Ewoud Sanders

Taalhistoricus en journalist.

Gepubliceerd op 11-02-2019

emmes

betekenis & definitie

waar; prettig, leuk, fijn; inderdaad; echt

Omstreeks 1860 voor het eerst opgenomen in een Bargoense woordenlijst, opgesteld door M. Verwoert, indertijd directeur van een gevangenis te Utrecht. Het komt hierin voor in de vorm immes en met als betekenis ‘waarheid’. Vervolgens in 1906, in De Boeventaal van Köster Henke, als emmes voor ‘goed’ en als immes voor ‘goed, echt, prettig’. Köster Henke geeft onder meer als voorbeeldzin: ‘Een immese lik’ (‘een goede gevangenis’). Via het Jiddische emmes (‘waarheid; echt, werkelijk’) ontleend aan het Hebreeuwse emet (‘betrouwbaarheid, bestendigheid, trouw, waarheid’). Ook aangetroffen als ibbus, immes en ippes. In 1914 schreef de Winkler Prins (deel 2, p. 645): ‘Sommige bargoense woorden zijn tijdelijk of voorgoed in de algemeene taal overgegaan, bijvoorbeeld [...] “emmes”.’

• En jò, zoo’n emmes vrij leve, da’s toch maar alles. ¶ M.J. Brusse, Landlooperij (1906), p. 10
• 'Hm!’, zeg ik, ‘daar kunt u ’t leven nog wel emmes bij houden, al ziet ’t er hier wat armoedig uit!’ ¶ Jan Feith, Op het dievenpad (1907), pp. 80-81
• ‘Fan Scheile Merie,’ klinkt zijn antwoord. ‘Die ken jai niet, nietes? Nau, ikke wel. ’n Emmes waif. ¶ Petrus Kruisman, Kris uit de nachtbuurt (1924), p. 106