zijde geene nadere verklaaring doe, al zou men den dienst moeten verlaaten.” Op de Vraag des Advokaats, „ Of de Remonstranten niet zouden kunnen stellen eene Confessie of Geloofsbelijdenis, op aller naam.", was ’t antwoord: Neen: ik weet daar geenen raad mee toe. Daar zijn Confessien genoeg, niet dan te veel. Als de Advokaat daar op hernam, Zij zullen u veroordeelen als wederhoorigen; „ Laat ze dat doen ”, was ’t antwoord van UITENBOGAARD, „ wij zijn hun gezelschap moede. De Heeren zullen ten minste te weeg brengen, dat we n ’t vaderland mogen woonen, en deszelfs vrijheid genieten, gelijk de Lutherschen, en anderen. Hoe ’t ook gaa”, dus vervolgde hij, „ ’t is beter dat wij alles lijden, dan dat wij oorzaak zouden geeven tot bloedstorting, of burgerkrijg."
Een bewijs van de gemeenzaamheid, tusschen ’s Lands Advokaat en UITENBOGAARD, vertoonen deeze gesprekken. Wij mogen hier niet verzwijgen de laatste zamenkomst. Deeze viel voor op den negenentwintigsten Augustus des Jaars 1618, dag, op welken de Heer VAN OLDENBARNEVELD wierdt gevangen genomen. UITENBOGAARD des morgens ten zeven uure bij den Advokaat koomende, in deszelfs Schrijfvertrek, met oogmerk om zekere Remonstrantie, het Sijnode betreffende, om te dienen voor de Sijnode, in te leveren, vondt hem niet, naar gewoonte, bezig met schrijven, maar ledig zitten op eenen stoel, met den rug na den tafel gewend, en met een zeer treurig gelaat. Dit bewoog hem, den Advokaat, met weinige woorden, te vermaanen tot standvastigheid, biddende hem, zich te vertroosten en te versterken met de voorbeelden van zo veele treflijke mannen van alle tijden, die hun Vaderland de treffelijkste diensten hebbende gedaan, allerkwalijkst waren beloond. Dit gezegd hebbende, gaf hij OLDENBARNEVELD de hand, voor de laatde maal, hem in de hand des Almagtigen beveelende. Onder dit gesprek, gelijk hij elders verhaalt, gevoelde hij zulk eene ongewoone inwendige beweeging, als of zijn gemoed hem eenig aanstaand groot onheil hadt voorspeld.
In den zelfden avond verliet UITENBOGAARD ’S Graavenhage, op het aanhouden zijner vrienden. Naa een kort verblijf in ’t Land, begaf hij zich na Antwerpen, naa alvoorens schriftlijk verlof te hebben bekoomen van den Kerkenraad, bij ’t welk hem wierdt vergund, dat hij in zijnen dienst zou mogen stilstaan, om eenige bijzondere zaaken te verrigten, tot den tijd toe, als bij den Kerkenraad anders zou worden goedgevonden. Zedert wierdt hij geheel van den dienst ontslagen; onder beding, dat bijaldien de Gemeente hem vervolgens mogt beroepen, hij zou gehouden zijn, den dienst wederom te aanvaarden. Men voegde bij dit ontslag eene dankbetuiging voor zijnen goeden, oprechten en getrouwe, dienst, meer dan achtentwintig jaaren aan de Gemeente beweezen; met verklaaring, dat hij zich, zo in de Leere, overeenkomstig des Heeren Woord, als in zijn leeven, altijd oprecht, eerlijk en vroom hadt gedraagen.
In een Vertoog, den Algemeene Staaten toegezonden, verklaarde UITENBOGAARD, als eene verdeediging van zijn vertrek, „ dat het nu met hem zo verre was gekoomen, dat hij, in de tegenwoordige gesteltenis van zaaken en tijden, in den Hage niet gaan noch staan, noch spreeken noch zwijgen, noch iets ter waereld bedrijven konde, dat niet zoude worden misduid, verdraaid, gelasterd, en ten kwaadsten overgedraagen, om daar uit nieuwe ooorzaak van bezwaarnisse tegen hem te smeeden.” Naa zijn vertrek wierdt hij, van goeder hand, zelf van wegen de Prinsesse Weduwe van Oranje, en van wegen haaren Zoone, Prinse FREDRIK HENRIK, gewaarschuwd, dat hij met wederom in ’t Land moest koomen, al ware ’t dat hem Vrijgeleide wierdt aangehouden.
En, inderdaad, zeer hevig was het misnoegen, welk vooral de thans ijvervolle Geestlijken tegen UITENBOGAARD hadden opgevat. Het gedrag van het Zuidhollandsche Sijnode kan daar van, onder andere, ten bewijze dienen. Op den negenëntwintigsten October, en dus twee maanden naa zijn vertrek uit 's Hage, schreef de Kerkvergadering een briefje, waar bij hij, tegen den vierden November, voor het Sijnode wierdt ombooden, om aldaar te hooren, ’t geen hetzelve hem hadt voor te stellen. De Huisvrouw van UITENBOGAARD, die zich nog in ‘s Hage onthieldt, en aan welke op den dertigsten het briefje wierdt ter hand gesteld, gaf tot antwoord, dat zij het haaren Man zou doen toekoomen, doch dat hij te verre van de hand was, om op den bepaalden dag te kunnen verschijnen.
Dit niettegenstaande, en zonder verdere dagvaarding, nam het Sijnode, ten gestelden dage, de zaak van UITENBOGAARD bij de hand, en velde, op staanden voet, een vonnis, van woord tot woord van den volgenden inhoud; „ Alsoo JOHANNES UITENBOGAARD, Predikant in den Hage, verschreven synde om te compareren op de Sijnode van Suidthollandt, vergadert tot Delft, niet is versheenen, en de vergadering bevindt hem op verscheide manieren onbehoorlyk te hebben gedraegen, soo met sich te stellen als het principaalste hoofdt, directeur of beleider van alle de Kerkelijke swaerigheden, die onstaen syn, soo uit de van hem eerst overgegevene Remonstrantie, als van hem geprocureerde substractie der Kerkelijke persoonen uit de gewoonlijke Kerkelijke Censuren, als ook met verscheide
lasterlijke schriften uit te geven tot merkelijke blaeme, niet alleen van veele voortreffelyke Leeraeren der Kerken, maer ook tot lasteringe van de waere Religie selve strekkende: overwegende daerenboven, dat hy trouwlooslyk syne Kerke heeft verlaeten, onder deksel dat hem acte van absentie voor een tydt lang van syn Kerkenraedt soude vergunt wesen, en als nog fugityf is, heeft de Synode den gemelden UITENBOGAERDT gedeporteert, gelyk sy hem deporteert by delen van alle Kerkelyke diensten, tot dat hy de Synode, of haeren gedeputeerden sal hebben gedaen volkomen contement of satisfactie: gelyk hy ook sich soo lange sal onthouden van den heiligen Avondtmaele.”
Zo ras UITENBOGAARD van dit Vonnis kennis hadt gekreegen, stelde hij daar tegen eene breede Verantwoording; gelijk ook eene Verdeediging van zijn gedrag, briefswijze aan Prinse MAURITS ingerigt. Doch hij vondt daar bij geene baate, even min als bij een Vertoog, omtrent dien zelfden tijd, even als de gemelde Schriften, uit Antwerpen den Algemeene Staaten toegezonden.
Terwijl UITENBOGAARD zich te Antwerpen onthieldt, verloor hij de zaak zijner broederen Remonstranten, die voor het Dordrechtsche Sijnode gedagvaard, en met hetzelve in onderhandeilng waren, niet uit het oog. Van tijd tot tijd zondt hij brieven aan dezelve, deels om hen tot standvastigheid en kloekmoedigheid aan te spooren, deels om hun van goeden raad te dienen. In ’t bijzonder liet hij een uitvoerigen brief afgaan, ter gelegenheid van den eischen aan de gedaagde Remonstrantsche Predikanten, omtrent het teekenen van eene Acte van Stilstand, als eene voorwaarde om in het Land te mogen blijven. Met veel ernst zogt hij hen daar in van het aangaan van zulk eene verbintenisse te rug te houden.
Omtrent den eisch zelven: „ Wy verwonderen ons meest ”, dus schreef hij, onder andere, „ hoe de Heeren uwe E. E. soo schandelyke propositie hebben durven doen, en sich niet ontsien hebben sich soo bloot te geven, en hunne schaemt t’ ontdekken. Wie en siet niet waer onse partyen, die de Heeren opmaeken, heen willen, en wat men soekt? naemelyk in ’t Kerkelyk en in ’t polityk den luiden een bal in de mondt te steeken, en alsoo gelyk als nae ’t vier te leiden, op dat haere ongerechtigheit niet aen den dagh en kome, wel weetende, hoe ruineus hun dat soude syn. Nu (dus gaat hij voort) wat het kutsen aengaet, wy laeten hun ’t gelove gaerne houden om daer op soo gemakkelyk te sitten, als sy mogen, tot dat iemant anders koome, die het hun van onder wegh nemen, gelyk sy het anderen wegh gerukt hebben, maer soo veel aengaet het Kerkelyke, men magh nogh en kan hun daer immers in diervoegen soo sy daer inne gaene, niet te wille wesen. Siet men niet ” (dus vervolgt UITENBOGAARD),, dat de vroome Heer OLDEBARNEVELT, om die saek voornamentlyk, die men nu op hoope sommiger flauhertigheit gaerne t’ eenemael gedempt saege, naemlyk om de saeke van religie (want hier op schijnt alles te draeijen) syn bloedt heeft moeten storten? Siet men niet, dat alle d’ andere vroome Heeren, en wy meede, voor onse posten, daerom in ’t lyden syn ? Sullen wy Kerkelyke nu selve te voren geven, ’t geen daerom de vroome polityke hebben moeten lyden? Wat sal men seggen van ons, is ’t saeke dat wy om wat gagie, of om in ’t landt te blyven, sitten by den haert, op ons gemak, belooven te swygen, ’t geen ons Godt en de wettige Overheit belast heeft te spreeken? Non possumos, quae vidimuts et audivimus, non loqui.“
In zeker schrift, omtrent dien zelfden tijd gesteld, waar in UITENBOGAARD de onschuld van zijnen vriend den onthoofden Advokaat VAN OLDESBARNEVELD tragt te betoogen, berst bij uit in deeze woorden: „ O ondankbaer Hollandt, hoe hebt gij konnen toelaeten (want ik beken ’t, dat gij ’t niet hebt gedaen) dat men dien man door beuls handen heeft doen sterven, en overroepen, dat hy ’t Landt hadt wiiien beroeren, jae verraeden? Hoe sult gy desen vlek immer meer afwasschen? Al syt gy waterryk, hier sal u nochtans water ontbreeken, en uwe kinderen sullen mogeljk dese uwe domme ondankbaerheit bekoopen en beweenen, soo de Heere niet merkelyk voor u waekt.”
Terwijl UITENBOGAARD zich in Brabant onthieldt, deedt men veele moeite om hem in handen te krijgen. In ‘t laatst
van Februarij, of in ’t begin van Maart des Jaars 1619, zag men eenige hoopen Ruiters van Bergen op de Zoom, ieder zeven in getal, aan verscheiden kanten rondom de stad Antwerpen zwerven. Op zekeren dag kwamen ten huize, alwaar UITENBOGAARD zich onthielde, twee Ruiters, gelaarsd en gespoord, vragende na eenen man in de buurt, zijnde een bitter Contraremonstrant, alwaar zij ingingen. UITENBOGAARD, hier uit besluitende dat men hem zogt, nam een ander verblijf, om te veiliger te schuilen. Niet lang daar naa, als iemant Prinse MAURITS hadt aangediend, dat UITENBOGAARD in 's Hage in zijn huis was, deedt men, in den nacht, tusschen den zestienden en zeventienden Maart, omtrent middernacht, zijn huis, staande op den Singel van ’t Hof, door den Geweldigen en een deel Soldaten, van vooren en van agteren bezetten. Men beklom het huis van agteren met ladders, aan de tuinzijde, terwijl men met hamers de voordeur beukte, om dat dezelve niet spoedig genoeg geopend weirdt.
Binnen zijnde, zogt men overal, en stak net rappieren onder de bedsteden, in ’t stroo, en in de turf. Toen men hem niet vondt, ging het op een raazen en tieren; men dreigde de doodlijk verschrikte huisvrouwe met gevangenisse, indien zij haaren Man niet aanwees. Thans ging men elders huiszoeking doen, laatende, intusschen, drie persoonen in zijn huis, alzo men verspreidde, dat ’er geheime schuilplaatzen in zijn huis waren. Doch de Metzelaar, voor de Heeren geroepen, en daar over ondervraagd zijnde, verklaarde daar van niets te weeten. Men verhaalt, dat Prins MAURITS, zeer t’ onvreden zijnde op de geenen, die hun dus kwalijk onderrigt hadden, zou gezegd hebben: Nu krijge ik den Vogel mijn leven niet. Hij zal ons 't spel maaken. Kort daar op wierdt UITENBOGAARD driemalen ingedaagd, en alzo hij met verscheen, op den vierëntwintigsten Maij des Jaars 1619, het Vonnis van ballingschap ten eeuwigen dage uitgesproken, met verbeurdverklaring van alle zijne goederen. In het Vonnis wierdt geene misdaad gemeld; de Regters, zo als de Fiskaal SYLLA naderhand verhaalde, hadden met voorbedachtheid zulks nagelaaten, om dat zij met geene Blaauwboekjes (of Verantwoordingen) gediend waren.
Zo ras UITENBOGAARD van dit Vonnis de tijding hadt ontvangen, nam hij in beraad, om elders eene verblijfplaats te zoeken. Zijne keuze viel op Staden, van ouds eene vrije Rijksstad, in het Hertogdom Bremen. De Heer MARTINUS VAN DER MEDE, Burgemeester dier Stad, hadt hem hoop gegeeven, aldaar eenige vrijheid voor de Remonstranten te zullen verwerven. Maar toen UITENBOGAARD Vrijgeleide voor zijn persoon liet verzoeken, wierde daar in zwaarigheid gemaakt bij den Raad. Eenige leden daar van was door de Luthersche Geestlijkheid in ’t oor geblaazen, hoe het te vreezen stondt, dat UITENBOGAARD, door zijne komst, ook de Kerk aldaar zoude beroeren. Daarenboven was ’er, ten deezen tijde, eene zo naauwe verbintenis tusschen de Staaten der Vereenigde Nederlanden en de Stadingers, dat zich UITENBOGAARD niet veel veiligheids beloofde, indien de gemelde Staaten mogten goedvinden, hem op te eischen.
In de maand Junij des zelfden jaars 1619 kwam Prins FREDERIK HENRIK te Antwerpen, op deszelfs reize na Frankrijk. UITENBOGAARD zich bij den Prins om gehoor vervoegd hebbende, wierdt gunstig en zeer vriendelijk ontvangen. Zijne aanspraak diende, om zijne onschuld te betoogen, en hoe zeer men Prins MAURITS, ten zijnen opzigte, hadt misleid. UITENBOGAARD voegde ’er nevens, dat, ondanks het ongelijk, hem aangedaan, hij altoos zou blijven een getrouw liefhebber van het Vaderland, en een getrouw dienaar van beide hunne Doorluchtigheden. In zijn antwoord liet de Prins, onder andere, zich in deezen zin hooren: „ Ik ben uw Vriend, en zal u in ‘t wederkeeren nader spreeken, niet twijfelende aan uwe opregtheid. Gij moet” (voegde ’er de Prins nevens) „ de boosheid der tijden wat toegeeven, en nu de les van geduld, die gij mij en anderen geleerd hebt, zelve oeffenen.” Dit gesprek viel voor tegen den middag, zo als de Prins gereed Rondt om zich aan tafel te zetten. Hij nodigde UITENBOGAARD aan denzelven doch deeze bedankte ootmoediglijk voor die eere, zeggende dat zulks ongeraaden was, wenschte hem eene gelukkige reize, kuste hem de handen, en nam, afscheid. Vermits deeze zamenkomst voorviel, in eene Kamer van eenen Herberg aan de Straat, en met opgeschoovene Raamen, en aldus van veel volk gezien wierdt, hoe gemeenzaam de Prins UITENBOGAARD behandelde, gaf hem zulks geen klein aanzien bij de burgers van Antwerpen.
Min gunstig was de ontmoeting, welke hem, kort daar naa, van wegen Prinse MAURITS bejegende. Van goeier hand wierdt hem berigt, dat men, van nieuws, eenen toeleg hadt gemaakt, om zich van zijnen persoon te verzekeren, en dat men Prins MAURITS hadt hooren zeggen, dat UITENBOGAARD het Land te Brussel verreidt, en van binnen ’t vuur stookte. Grond tot deeze aantijging hadt gegeeven, eene reize van UITENBOGAARD na Brussel, met oogmerk om de Aardshertogen aldaar verslag te doen van het onregt, welk den Remonstranten te Artwetpen wierdt aangedaan. Men hadt, naamelijk, ten Hove aangebragt, dat in de laatstnemelde Stad tien of twaalf van hunne Predikanten heimelijke vergaderingen hielden, en predikten.
Hier op ontving de Bisschop van Antwerpen aanschrijven, om UITENBOGAARD, nevens de overrigen, binnen drie weeken de Stad te doen verlaaten. UITENBOGAARD, deeze aanzegging ontvangen hebbende, verzekerde dat de Remonstranten aldaar niet hadden gepredikt, en oragt met vee e moeite te wege, dat men ’er hen nog verder duldde. Ondanks deeze verzekerng, wierdt, kort daar op, UITENBOGAARD, door den Vicartus of Stedehouder des Bisschops, eene Akte voorgeleid, begeerende, dat hij, uit naam van alle de Remonstrantsche Predikanten, die toen te Antwerpen waren, dezelve zou reekenen, en daar bij belooven, niet te zullen prediken, of in eenige maniere eenige godsdiemtoeffening verrigten. Doch UITENBOGAARD weigerde zulks beleefdelijk, met te zeggen, dat hij liever op staanden voet wilde verterekken, dan zulk eene Akte teekenen. Hij bekleedde die weigering met verscheiden redenen, onder andere deeze, dat daar de Remonstranten het reekenen van zulk eene Akte, in hun Vaderland, door hunne Overheid hun voorgeleid, hadden geweigerd, het daarom zeer opspraaklijk zijn zoude, indien zij iets in Brabant deeden, ’t geen zij in Holland hadden geweigerd. Hij voegde ’er nevens, dat de Remonstranten wel wisten, waar zij waren, en welke Plakaaten aldaar plaats hadden. Indien zij daar tegen misdeden, men megt hen deswegen straffen.
In de maand Maij des Jasrs 1620 ontving UITENBOGAARD eene boodschap van PIETER PEKKIUS, Kanselier van Brabant, waar bij hij op het Huis Cantecroy, buiten Antwerpen, ontbooden wiedt. In zijne aanspraak erkende de Kanselier, dat de Katholijken, eertijds, zich te hard en onbuigzaam omtrent de Protestanten hadden betoond, en voegde ’er nevens, dat vermits men de zaaken nu anders begon in te zien, hunne Hoogheden de Aartshertogen daar toe zouden kunnen gebragt werden, dat zij in de Steden, welke zij vervolgens op de Algemeene Stsaten der Verenigde Gewesten zouden mogen bemagtigen, aan de Remonstranten vrijheid van Godsdienst zouden vergunnen, om reden, zeide hij, dat de Remonstanten gematigder zijn, en in eenige punten de Katholijken nader koomen.
Ook gaf hij van verre iets te verstaan, omtrent het stuk der hestellinge van de Wethouderschap in die Steden. UITENBOGAARD, wel bemerkende, hoe duister dit voorstel ook geopperd wierd, wat daar mede beoogd wierdt, betuigde zijn genoegen over het goedvinden der Aartshertogen, om den Protestanten vrijheid van Godsdienst te vergunnen; doch verklaarde met een niet te begrijpen, hoe zulks konde geschieden buiten groot nadeel zijns Vaderland, „ aan ’t welk ik mij’’, was zijn zeggen, „ van God en de natuur ten uitersten verbonden houde, om deszelfs behoudenis en voordeel te zoeken, naar mijn beroep en vermogen. Dit ’s eene zaak (besloot hij) die te teder is om voor mij slegt, verdreeven en bedroefd man, daar veel van te spreeken.” Wijders zegt de Kanselier UITENBOGAARD te beweegen, dat dezelve zijn verblijf tr Brussel zou koomen neemen. Doch deeze antwoordde daar op, dat zijne gelegenheid van zaaken zulks niet gedoogde; en dat hij niets anders hadt tr verzoeken, dan dat hem en den zijnen een gerust verblijf te Antwerpen mogt worden toegestaan.
Hoewel UITENBOGAARD zich aldus van eene reize na Brussel hadt ontslagen, men vondt, nogthans, middel om hem derwaarts te lokken, onder voorgeeving van verboodene vergaderingen der Remonstranten te Antwerpen, en dat hij deswegen zich bij de Aardshertogen moest verantwoorden. Kort naa zijne komst, kwam hij, op den vijftienden Maij des Jaare 1620, met den Kanselier PEKKIUS andermaal in gesprek. De zaak der Remonstrantsche bijeenkomsten wierdt met weinige woorden afgedaan; en vraagde hem daar op de Kanselier na den oorsprong der Kerkelijke geschillen in Holland, na de gevoelens der Remonstranten, en hoedanig deeze in die geschillen zich gedraagen hadden.
UITENBOGAARD deswegen een kort verslag gedaan hebbende, wierdt het verder gesprek afgebroken door de komst des Hertogs VAN AARSCHOT. In ’t heengaan zeide hij nog, onder andere; „ Ik merke wel dat men ons hier duldt om politijke inzigten en redenen van Staat, op hoope dat wij eenige verandering in Holland zullen uitwerken. Maar die is van onze zijde niet te verwagten. Daarom vreeze ik, dat men, ziende dat met ons tot zulk een toeleg geen voordeel is te doen, ons zal doen vertrekken op een ongelegenen tijd. Wij zouden dat liever in tijds weeten, om ons daar tegen te wapenen.” ’s Anderen daags bij den Markgraaf VAN SPINOLA ontbooden zijnde, vraagde hem deeze, onder andere, na FREDERIK HENRIK, broeder van Prinse MAURITS, en of deeze van de hunnen (de Remonstranten) ware ? Waar op de andere hem antwoordde, zulks niet te kunnen zeggen, maar te gelooven dat zijne Doorluchtheid hem (UITENBOGAARD) in ’t bijzonder niet ongunstig was, en de Remonstranten wel zoude willen helpen, indien hij konde. „ Gij zegt wel”, hernam hier op de Markgraaf, „ indien hij konde'"; betuigende voorts eene bijzondere hoogagting voor Prins FREDERIK. Als daar op SPINOLA aai onzen balling hadt berigt, aan den Pensionaris CAVARELLES, van wegen hunne Hoogheden, last gegeeven te hebben om hem eene Jaarwedde toe te leggen, wees de andere zulks met eerbiedige en beleefde dankbetuiging van de hand, zeggende, een vast besluit te hebben genomen, geen Jaargeld aan te noemen. Daar de andere op zeide: Neen, neen, gij zijt het waardig: gij inoogt het niet weigeien) waar mede deeze zamenkomst wierdt afgebroken.
In de maand Augustus des zelfden jaars ontving UITENBOGAARD eene booschap van wegen den Markgraave DE QUEDA, Gezant van Spanje te Brussel, die hem wenschte te spreeken. Onder een en ander voorwendzel wist hij thans deeze reize te ontgaan. Doch op een tweede ombod, begaf UITENBOGAARD zich derwaarts. De Gezant hem bij zich in zijn Kabinet hebbende doen koomen, en hem bevelen om neder te zitten „ Ik heb u nergens anders om ontbonden ”, zeide hij, „ dan om u te zien, om dat ik veel goeds van u gehoord heb; ’t welk mij zeer deedt wenschen dat gij Katholijk waart; gij zoudt veele goede diensten kunnen doen. Ik heb u anders niet te zeggen, dan alleen dit.”
De Gezant thans zeer bezet zijnde met bezigheden, gaf hem UITENBOGAARD alleen het volgende tot antwoord: „ Het bevel van Uwe Excellentie, mij hier ontbiedende, heb ik willen gehoorzamen: daarom ben ik gekoomen. Ik bedank Uwe Excellentie ten hoogsten voor zijn genegen gemoed, en bidde ootmoediglijk niet kwalijk te willen nee men, dat ik mij genoodzaakt vindt Uwe Excellentie in gemoed te verklaaren, dat ik mijnen Godsdienst niet kan veranderen, noch uittrekken de liefde en pligt, die ik mijnen Vaderlande schuldig ben, hoewel ik van zommigen in hetzelve zeer kwalijk ben gehandeld, buiten mijne verdienste. Ik verzoeke anders met dan vrijheid van Godsdienst en Geweeten, onder die Regeering der Overheid, waar ik ook woone. Ik en alle mijne medebroeders zijn gezind, alle gehoorzaamheid, naar Gods wil, aan hunne Hoogheden te betoonen, zo lange als wij woonen onder hun gebied, zonder dat men immermeer eenige weerspannigheid, veel min factie of oproer, onzenthalve heeft te vreezen.” De Gezant, van wegen zijne bezetheid, thans geenen tijd hebbende, om zich tot een verder gesprek in te laaten, gaf met betuigingen van genegenheid aan UITENBOGAARD zijn afscheid, en de verklaaring van zijnen wensch, om, bij voegzaamer gelegenheid, uitvoeriger met hem te spreeken.
Naa zijne wederkomst te Antwerpen, ontving UITENBOGAARD een bezoek van den Pensionaris GAVARELLES, onder voorgeeven van hem te willen spreeken over zekere Rente, welke de huisvrouw van onzen balling in Brabant hadt, en die vóór het Bestand was verbeurd verklaard. Eene wijl tijds hier over gesproken hebbende, zogt hij UITENBOGAARD een tamelijk groot papier vol gouds, gelijk hij zag uit het ginsteren, naardien het papier boven los was, in de hand te stoppen. Maar hij zijne hand te rug trekkende, en gevraagd hebbende, Wat zijne Edelheid daar mede voor hadt: „ lk bid u ”, hernam daar op de Pensionaris,, neem dat aan, van wegen hunne Hoogheden. ‘t Is niets; ’t heeft niet te beduiden: dat weet ik wel. Zijne Hoogheid wil meer voor u doen; hij is van voorneemen, u hier te geeven ’t zelfde en nog meer Traktement jaarlijks, dan gij gehad hebt in ’s Graavenkage."
Op dat zeggen borst UITENBOGAARD UIT, met groote ontsteltenis, in deeze woorden:,, Mijn Heer GAVARELLES, ik dank zijne Hoogheid voor zijne goede gunst en ben zijn ootmoedige dienaar. Neem niet kwalijk ’t geen ik zegge. Houd niet dat het koomt uit trotsheid; mijne zaaken staan ’er niet na om trots te zijn. Ik weet hoe men Vorsten giften behoort te bejegenen, als daar geene andere inzigten van groot gewigt mede gemengd zijn. Ik heb beslooten, niet eenen penning van hunne Hoogheden aan te neemen, noch eenig Jaargeld, hoedanig het ook moge weezen. Ik heb het niet verdiend, lk heb hunne Hoogheden nooit dienst gedaan, noch kan dezelven dienst doen in eenigerlei manieren. Zo lang als ik mij weet te behelpen, en te vreden ben met brood en water, daar ‘t, God lof met mij nog niet toe gekoomen is, zal ik van geen vreemden Prins eenen stuiver ontvangen, Wil, uwe Edelheid voor mij en mijne huisvrouwe iets doen, help mij aan de Rente, daar wij straks van spraken, en dat de agterstallen betaald worden van de Staaten van Brabant, daar de Rentebrief op houdt.” Op deeze weigering nam de Pensionaris zijn afscheid, met belofte, aangaande de Rente (zij was vijfentwintig Gulden ’s jaars) zijn best te zullen doen: zo als ook met ’er daad geschiedde.
Al dit gaan en keeren van UITENBOGAARD na en van Brussel, dat spreeken met den Kanselier PEKKIUS, met den Veldheer SPINOLA, met den Spaanschen Gezant DE QUEVA, met den Pensionaris GAVARELLES en andere Spaansgezinden of Spanjaarden: dit alles konde niet zo verholen blijven, of het gerugt daar van vloog over na Holland. Hier, gelijk het in dusdanige omstandigheden en toedragt van zaaken gemeenlijk gaat, strooide men allerlei gerugten ten zijnen nadeele uit. Men vertelde, dat UITENBOGAARD tot het Pausdom was overgedaan, en den voortogt hadt in de staatelijke Ommegangen. Elders wierdt met verzekering gezeid, dat hij, naa veel zoeken en aanhoudens, Raad der Aardshertogen was geworden, en met dezelve in beslootene kamer, daar niemant wierdt toegelaasten, raadpleegende, alle de geheimen des Lands openbaarde. De berugte Amsterdamsche Predikant SMOUTIUS liet zich openlijk verluiden, dat hij, naa het eindigen van het Bestand, bij den Aardshertog Predikant in het Leger zijn zoude, zo als hij voornmaals bij Prins MAURITS geweest was. Om alle deeze gerutgten te logenstraffen, vondt UITENBOGAARD geen dienstiger middel, dan Brabant te verlaaten, en elders zijn verblijf te neemen.
Doch in de keuze hier omtrent konde hij tot geen vast besluit koomen. Hij hadt wel voornmslijk het oog oP Staden, werwaarts hij, in de maand Maart deezes Jaars 1620, door de Burgemeesters en Raadsheeren, door een vriendlijken brief genodigd was. Maar ’er booden zich zo veele zwaarigheden aan, dat dit ontwerp niet volvoerd wierdt.
Te midden van alle deeze ontrustende wederwaardigheden, bezat, nogthans UITENBOGAARD genoegzaame bedaardheid van geest, om, nevens verscheiden anderen, aan de verdeediging der Remonstranten te arbeiden. In ’t laatst van het straks gemelde jaar kwam te Antwerpen van de Drukperze, een Geschrift, door hem, gedurende dit jaar opsgesteld, geteiteld: Vrijmoedig onderzoek van versheide Plakkaeten in de geunieerde Provincien, binne twee jaeren herwaerts gepubliceert tegens de Chistenen ingebooren en inwoonders derselven Landen, die men Remonstranten noemt. Men hadt de Afdrukzels van dit Boek na Leiden gezonden, om van daar door het Land verspreid te worden. Ongelukkig vielen zij in handen van den Schout, die ’er zo veele Bladen van bekwam, dat de Drukker in beraad leide, of het oirbaar ware, dit Werk te herdrukken. Doch verstaan hebbende, dat ’er groote begeerte was om het Geschrift te leezen, nam hij den herdruk bij de hand, en vondt toen middel om het Werk alomme te verspreiden. In dit Geschrift ontmoette men eenige scherpe uitddrukkingen, welke UITENBOGAARD naderhand alleen daar medee verdeedigde, dat het gesteld was in de eerste hitte der vervolging, en, diensvolgens, ligtelijk, eenige uitdrukkingen konden uit de pen vloeien, voor welke hij, in meer bedaarde tijden, zich wel zoude gewagt hebben.
In nieuwe bekommering raakte eerlang UITENBOGAARD. Nevens EPISCOPIUS en GREVINKHOVEN, hadden zij gezamentlijk als Directeuren der Remonstrantische Schocieteit, uit Antwerpen de zaaken der Remonstranten, binnen ’s Lands, door brieven en bezendingen bestuurd. Van wegen het eindigen van het Bestand, tusschen Spanje en de Veréénigde Gewesten, ’t welk in de maand April des Jaars 1621, zou voorvallen, zou hun eigen verblijf aldaar niet meer veilig weezen, en diensvolgens hunne zorge voor de broederschap een einde neemen. Men wendde het oog na alle kanten, doch vondt overal zwaarigheid. UITENBOGAARD helde meest na Frankrijk, alwaar hij veele vrienden hadt, en de meeste gunst hoopte te zullen vinden. Onder dit alles wlerdt ’er, aan de Spaansche zijde, vlijtig gearbeid om hem in Brabant te houden, door de aanbieding van Jaargelden, zonder dat hij onder eenige verbintenis zoude leggen, indien hij slegts blijven wilde. Maar hij sloeg alles af, en zeide niet te kunnen blijven, ’t en ware men den Remonstranten vrijheid van Godsdienstoeffeninge in hunne huizen toestond.
Inmiddels hadt de Spaansche Gezant te Brussel kennis bekoomen van UITENBOGAARDS voorneemen, om zich na Frankrijk te begeeven. Andermaal ontboodt hij hem de Markgraaf, en zogt hem, met veele redenen en groote beloften, tot blijven te beweegen. Te merkwaardig is het gesprek, ‘t welk thans voorviel, dan dat wij hetzelve, hoewel eenigzins uitvoerig, hier niet zouden mededeelen. Op de aanspraak des Gezants gaf UITENBOGAARD tot antwoord „ Dat hij hunne
Hoogheden ootmoediglijk bedankte voor het verblijf, aan hem en anderen zo lang vergund; maar dat het hem niet mogelijk was, daar langer te woonen, als men met Holland in oorlog zou zijn, en wel om de volgende redenen: „ Vooreerst, om dat men in ’t Vaderland altijd vermoeden zoude hebben dat de Remonstranten in Brabant eenig kwaad brouwden; van welke daad hij niet alleen vrij wilde zijn, maar ook van het vermoeden. Ten anderen, dat men de goederen zijner huisvrouwe, die zij nog in Holland hadt, terstond zou verbeurd verklaaren. Vervolgens, „ dat hij niets doende of raadende tegen het Vaderland, altijd in Brabant verdagt zoude zijn, als of hij iets wroette of toeleide tegen den Staat van hunne Hoogheden, met heimelijke verstandhouding, en anders. Eindelijk, dat hij niet zou kannen blijven, zonder in Brabant zijne vaste woonplaats te neemen, en vrijheid van Godsdienst te hebben, die hij wist dat men den Remonstrnten niet zou vergunnen.”
De Gezant daar naa spreekende van den Oorlog, welke tegen Holland op nieuw zou begonnen worden, vraagde aan UITENBOGAARD, wat hem daar van en van de uitkomst dagt. Daar deeze op zeide, niet te kunnen antwoorden, als niet weetende de magt, die men van de Spaansche ziide zoude willen of kunnen gebruiken; maar dat hij, met verlof van zijne Excellentie, moest zeggen dat de „ Koning van Spanje, hoewel de magtigste Vorst van het Christenrijk, iet groots bestondt, door wederom te treeden in den oorlog met Provincien, welker magt hij te vooren, zo veele jaaren, hadt ondervonden, en, zijns oordeels, nog meer zou ondervindend’ Op de vraag des Gezants, of ’er dan geen middel ware tot vrede, gaf de andere Ja tot antwoord, indien men haar met vrede wille laaten. De Gezant: „ dat zou men wel doen, indien men den Koning eenigzins wilde erkennen.’’ UITENBOGAARD, dat zullen de onzen niet doen. De Gezant: „ Waarom niet, als men hun in de rest, niets uitgenomen, alles geeft wat zij begeeren?” De andere: Als de Koning hun alles geeft, mits hem erkennende, dan beneemt hij daar mede, al wat bij gegeeven heeft. Want de erkentenis, die hij begeert, is, dat men hem erkennie voor Souverein; welke erkentenis alleen al de rest met ’er tijd zal te niet doen. Maar in Spanje en elders, zeide de Gezant, wordt zijne Majesleit voor Soeverein erkend; en evenwel blijven de Onderdaanen bij hunne Voorregten, en de Koning houdt hun ’t geen hij beloofd heeft.
Daar UITENBOGAARD op antwoordde: „ Ik wil dat niet tegenspreeken. Maar de Hollanders zullen in allen gevalle niet gelooven, dat men hun woord houden zal, bijzonder niet in het stuk van den Godsdienst: om veele redenen, en bijzonder om dat zulks in zijner Majesteits magt niet is, al wilde hij het doen, als zijnde een stuk, puur en alleen hangende aan den Paus.” Maar de Paus, zeide de Gezant, zal zijne Majesteit daar in dispenseeren. „ Dit geloof ik”, hervatte daar op de andere; „ maar dezelfde Paus heeft magt, zijne Majesteit, zo hij gelooft, daar naa wederom van zijnen eed en belofte te ontslaan, om die te mogen breeken, als het oirbaar zal bevonden worden. Dit wantrouwen, ging hij voort, is zo diep in de harten der Hollanderen geworteld, dat ik niet zie, dat men hun dat immermeer zal beneemen.” De Gezant gevraagd hebbende, of ’er geen middel ware om dat wantrouwen weg te neemen? benam UITENBOGAARD: „ Ik kan slegts één middel bedenken, hoewel ik zeer twijfel, of het daar toe genoegzaam zijn zoude; en in allen gevalle weet ik wel dat zijne Majesteit het niet doen zal.” Thans vraagde de Gezant naar dat middel; waar naa de andere, vooraf verschooning voor zijne vrijmoedigheid in het spreeken verzogt en verkreegen hebbende, zich in deezervoege uitliet: „ Dat bij aldien het zijne Majesteit en de Aartshertogen geliefde, van en uit hun zelve vrijheid van Godsdienst aan de Gereformeerden, in Brabant, Vlaanderen en in zijne andere Nederlanden toe te staan, mits orde stellende tegen factie en oproer, en tot verzekeringe der Roomsche Religie, voorts alle de Privilegien in dezelve zijne Landen wel onderhoudende, dat zulks: een klaar teeken zoude zijn van zijnen goeden wil.
Indien zijne Majesteit, ongedwongen, uit enkele goedertierenheid die vrijheid zijnen onderdaanen, toestond, zou nen, misschien, gelooven dat hij zijn woord zoude houden aan de Hollanders, zo als hij daar toe verpligt was volgens verdrag, bij eede bezwooren. Is ’er eenig middel om dat wantrouwen weg te neemen, zo is het dit. Dan ik weet wel”, vervolgde de Leeraar, dat zijner Majesteits Conscientie zulks niet toelaat; dat ooit de Roomsche Kerk en de geestlijke Biegtvaders, van welke Zijne Majelteit en hunne Hoogheden hunne Conscientien laaten regeeren, dat in geenerlei manier zullen toestaan.” Maar zijne Majesteit, zeide de Gezant, zal vooraf eene Verklaring laaten uitgaan, bij welke hij zal belooven, alle Privilegien te herstellen, ook de zulke, die deeze nieuwe Regenten hebben afgeschaft. De andere verklaarde daar op zijn gevoelen op deeze wijze: „ Zij zullen, zeide hij, met zulk eene Verklaaring spotten: want het geen zijne Majelteit, hun zoude belooven, hebben zij alreeds bij hen zelven; en de nieuwe Regenten hebben geene privilegien verbroken voor altijd, maar voor ééne reize alleen, om de Regeering te veranderen naar den zin des Prinsen van Oranje, en der Predikanten, met betuiging dat zulks in geen gevolg zou getrokken worden; ’t welk hun genoeg is, om zich zelve in de Regeering te handhaaven; en nog gaat dit de vrijheid van Religie niet aan, daar ‘t meest op aankoomt, om het wantrouwen weg te neemen.”
Zeer verzet stondt de Spaansche Gezant over deeze taal; maar nog meer, wanneer ’er de Leeraar, met eene Hollandsche rondheid, het volgende nevens voegde. „ Ik moet uwe Excellentie”, dus ging UITENBOGAARD voort, „ nog een woord in vrijheid zeggen, ten dienste van zijne Majelteit en hunne Hoogheden, naamelijk, dat ik wel weet dat uwe Excellentie, en andere Heeren, ook Geestlijken, mij en mijne medebroeders hier in het Land zoeken te houden, niet uit liefde tot ons en onze zaaken, (hoewel ik geloove, dat zij ons aanzien voor vreedzaame luiden, en gehoorzaame inwoonders, die, onder het dekzel van Godsdienst, geen factien, of oproer zuilen aanrigten) maar uit de hoop, die men heeft geschept, dat wij door die van onze gezintheld, die, zeer veele in ’t Land zijn, met ’er tijd eenige wederspannigheid of opstand, in de eene of andere Stad, tegen den Staat aldaar, zouden te weeg brengen, om deeze zijde te begunstigen en de hand te bieden, als men in oorlog zou zijn getreeden.
Dit houde ik zeker dat verwagt wordt, en dat wij met onze directie daar toe zouden arbeiden: waar op ik uwe Excellentie wel rondelijk, met alle respect, ten dienste van zijne Majesteit, verklaaren wil, dat zulks vergeefs van ons zoude worden verwagt, en dat die van onze gezintheid in ’t Land nimmermeer zo verre zullen koomen, dat zij dat juk, waar mede zij nu, door ’t berooven van hunne Leeraars en de vrijheid van Godsdienst, door deeze nieuwe Regenten worden gedrukt, van den hals zullen zoeken te werpen, om een ander juk, dat zij veel zwaarder houden te zijn, en het Spaansche noemen, op den halze te neemen. Niemant zal hun daar toe raaden, en al hadden zij ’t vermogen, welk zij niet hebben, nimmermeer zullen zij dat doen. Want zij hebben al te zamen te groote liefde tot hunne vrijheid, en te grooten afkeer van deeze natie, dan dat zij dat zouden poogen te doen. Want als is hun groot ongelijk geschied, zij worden evenwel niet gedwongen, eene andere Religie, die zij niet toestaan, tegen hun geweeten te moeten aanneemen.”
Ik verwondere mij over u, sprak thans de Gezant. Andere ballingen en verdreevenen uit hun Vaderland plagten te arbeiden, om weder daar in te koomen, in alle manieren en middelen, die daar toe mogten dienstig zijn. „ Die luiden”, hernam daar op UITENBOGAARD, „ zoeken hun eigen voordeel, niets anders voorhebbende dan zich te wreeken: dat is ons oogmerk niet; liever willen wij in armoede leeven, en ons met water en brood behelpen buitenslands, dan dat wij weder in ’t Land zouden zoeken te koomen door onbehoorlijke middelen: want wij zijn Christenen, die onze hoop hebben op een beter hier naamaals, en mogen daarom niets doen, ‘t geen ons van God verbooden is. Konden wij wederom in ’t Land koomen door een goeden vrede (dus ging hij voort), door welken de Godsdienst en de Voorregten mogten zijn bewaard, dat ware ons lief: anders moeten wij geduld hebben.” Gij spreekt rond, zeide hier op de Gezant. „ Ja, mijn Heer ”, daar op de andere, „ ik zeg gelijk het is, ook ten dienste van zijne Majesteit, op dat men zich op geene verandering door opstand van binnen door de onzen verlaate: want dat zal niet geschieden.”
Voorheen hebben wij verhaald, hoe UITENBOGAARD het oog na Frankrijk hadt. In het midden der maand Maart des Jaars 1621 vertrok hij derwaarts, verzeld van ADRIANUS BORRIUS, weleer Predikant te Leiden. Zij kwamen te Parijs, op den drieëntwintigsten der gemelde maand. Het oogmerk deezer reize was, onder andere, deels om de zaak der Remonstranten aldaar te verdeedigen, indien de Gezanten der Veréénigde Gewesten, welke zich, ten dien tijde, aldaar bevonden, iets ten hunnen nadeele mogten voorstellen; deels, om te beproeven, of, door hulp van eenige vrienden, de Koning tot eene voorspraak der bedrukten zou kunnen bewogen worden; eindelijk ook, om te verneemen, of zij, in gevalle van nood, onder de bescherming zijner Koninklijke Majesteit, in Franklijk een vreedzaam verblijf zouden kunnen genieten. Met groote gunst en genegenheid wierdt UITENBOGAARD bij de voornaamste Raaden zijner Majesteit bejegend. Met den Heer de BOISSISE in gesprek geraakt zijnde, boodt hij aan, de zaak der Remonstranten, zo wel ten aanzien van het burgerlijke als van het Kerkelijke, in den voller Raad des, Konings, ook in ’t bijzijn der Nederlandsche Gezanten, te willen verdeedigen.
Doch hem bleek wel haast, dat de hoop, om door voorspraak van Frankrijk, eenige verligting of ruimte voor de Remonstranten te bekoomen, eene ijdele verwagting was. Hierom vraagde hij aan den Heere DE BOISSISE, „ ingevalle de Heeren Staaten even onbeweegelijk bleeven, en eenige Remonstranten het Land gingen verlaaten, om zich te Calais, Dieppe of in eenige andere Fransche Haavenstad neder te slaan, of zijne Majesteit dezelve zoude willen neemen in zijne bescherming, en de zelfde vrijheden vergunnen als aan anderen?” daar de andere op antwoordde, dat over dit stuk in den Raad des Konings was gesproken, en dat ze vrijelijk mogten koomen. Thans deedt UITENBOGAARD nog eene audere vraag, te weeten, „ of den Remonstranten, in zulk een geval, ter plaatze, alwaar zij zich zouden nederslaan, vrijheid van Godsdientoeffeninge, afzonderlijk van de Hugenooten, zou worden vergund; als mede, om te mogen doen drukken, ’t geen zij zouden noodig agten tot verdeediging van hunne zaak tegen hunne partijen: mits te vooren zijnde overgezien door de zodanigen, welke zijne Majesteit daar toe zoude magtigen; en wijders, dat zij zelven, zodanige vrijheid genietende, zich zouden dringen in alle zedigheid en stilheid, onder de gehoorzaamheid des Konings ? ”
Het antwoord van den Franschen Staatsman, op deeze vraag, is merkwaardig, en verdient overgeschreeven te worden. Hij zeide, dat de Remonstranten, die in Frankrijk wilden koomen, vrijheid in hunne huizen mogten hebben, zonder dat men daar onderzoek op zoude doen; maar dat het houden van afgezonderde Vergaderingen bezwaarlijk zou worden toegestaan; dat het, zijns bedunkens, beter ware, zich zo na aan de Hugenooten te houden als zij konden, zonder verder te scheiden; dat de Remonstranten de hoop, om wederom in het Land te koomen, en, door een gerekkelijkheid, met de partijen zich te vereenigen, niet moesten verliezen; dat hij en veele andere rekkelijke Katholijken de scheuringen der Christenheid, om zaaken van Godsdienst, zeer beklaagden, en eenige hoop hadden geschept, dat door de gemaatigdheid, die de Remonstranten omtrent de geschillen hadden gebruikt, vrij wat goeds voor de gantsche Christenheid zou zijn gevolgd, indien, namelijk, de rekkelijkheid op zulk eenen voet, dat men, niettegenstaande eenige verscheidenheid van gevoelen, over geschilpunten, daar de Zaligheid niet aan hing, evenwel eenigheid hielde in de Godsdienst en elkander onderling verdroeg, in de Hollandsche Kerken hadt plaats gegreepen.
Want, voegde ’er BOISSISE nevens, daar door zouden ook de Fransche Hugenooten en na gemaatigdheid hebben beginnen te luisteren, en zoude men alzo allengskens verder hebben kunnen koomen, inzonderheid, zeide hij, in Frankrijk, vermids de Vrijheden die de Fransche (Roomsche) Kerk van ouds hadt genooten, uit hoofde van welke zij minder dan andere van den Paus afhankljk was. In zijn antwoord op deezen voordrage, toonde UITENBOGAARD, in eene uitvoerige rede, hoe ’er, na genoeg, de zelfde redenen in den weg stonden, waarom de Remonstranten, even min met de Hugenooten in Frankrijk, als met de Contraremonstranten in Holland, gemeenschaplijke Vergaderingen zouden kunnen houden. In eene zamenkomst met den President JEANNIN, waarin UITENBOGAARD bescheid verzogt omtrent de vrije wooning in Frankrijk, ontving hij van denzelver tot antwoord, „ dat hij last hadt van den Heere Kanselier en van den Raad, hem te zeggen, dat wanneer hij in Frankrijk zoude willen koomen, hij welkoom zoude weezen, en aldaar alle zekerheid vinden.” Ten zelfden tijde zogt de President hem, uit ’s Konings naam, tot den Roomschen Godsdienst over te haalen, met belofte van groote voordeeien. Ik bemin u, voegde hij ’er nevens, en wij allen dat moogt gij wel gelooven.
Op den zesëntwintigsten April des gemelden Jaars 1621, keerde UITENBOGAARD na Brussel en Antwerpen. Zijn verblijf te Parijs hadt hij eenige dagen gerekt, van wegen de tijding der ontkoominge van HUGO DE GROOT uit den Loevesteinschen Kerker, en de hoop om dien doorluchtigen Landgenoot te zullen aantreffen. In eene zamenkomst deedt UITENBOGAARD uitvoerige opening van zijne verrigtingen; in welke DE GROOT volkomen genoegen nam. Tot omtrent het midden der maand Augustus vertoefde UITENBOGAARD te Antwerpen. Geduurende zijn jongste verblijf aldaar, vertaalde hij, in den tijd van elf dagen, de Latijnsche Belijdenis der Remonstranen, nevens derzelver Voorrede. Naa de Wethouderschap van Antwerpen voor derzelver beleefde herbergzaamheid, bedankt te hebben, ging hij, op den vierëntwintigsten der gemelde maand, in gezelschap van SIMON EPISCOPIUS, PETRUS CUPUS, en nog twee andere vrienden, op reize na Rouen, alwaar zij op den laatsten dag dier maand aankwamen. Niet lang vertoefde hij aldaar, maar begaf zich, eerlang, met ERISCOPIUS, na Parijs, met oogmerk om met DE GROOT over de gemeene belangen der Remonstranten te raadpleegen. Onder andere leide UITENBOGAARD een bezoek af bij den Heer DE BOISSISE en bij den President JEANNIN, die hem, even als voorheen, minzaam bejegenden, en aangaande de veiligheid der Remonstranten in Frankrijk goede beloften, deeden. De zelfde verzekering ontving hij van den Heere Kanselier van Frankrijk, bj welken hij zich ten gelijken oogmerme hadt vervoegd.
Vermids de afweezigheid des Konings niets verder kunnende verrigten, keerde UITENBOGAARD, nevens EPISCOPIUS, eerlang te rug na Houen, voorzien van zeer gunstig voorschrijven van den President JEANNIN aan den Heere DE RIEZ, eersten President van het Parlement van Normandie. Vóór hun vertrek leiden zij een bezoek af bij den Kanselier, die hen zeer vriendelijk ontving, en zijne hulp en bijstand beloofde. Diergelijk eene bejegening ontmoette hij te Rouen, bij de overhandiging van zijne brieven van Voorschrijvinge aan den President DE RIEZ. In eene andere zamenkomst viel het gesprek over de vereeniging der Christenen, welke de President als eene wenschelijke zaak beschouwde, en vuurig verlangde. Onder andere vraagde hij UITENBOGAARD, of hij den Roomsch Katholijken Godsdienst niet zo wel met eene goede Conscientie zoude kunnen volgen, als de Apostel PAULUS deedt ten upzigte ven den Joodschen Godsdienst, toen hij met anderen in den Tempel ging, zich reinigende en offerende, hoewel de Joodsche plegtigheden waren afgeschaft ? Daar UITENBOGAARD op tot antwoord gaf „ Dat de Joodsche plegtigheden van God waren ingesteld, de Roomsche niet; dat ook de Joodsche, ten dien tijde, als PAULUS dat deedt, nog niet afgeschaft of verbooden, maar onverschillig waren, zo lang de Tempel stondt, en derhalven geoorloofd tot stigtinge, buiten waan van daar door geregtvaardigd te worden.”
Op verzoek van den HUGO DE GROOT, vervoegde zich UITENBOGAARD, van nieuws, te Parijs, in de maand Januarij des Jaars 1622. Hier vertoonde hij een Verzoekschrift aan den Koning, gesteld op naam van eenige Remonstranten, om vrije Godsdienstoeffening, aan den President JEANNIN; die, het geschrift geleezen hebbende, hetzelve goedkeurde: hem voorts raadende, om het insgelijks aan den Prinse VAN CONDÉ, aan den Kanselier en aan den Zegelbewaarder te vertoonen; en hem gebiedende, goeden moed te hebben. En, inderdaad, de Remonstranten verworven, eerlang, een oogluikend verlof, om in hunne huizen den operbaaren Godsdienst te mogen oeffenen; met vermaaning, nogthans, van zich te wagten voor groote Vergaderingen. De eerste Vergadering wierdt gehouden op den eersten Paaschdag, zijnde den zevenëntwintigsten Maart des Jaars 1622; UITENBOGAARD voerde thans het woord, en EPISCOPIUS den volgenden dag. HOGERBEETS schreef daar over, uit de Loevensteinsche Gevangenisse, eenen brief van gelukwensching aan den eerstgenoemden; welke, omtrent deezen tijd, bij een Smeekschrft aan den Koning, voor de Remonstranten ontslag van het regt van Aubeine verworf. Vóór zijn vertrek uit Parijs, wierden UITENBOGAARD, door den President JEANNIN, brieven van Voorschrijvinge aangebooden, aan den Aardsbisschop van Rouen, en aan den eersten President van Normandie. Den laatsten nam hij gereedelijk aan; maar omtrent den eersten maakte hij zwaarigheid, alzo hij, uit dien hoofde, voor nieuwe opspraak vreesde. Vermits, evenwel, de Remonstranten aan de gunst des Presidents veel gelegen lag, duifde hij de aanbieding niet van de hand wijzen.
Zeker Edelman, daar bij tegenwoordig, van den Aardsbisschop van Rouen hoorende gewaagen, berigtte, dat dezelve zich thans binnen Parijs bevond: en boodt zich aan, om UITENBOGAARD straks bij zijne Genade in te leiden. Hij zich ook daar tegen niet durvende stellen, wierdt straks na het huis des Kerkvoogds geleid. Deeze was toen in de Misse; doch op dit oogenblik thuis koomende, wierdt UITENBOGAARD herkend, door iemant, die zich bij den Aardsbisschop bevondt waar op deeze zijne Koets deedt stil houden en, uit dezelve geklommen zijnde, eer UITENBOGAARD nog een woord konde spreeken, hem omhelzende zeide: Ik weet wie gij zijt; gij zijt mij welkcom. Als UITENBOGAARD daar op den brief van aanbeveelinge kussende, dien wilde overgeeven, de brief is mij aangenaam, sprak toen de Kerkvoogd, maar gij hebt geen voorschrijven van doen. Den brief geleezen hebbende, beloofde hem de Aardsbisschop zijne gunst en bescherming; vraagende wijders, of hem iets wedervaaren was, waar in hij hulp verlangde. Hier op verstoutte zich UITENBOGAARD te zeggen, dat zijne Huisvrouw, onlangs te Rouen langs de Straat gaande, voor Arminiane was gescholden, met veele andere bedenkelijke smaadwoorden, en dat dit alles was ontstaan door de opstooking van zekeren Monnik, die, met hevige uitvaaringen, onder andere hadt gezegd, dat 'er nieuwe Sektarissen en Ketters uit Holland waren overgekoomen, en zich aldaar hadden neer geslagen.
De aankondiging des Aardsbisschops, dat hij in ’t toekoomende daar in zou voorzien, hadt ten gevolge, dat de kwaadstookende Monnik na een ander Konvent buiten de Stad wierdt verzonden. Kort naa zijne wederkomst te Reuen, hadt UITENBOGAARD een uitvoerig gesprek met den Aardsbisschop in deszelfs paleis, waarin deeze den Hollandschen balling met veel heuschheids behandelde, zonder, evenwel, bij hem zijn wit te kunnen treffen; ’t welk was, om door UITENBOGAARD de Remonstranten over te haalen tot het doen van afbreuk der Hugenooten of Fransche Gereformeerden, tot stijvinge van het Pausdom.
Met dus ginds en herwaarts zwerven in Franrijk en elders, en met het dus voeden van hoope, op de wederkeering in het Vaderland, die telkens verijdeld wierdt, sleet UITENBOGAARD zijne dagen. Het overlijden van Prinse MAURITS deedt de zaak der Remonstranten, in de Veréénigde Gewesten, eenen gunstiger keer neemen. Aan dien Krijgshaftigen Prinse wierdt, gemeenlijk, de wijte gegeeven van de vervolgingen, aan weelke zij ten doel gedaan hadden. Gunstiger gedagten jegens hen voedde Prins FREDRIK HENRIK, diens broeder, en opvolger in de Stadhouderlijke en andere waardigheden. De maare van den dood des eersten, en van de verheffinge des laatstgenoemden, was niet buitenlands verspreid, of verscheiden Remonstrantsche Leeraaren, die, zints eenigen tijd, heimelijk en ter sluik in het Land verkeerd hadden, bestonden zich openlijk te vertoonen. Anderen, die, veiligheidshalve, zich buiten schoots hadden gehouden, keerden van lieverlede te rug.
Onder deeze behoorde UITENBOGAARD. In het einde van September des Jaars 1626 kwam hij te Rottetdam, en van daar, heimelijk, in ‘s Graavenhage, alwaar hij, op den negenden januarij des volgenden Jaars 1627, een Verzoekschrift inleverde bij de Algemeene Staaten, om verlof te bekoomen van zich te mogen zuiveren van de misdaad van Gekwetste Majesleit, waar mede men hem betigt hadt. Hoewel twaalf der voornaamste Haagsche Regtsgeleerden zich voor de billijkheid van dit verzoek verklaarden, wierdt het, nogthans, van de hand geweezen; men verstondt, dat de toestand van het Land niet geheugde, dat men de billijkheid der Vonnissen, in den Jaare 1619 gestreeken, in twijfel trok.
Dit niettegenstaande liet men hem, in 's Hage, openlijk en ongemoeid in en uitgaan. Zijn huis, voorheen verbeurd verklaard, wierdt hem te rug gegeeven; zelf beklom hij, van tijd tot tijd, den prediksloel. Het overschot zijner hooggeklommene jaaren sleet dus UITENBOGAARD in vrede; in welken, nogthans, merkelijke stoorenis ontstondt, door het overlijden van zijnen getrouwen vriend en deelgenoot der wederwaardigheden, den Hoogleeraar aan het Remonstrantsche Kweekschool te AmsteRdam, SIMON EPISCOPRIUS. Zo groot was de agting, welke hij dien Godgeleerde toedroeg, dat hij, hoewel onlangs getreeden zijnde in het zevenëntachtigste jaar zijns ouderdoms, de reize uit 's Gravenhage na Amsterdam ondernam, om de dierbaare stoffelijke overblijfzelen de laatste eere te bewijzen, in het Sterfhuis zijnde, ’s daags vóór de begraafenis, naderde hij de Doodkist, en zijne hand leggende op het hoofd van het Lijk, om van hetzelve een staatelijk afscheid te neemen, zeide UITENBOGAARD, met groote ontroering zijner ziele: o Hoofd, wat is 'er eene wijsheid in u verborgen geweest! Niet lang overleefde hij dien hartvriend: hij, stierf, op den vierden September des jaars 1644, in den ouderdom van zevenëntachtig jaaren en bijkans zeven maanden. Zijne Kerkelijke Historie, Leven en Veraantwoording, zijn de voornaamste zijner Schriften . Behalven deeze heeft hij, nevens andere kleine Geschriften, een groot aantal Brieven nagelaaten, zommige van welke in een beschaafden Franschen stijl gesteld zijn.
Zie, behalven de aangehaalde eigen Geschriften van UITENBOGAARD, BRANDT, Historie der Reformatie; J. LE CLERC, Geschiedenis der Veréénigde Nederlanden.