Ensie 1947

Ensie deel 2, 1947, Anton Reichling S.J. en J.S. Witsenelias.

Gepubliceerd op 30-05-2019

2019-05-30

Minoïsche kunst (Creta)

betekenis & definitie

Voor in het gebied der Aegeïsche zee de Griekse kunst tot bloei kwam, bestond er een hoogstaande kunst op Creta, de minoïsche kunst. Daar het minoïsche Creta nog geheel op het terrein der praehistorie ligt, moeten wij nog de schematische indeling in perioden volgen, zoals zij door de opgraver van Cnossus, de in 1941 overleden Sir Arthur Evans, werd opgesteld (zie schema). De vroegminoïsche periode is voor ons doel nog van geringe betekenis.

Tegen het eind ervan zien wij echter, dat door de ontwikkeling van Creta’s zeevaart verkeer met Egypte en Azië ontstaat. Mede onder invloed van deze gebieden begint een belangrijke kunst zich te ontplooien, waarvan de bloei ongeveer de middenminoïsche periode beslaat, terwijl in de loop van de laatminoïsche periode een teruggang merkbaar is, die tenslotte afgesneden wordt, doordat Creta ca 1400 v. Chr. door enkele zware rampen wordt getroffen.Vroegminoïsche periode I 3000-2800 v. Chr.

II 2800-2500 v. Chr. III 2500-2200 v. Chr.

Middenminoïsche periode I 2200-2000 v. Chr.

II 2000-1700 v. Chr.

III 1700-1550 v. Chr.

Laatminoïsche (Myceense) periode I 1550-1400 v. Chr. II 1400-1350 v. Chr. I II 1350-1150 v. Chr.

De voornaamste architectonische monumenten zijn de uitgestrekte paleizen te Phaestus, Mallia en Cnossus, waarvan het laatste het belangrijkste is. In zijn omBouwkunst vangrijkste gedaante is het na omstreeks 1500 v. Chr. gebouwd (middenminoïsch). Evenals de andere paleizen heeft ook dit een groot rechthoekig binnenhof, waaromheen in een wirwar van vertrekken, gangen en trappen het paleis is gelegen. Een organisch plan ontbreekt geheel; het is begrijpelijk, dat het oorspronkelijk Cretensische woord labyrinthos, dat waarschijnlijk paleis betekende, het woord voor doolhof is geworden. In dit paleis vinden wij een representatief gedeelte, waarin de troonzaal en het huiskapelletje zijn gelegen; hierachter een rij voorraadkamers, waarin de gebrachte schatting werd opgeborgen. Verder is er een gedeelte, dat vermoedelijk door de koningin bewoond werd; wij vinden er, behalve zorgvuldig versierde woonvertrekken, ook een badkamer en een closet met waterspoeling. Huishoudelijke vertrekken en werkplaatsen ontbreken niet. In de laatminoïsche periode heeft een grote verbouwing plaats gehad, waarbij aan de zuidwestkant van het paleis een monumentale ingang werd aangebracht die leidde naar de representatieve vertrekken; dit is het enige organische gedeelte van het bouwwerk.

Behalve deze paleizen komt men enkele grote huizen tegen, zoals het karavaanserail te Cnossus en de villa’s te Hagia Triada en Amnisus, alsmede het stadje Gournia, dat in zijn geheel is opgegraven. Tempels nemen een zeer bescheiden plaats in; zij zijn in drie schepen verdeeld met een verhoogd middenschip en vermoedelijk veelal van hout opgetrokken. Paleizen zowel als steden waren onversterkt: Creta beheerste de zee zo effectief, dat het geen aanvallen te duchten had.

De wanden der gebouwen waren veelal met schilderingen bedekt, waarvan talrijke fragmenten ons bereikt hebben. De oudste (middenminoïsch III) komen uit een huis te Amnisus; zij zijn in een prachtige strakke en decoratieve stijl geschilderd. Men meent veelal, dat deze kunst, die zich volledig ontwikkeld aan ons voordoet, uit het O. geïmporteerd moet zijn; waarschijnlijk is dit slechts schijn, veroorzaakt doordat toevallig geen oudere voorbeelden bewaard zijn gebleven. Deze monumentale stijl wordt langzamerhand losser en picturaler. Behalve menselijke figuren (pezig en met wespentaille) zijn het vooral dieren en planten die tot onderwerp dienen; de dieren zijn schitterend geobserveerd in hun snelle bewegingen (kat die zijn prooi besluipt, vliegende vissen enz.); later doen ook monsters hun intrede (griffioenen in de troonzaal te Cnossus). De achtergrond wordt gaarne versierd met grillig gevormde lijnen en er blijkt grote voorkeur te bestaan voor bont gekleurde stenen in het landschap. Ook in andere opzichten zijn de kleuren fantastisch. Bij de jongste wandversieringen wordt de schildering soms gecombineerd met stucreliëf (de lopende koning). Een der laatste schilderingen (laatminoïsch III) komt voor op een sarcofaag uit Hagia Triada; zij geeft begrafenisscènes in een wat decadente stijl.

Beeldhouwkunst is er op Creta eigenlijk niet. Wel zijn er kleine beelden; belangrijk zijn vooral de kleine bronzen. Zij zijn zeer weinig gedetailleerd en zien er uit alsof zij vluchtig uit klei gekneed zijn;

maar prachtig expressief zijn de houdingen (middenminoïsch III). Uit dezelfde tijd dateren de beste beeldjes van fayence, die vooral in het paleis van Cnossus zijn gevonden (godin met slangen, berggeit met jong) en enkele ivoren beeldjes, soms gedeeltelijk met goud bedekt (slangengodin te Boston).

Van betekenis worden de vazen, wanneer in de middenminoïsche periode een beschildering met lichte verf op een donkere ondergrond wordt toegepast (z.g. Kamaresvazen); de ornamenten bestaan uit rijke en vrije geometrische patronen, waarin allerlei gestileerde plantaardige motieven opkomen; grote voorraadvazen (Gr. pithoï) worden veelal met plastische plantenmotieven versierd. Tegen het einde van de middenminoïsche periode gaat de zee overheersen: dan verschijnen schelpen, poliepen enz., met donkere verf op een licht fond geschilderd; deze ornamenten bedekken het gehele vaasoppervlak meestal weliswaar met een zekere gelijkmatigheid, maar blijkbaar zonder aan regels gebonden te zijn. In het begin der laatminoïsche periode treedt enige verstijving in, die zich uit in het ordenen der ornamenten in horizontale banden (paleisstijl). In de loop dezer periode verstart de versiering geheel; de ornamenten verliezen hun onderling verband en worden tot schematische vormen teruggebracht.

Naast vazen van aardewerk komen ook stenen vazen voor. De techniek was in het vroegminoïsch II uit Egypte overgenomen. De Cretensers kunnen hier hun voorliefde voor grillige kleuren botvieren door gevlamde of gelaagde steensoorten te gebruiken. Ook wordt hierbij wel reliëfversiering toegepast, zoals bij de Maaiersvaas (bovenhelft van een eivormige vaas, waarop weergegeven een processie van maaiers in zeer natuurlijke en levendige stijl; laatminoïsch I). Beroemd is verder de vaas in de vorm van een stierenkop.

De Cretensers waren ook meesters in de bewerking van metalen. Verscheidene pronkzwaarden en sierdolken getuigen ervan. Zo een zwaard uit Mallia en de reeds lang beroemde dolken uit Mycene, waar zij geïmporteerd moeten zijn; op de mooiste is een leeuwenjacht voorgesteld, uitgevoerd in incrustatie (inleg- of overtrekwerk) van goud en zilver. Ook schitterende staaltjes van goudsmeedwerk zijn gevonden.Talrijk zijn eveneens de zegelstenen, vaak voorzien van ruw gegraveerde, maar soms ook uiterst fijne voorstellingen. Behalve met stenen zegelde men ook met gouden ringen, waarbij de voorstellingen in het metaal waren gegraveerd; hiertoe behoren enkele der belangrijkste exemplaren, met nog onverklaarde religieuze voorstellingen.

De minoïsche kunst is totaal anders dan de Gr. en in vele opzichten haar tegenpool. Zij zoekt veeleer het grillige en afwisselende dan het harmonische, zij is onrustig, vaak fantastisch; gevoel voor structuur ontbreekt wel niet geheel, maar speelt toch een bescheiden rol. Daarentegen geeft de Cretenser blijk van grote aandacht en liefde voor de natuur, waaraan hij vaak zijn voorstellingen ontleent en die hij zo scherp weet ' te observeren. Hieraan hebben wij ook die rake, naar het schijnt ineens geboetseerde menselijke figuurtjes te danken, die ons in brons zijn overgeleverd. Het statische ontbreekt, alles is beweging.

De betekenis van deze kunst voor de latere kunst is gering geweest; de grote invloed, die Creta op het Myceense vasteland had uitgeoefend, was reeds nagenoeg uitgestorven vóór de eigenlijke Gr. kunst zich begon te ontplooien. Pas met haar ontdekking door Evans in 1895 is zij weder aan het licht gekomen.

G.van Hoorn, Kretische kunst, 1925.
J. D. S. Pendlebury, The Archaeology of Crete, 1939.
A. J. Evans, The Palace of Minos, 6 dln, 1921-1935.