Bavelaar betekenis & definitie

kunstig snijwerk

De oorsprong van het woord bavelaar is altijd in verband gebracht met Cornelis Bavelaar [1777-1831]. Dat is niet onjuist, maar het is ook niet helemaal juist.

Dat Cornelis Bavelaar in talloze publikaties wordt aangewezen als de uitvinder van de bavelaartjes - in hout of been gesneden kleine diorama's, geplaatst in een houten kastje achter glas - komt door A.J. van der Aa. Die schreef in 1853 in zijn Biographisch Woordenboek der Nederlanden een korte levensschets van Cornelis Bavelaar, waarbij hij zich baseerde op 'particuliere berigten'.

Cornelis Bavelaar, aldus Van der Aa, had 'eenen onbegrijpelijken aanleg tot het snijden van beeldjes'. Niemand had hem dit ooit geleerd, maar met slechts een 'eenvoudig pennemes' sneed hij uit lindehout, palmhout, ivoor en parelmoer allerlei 'landschapjes, binnenhuisjes en zeegezigtjes' die hij vervolgens achter glas inlijstte. Volgens Van der Aa kreeg Cornelis Bavelaar 21 kinderen, 'waarvan dikwerf 9 te gelijk in leven waren'.

Na intensief archiefonderzoek konden Ingrid W.L. Moerman en J.Th.A. Peskens Van der Aa op enkele fouten betrappen. Bavelaar kreeg geen 21 kinderen, schrijven zij in Leven in miniatuur (1983), maar vijftien - toch nog een flink aantal. Belangrijker is de ontdekking dat Bavelaars aanleg niet helemaal 'onbegrijpelijk' is. Cornelis Bavelaar leerde het vak namelijk van zijn vader, Cornelis Bavelaar senior [1747-1830]. Die maakte in 1795 zijn eerste 'kijkkastje': een voorstelling van de vrijheidsmaagd bij een met Franse vlaggen versierde vrijheidsboom, een kunstwerkje dat de triomfantelijke intocht van de Fransen in ons land moest herdenken.

Het woord bavelaartje is dus in feite afgeleid van twee personen, concluderen Moerman en Peskens, van Cornelis Bavelaar senior én junior. Even was er nog een derde Bavelaar in het spel, maar waarschijnlijk liet zijn vakmanschap te wensen over. 'Het woord 'bavelaar(tje)'', aldus Moerman en Peskens, 'is ontstaan in het midden van de 19de eeuw. In Leidse veilingcatalogi werd het werk van Bavelaar nogal eens te koop aangeboden, aanvankelijk als 'landschappen, binnenhuizen e.d. bewerkt door Bavelaar' of woorden van gelijke strekking, doch sinds het midden van de vijftiger jaren als 'bavelaars'.'

De houtsnijwerken van vader en zoon Bavelaar waren in het begin van de 19de eeuw geliefd. Ze werden verkocht vanuit het logement 'Het Stadhuis van Amsterdam', nabij de Witte Poort in Leiden. De prijzen liepen op van acht tot ongeveer twaalf gulden. Vader en zoon maakten in de loop van dertig jaar samen ongeveer 1500 bavelaartjes; daarvan zijn nu zo'n 350 exemplaren bekend, waaronder een kleine twintig in Engeland. Tegenwoordig zijn ze onbetaalbaar.

Een vergelijkbaar begrip is boulewerk. Dit is zo genoemd naar André Charles Boulle [1642-1732] uit Parijs. Boulle was een vermaard meubelmaker die wist op te klimmen tot hofleverancier. Hij was gespecialiseerd in inlegwerk en boulewerk betekent in het Nederlands dan ook 'inlegwerk van dunne reepjes of blaadjes metaal in hout'. Zijn zoon zette de produktie van boulemeubelen voort, maar hij haalde nooit het niveau van zijn vader en ging over de kop.