Ensie 1947

Ensie deel 2, 1947, Anton Reichling S.J. en J.S. Witsenelias.

Gepubliceerd op 30-05-2019

2019-05-30

Beeldhouwkunst in Europa

betekenis & definitie

Steen, hout, brons, edele metalen en ivoor, klei, was, gebakken klei of terracotta en stuc.

1.LAATANTIEKE EN VROEGMIDDELEEUWSE BEELDHOUWKUNST

De beeldhouwkunst, in de classieke Oudheid tot zo grote bloei gekomen, neemt in de eerste eeuwen van het Chris¬tendom en de vroegmiddeleeuwse tijd in betekenis af. De eerste christenen staan om principiële redenen feitelijk afwijzend tegen¬over de vervaardiging van een monumentale plastiek. Het sterk voortleven van de Helle¬nistische traditie is echter oorzaak, dat niettemin christelijke beelden ontstaan als de half-levensgrote figuren van de Goede Herder (3de 5de eeuw), waarvan een tiental exem¬plaren bewaard is gebleven. Van groter betekenis is de vroegchristelijke reliëfsculptuur, waarvan wij de eerste voorbeelden aan de sarcofagen tegenkomen. De vroegste christelijke sarcofagen (2de en 3de eeuw) sluiten geheel aan bij de heidense exemplaren. In stijl en opvatting zijn zij Hellenistisch. Aanvankelijk zijn de christelijke elemen¬ten daarvan nog op bedekte wijze weergegeven, dan echter worden christelijke voorstellingen aangebracht, waarvan het aantal gaandeweg toeneemt. Veel van dergelijke sarco¬fagen zijn te Rome bewaard gebleven, doch daarnaast vinden wij er in het overige Italië, in Gallië (o.a. Arles), N. Afrika en Spanje.

Een grenspaal in de ontwikkeling der beeldhouwkunst vormt in zekere zin de Boog van Constantijn, waarvan de reliëfs, met een keizerlijke toespraak en een brooduitdeling, een afnemen van de plastische model¬lering, een stijfheid in de opstelling der figuren en een schematisering vertonen, die een nieuwe stijlfase schijnen in te luiden. Na die tijd ontmoeten wij een laatantieke kunst van een eigen karakter. Hiertoe behoren portretten, die een opmerkelijke verstrakking, doch tevens een sterk tot uitdrukking brengen van de psyche van de voorgestelde laten zien. Voor de keizerlijke opdrachten wordt van de 3de eeuw af vooral het porfier gebruikt, dat bij Alexandrie gevonden, waarschijnlijk ook daar door een plaatselijke school wordt bewerkt en naar Rome, Constantinopel en Ravenna gezonden (groepen van keizersparen, misschien Diocletianus en zijn mederegenten voorstellend, aan de S. Marco te Venetië, porfier-sarcofagen van Helena en haar dochter Constantina, Vaticaan Rome). Van de stand¬beelden, die in Byzantium zijn opgericht, is niets bewaard gebleven. Over is echter het voetstuk met reliëfs gesierd, waarop eind 4de eeuw de obelisk van Heliopolis is opge¬richt. Van een monumentale christelijke sculptuur in Syrië en Palestina is evenmin veel aan te wijzen. Uit deze landen afkomstig zijn klaarblijkelijk de Ciborium-zuilen met voorstellingen uit het leven van Maria en van Christus in de S. Marco te Venetië (6de eeuw). Van Syrische oor¬sprong of door Syriërs te Rome vervaardigd zijn de met reliëfs gesierde houten deuren van de S. Sabina aldaar.

Het ivoorwerk met christelijke inhoud bestaat hoofd¬zakelijk uit diptieken en pyxiden. Een aparte plaats nemen de diptieken in, die hoge ambtenaren, in het bijzonder consuls bij hun ambtsaanvaarding, plegen weg te schenken (consuldiptieken).

In Italië werken in de 5de en 6de eeuw strijd en ver¬warring belemmerend op de kunstproductie. De techni¬sche bekwaamheid der Romeinse marmerbewerkers schijnt af te nemen en ook de ivoorsnijkunst gaat achteruit. De 6de eeuw betekent voor dit land waarschijnlijk het eind van de grote portretsculptuur.

Een aparte plaats neemt Ravenna in, waar w'ij een kunst vinden, die onder sterke invloed van het Oosten (Byzan¬tium) is ontstaan. Sarcofagen met enkele figuren in reliëf, altaartafels koorafsluitingen e.d. met sculpturale versie¬ringen, vormen er de voorbeelden van beeldhouwkunst. De ivoren reliëfs, die de troon versieren van aartsbisschop Maximinianus (545-556), zijn waarschijnlijk te Byzantium vervaardigd . Tijdens de heerschappij der Longobarden neemt in Italië het vermogen tot plastische vormgeving nog af. Wat in marmer ontstaat, beperkt zich tot versieringen aan cancelli of transennae, bisschopstronen, baldakijnen e.d. Belangrijker moet het werk in stuc zijn geweest, waarvan echter uiterst weinig bewaard is gebleven. Een merk¬waardig voorbeeld vormen de bijna rondplastisch uitge-werkte figuren van vrouwelijke heiligen in dit materiaal te Cividale in Friaul, die men over het algemeen voor Byzantijns werk uit de 8ste eeuw houdt. Uit de 9de eeuw dateren waarschijnlijk de stuc-figuren van het ciborium in S. Ambrogio te Milaan. Ook plastiek in edele metalen moet toenmaals vrij veel zijn voorgekomen. Het enige voorbeeld van grote omvang uit deze tijd is het gouden altaar onder bovengenoemd ciborium (9de eeuw).

De stammen, die met de volksverhuizing de grenzen van het Romeinse rijk overschrijden, brengen een kunst voort van een ornamentaal karakter. Waar zij zich vestigen, schijnt het vermogen tot plastische vormgeving te verdwijnen. In Gallië vinden wij in merovingische en karo¬lingische tijd vrijwel geen beeldhouwkunst in steen. Wel schijnt ook hier in stuc te zijn gewerkt en ontstaan beelden in edel metaal, veelal met houten kern. Een laat voorbeeld hiervan is de H. Fides te Conques (ca 990).

Een belangrijke plaats neemt het ivoorwerk in. In karo¬lingische tijd kunnen wij daarin in hoofdzaak drie groepen onderscheiden: 1. een school, waarvan de vroegste werken in verband staan met Karel de Grote zelf (de z.g. Adagroep). Zij vertoont een opmerkelijke aansluiting bij de antieken, vooral bij de consuldiptieken (Karolingische Renaissance). Zij geeft duidelijke, goed getekende figuren te zien. Met uitlopers en navolgingen zet zij zich voort tot in de 10de eeuw; 2. een wat jongere groep ivoren, die meer schilderachtig en schetsmatig zijn behandeld (de Liuthard-groep) en 3. de school van Metz, waarvan een oudere groep aansluit bij de Liuthard-groep, en een jongere, die zich tot ver in de 10de eeuw voortzet, zich uitbreidt naar de streek van Maas en Beneden-Rijn (vgl. ook afb. Deel I, blz. 294). Daarnaast mogen centra worden genoemd als St. Gallen, waar een ivoorsnijder Tuotilo (ca 900) bekend is en Milaan en Reichenau (eind 10de eeuw). In het laatste kwart van de 10de eeuw wordt de streek tussen Maas, Moezel en Rijn van groot belang. Omstreeks het jaar 1000 zien wij de plasticiteit der vormen afnemen, terwijl het lineaire element aan betekenis wint. Men laat de vormen uit de natuur meer en meer los om tot sterker stilering te komen.

II.DE ROMAANSE BEELDHOUWKUNST De 11de eeuw brengt een opleving van de beeldhouw¬kunst. Opnieuw wil men een monumentale plastiek schep¬pen, waarin echter niet de werkelijkheid wordt weerge¬geven, doch waarmede men denkbeelden tot uitdrukking brengt in geabstraheerde vormen. Men ontleent daarbij aan de kunst van het Oosten, van Byzantium zowel als van de Islam, terwijl ook uit Spanje, waar tussen de saracenen christenen wonen, invloed naar het N. doordringt. Als voorbeelden dienen miniaturen, geweven stoffen, ivoorwerk en andere kleine voorwerpen van kerkelijke kunst. Maar daarnaast ziet men soms ook naar de in Gallië bewaard gebleven resten van antieke sculptuur. Men probeert de weergave van de menselijke figuur te ver¬enigen met de neiging tot ornamentaal versieren. Zodoende stileert men en geometriseert men, waarbij bepaalde voorschriften of atelier-gewoonten worden toegepast.

Aanvankelijk heeft de sculptuur het karakter van een versiering, aangebracht op of aan een bouwwerk, zoals in karolingische tijd met de versieringen in stuc het geval was geweest. In de 2de helft van de 11de eeuw wordt het beeldhouwwerk echter meer één geheel met het bouw¬werk dat het siert. De beeldhouwers denken om zo te zeggen in steen.

Beeldhouwwerk komt voor aan de kapitelen (vroege voorbeelden: de kapitelen van de abdij St. Germain-lesPrés in het MuséeCluny te Parijs, 990-1014, van St.Bénigne te Dijon 1001-1017 en te St. Benoït-sur-Loire, tegen 1070), verder aan de kerkportalen en wel in het hoogveld, aan de deurkalf, aan de portaalbogen en tenslotte tegen de middendam en tegen de portaalwanden. Soms komt beeld-houwkunst voor tegen de fagaden aan, veelal onder ar¬caden, nl. in het Midden W. van Frankrijk. Reeds zeer vroeg, nl. 1020, treffen wij een deurkalf aan met figuren onder bogen (Christus en de apostelen) aan te St. Genisles-Fontaines (Pyrénées orientales).

Tot omstreeks 1080 heeft de romaanse beeldhouw¬kunst in Frankrijk het karakter van een voorbereiding. Dan ontwikkelt zich een grote bloei en wel het eerst in het Z. Wij kunnen nu verschil-lende scholen onderscheiden:

1. Languedoc. Te Toulouse bezit de kerk van St. Sernin figuren in reliëf van het einde van de 11de eeuw en portalen met beeldhouw¬werk aan de N. en de Z. zijde. Van de kapittelzaal bij de cathedraal zijn apostelbeelden in reliëf afkomstig (lste helft 12de eeuw) en van het klooster van Notre Dame de la Daurade een reeks kapitelen (museum te Toulouse). Belangrijk beeldhouwwerk bezit de St. Pieterskerk te Moissac. In de kloosterhof vinden we reliëfs met de apostelen en de beeltenis van de in 1072 gestorven abt Durand en voorts een reeks fraai gebeeldhouwde kapitelen (begin 12de eeuw). Aan het kerkportaal is in het hoogveld de verschijning van Christus op de dag des oordeels weer-gegeven, waarbij een miniatuur uit een commentaar op de Apocalypse, van Beatus, is nagevolgd. Ter weerszijden van de ingang zien wij de figuren van Petrus en van Jesaja (vgl. Souillac )en aan de portaalwanden een reeks taferelen, o.a. de geschiedenis van Lazarus en de rijke man.
2. Bourgondië. Een centrum van grote be¬tekenis vormt de abdij van Cluny. De uitgebreide sculp¬turale versiering van het hoofdportaal is verloren gegaan. Bewaard zijn een tiental hoogst merkwaardige kapitelen die o.a. in symbolische figuren de acht tonen van de gregoriaanse zang laten zien (waarschijnlijk 11de eeuw). Te Autun beitelt omstreeks 1120 een meester Gislebertus in het hoogveld van het hoofdportaal van St. Lazare een voorstelling van het laatste oordeel; aan het hoofdportaal van de abdijkerk te Vézelay wordt een voorstelling van het Pinksterfeest aangebracht (gereed 1138). Voorts vinden wij in beide kerken fraaie kapitelen (te Vézelay: taferelen uit het O. en het N.T., episoden uit de levens van heiligen enz.).
3. Auvergne. Hier weinig beeldhouwwerk in steen. Wel echter vaak ge¬beeldhouwde kapitelen, waarin sterk de antieke traditie voortleeft.
4. De school van het Westen (Poitou, Saintonge en Angoumois). Hier vinden wij fa^aden, waartegen het beeldhouwwerk in twee of meer zones, vaak onder arca¬den, is aangebracht (Notre Dame la Grande te Poitiers, cathedraal van Angoulème). Typisch zijn hier ook de por¬taalbogen met figuren.
5. De Provence. Hier leeft sterk de antieke traditie voort (kerk te St. Gilles du Gard, ten dele vóór 1142 gereed; St. Trophime te Arles, ca 1180-1190).
6. Normandië. In hoofdzaak ornamentale versiering.
7. Ile de France. Abt Suger van St. Denis laat de drie portalen van zijn abdijkerk (begonnen 1137) rijk met beeldhouw¬werk versieren: aan het middenportaal in het hoogveld het laatste oordeel en ter weerszijden van de deur reliëfs met de wijze en de dwaze maagden, voor de portaalwanden beelden, die echter verloren zijn gegaan. Wij kennen ze alleen uit tekeningen, die de Montfaucon er in de 18de eeuw naar maakte. Waarschijnlijk werken hier beeldhou¬wers uit het Z. Het laatste oordeel is verwant met eenzelfde voorstelling te Beaulieu en enkele der portaalbeelden ver¬tonen de over elkaar gekruiste benen, die typerend zijn voor de school van Languedoc. Naar het voorbeeld van St. Denis worden tussen 1145 en 1155 de W. portalen van Chartres uitgevoerd. In drie hoogvelden vinden wij achter¬eenvolgens: de hemelvaart, Christus tussen de symbolen der evangelisten en Maria met het Kind, met daaronder enkele bijbehorende taferelen. Voor de portaalwanden staan de beelden van de koningen en de koninginnen van Juda, terwijl aan de kapitelen erboven de gehele geschie¬denis van Christus is uitgebeeld. In de taferelen onder de Madonna (Annunciatie, Visitatie, Geboorte enz.) worden de gebeurtenissen klaar en duidelijk meegedeeld. De por¬taalbeelden zijn strak en recht als zuilen, met gewaden, die nauw tegen de lichamen aansluiten. Als menselijke wezens beschouwd zijn zij levenloos. Tezamen vormen zij een O.T.-ische proloog op het N.T. er boven .

Aan de koninklijke portalen te Chartres bereikt de romaanse beeldhouwkunst haar volle rijpheid. Deze por¬talen, evenals die van St. Denis, zijn van grote invloed in verschillende plaatsen. Portalen te Étampes, Le Mans, St. Loup de Naud en elders sluiten erbij aan. Het St. Annaportaal aan de Notre Dame te Parijs van ca 1165-1170, dat in de 13de eeuw in de gevel wordt aangebracht, geeft in hoofdzaak dezelfde voorstelling te zien als het rechter portaal te Chartres en is onder invloed van het werk aldaar ontstaan. Ook de beeldhouwers te St. Gilles du Gard en te Arles schijnen met de kunst van Chartres bekend te zijn. Late voorbeelden van romaanse portaalbeelden vormen de ‘Salomo’ en de ‘Koningin van Sheba’ (ca 1180), afkom¬stig van de kerk te Corbeil (Louvre).

In Spanje, evenals in Frankrijk, bereikt de romaanse beeldhouwkunst in de 12de eeuw een aanmerkelijke hoogte. Zij bezit zekere autochthone eigen¬schappen, maar vertoont daarnaast de in-vloed van Frankrijk. Voorbeelden van romaanse sculp¬tuur vinden wij aan de cathedraal van Santiago te Com¬postela, aan S. Isidoro te Leon, S. Maria la Real te Sanguese en S. Vicente te Avila. In 1183 werkt te Com¬postela een meester Matteo, die kennelijk een Franse scholing heeft ondergaan.

In Duitsland is werk in brons en goudsmeedwerk van meer belang dan de plastiek in steen. In een vóórromaanse stijl zijn de reliëfs aan de bronzen deuren van de Dom te Hildesheim (voltooid 1015), terwijl antieke reminiscenties voortleven aan de bronzen deuren van de Dom te Augsburg (1ste kwart 11de eeuw). Kort na het midden van de 11de eeuw ont¬wikkelt zich een met de architectuur verbonden beeld¬houwkunst in steen (reliëffiguren van de St. Emmeran te Regensburg, reliëfs te Brauweiler, Münster en Werden). Tussen 1100 en 1120 ontstaat het H. Graf te Gernrode met zijn sculpturale versiering, dat nog geïnspireerd schijnt op kleine kerkelijke kunst (o.a. ivoorwerk). Be-langrijke monumenten vormen de reliëfs in stuc (Ma¬donna, apostelen en de H.H. Benedictus en Bernward) in de St. Michaelskerk te Hildesheim en de daarmede ver¬wante reliëfs (Madonna, Christus en apostelen) te Hal¬berstadt (eind 12de eeuw). Het beeldhouwwerk van het Gallus-portaal aan het Münster te Bazel (van vóór 1185) verraadt invloed van Bourgondië.

In de Nederlanden verdient allereerst het Maasdal de aandacht. Reynier van Hoey vervaardigt in de 1ste helft van de 12de eeuw het fraaie bronzen doopbekken in de St Bartholomeuskerk te Luik, waarin nog voorromaanse stijleigenaardig¬heden vallen op te merken. In de 2de helft van de 12de en het begin van de 13de eeuw ontstaan in deze streek verschillende werken in steen (o.a. een hoogveld met Majestas Domini aan de St. Servaeskerk te Maastricht; delen van een altaar-retabel, in dezelfde kerk, enkele reliëfs, die thans in een portaal van de O.L. Vrouwekerk aldaar zijn ingemetseld, een Madonnareliëf in het mu¬seum te Luik, reliëfs met apostelen uit St. Odiliënberg, nu in het Rijksmuseum te Amsterdam, en gebeeldhouwde kapitelen in de O.L. Vrouwekerk en aan de St. Servaes te Maastricht). Ook Doornik vormt een centrum van beeld¬houwkunst (kapitelen in de cathedraal en portalen aan de N. en Z. zijde ca 1170). Wat apart staat een reliëf met de figuur van Petrus, afkomstig van de Abdij van Egmond van omstreeks 1140 (Rijksmuseum), waarvoor waarschijn¬lijk een Byzantijns ivoor of werk in metaal tot voorbeeld zal hebben gediend. Vermelding verdienen de doopvonten met sculpturale versiering.

Op de Britse eilanden ontwikkelt zich reeds vroeg sculpturale versiering op de stenen kruisen als die te Bewcastle en te Ruthwell. In de tijd der Noormannen ontstaan hoogvelden met beeldhouwwerk, doch por¬talen met wat rijker beeldversiering als te Malmesbury, Rochester en Lincoln komen niet voor het midden van de 12de eeuw voor. Tegen 1160 verschijnen ook in Engeland portaalbeelden en wel te Rochester, waar men werk aan het middenportaal van Chartres schijnt na te volgen.

In Italië is de beeldhouwkunst in de 10de en 11de eeuw feitelijk in verval. Reliëfs uit de 11de eeuw aan de bronzen deuren van S. Zeno te Verona zijn onbeholpen van uitvoering, doch 16 reliëfs aan de¬zelfde deuren uit de 12de eeuw staan op een veel hoger niveau. De tekening is raak en zeker. Zij vertonen een fraai gestileerde gewaadplooiing en bezitten ornamentale schoonheid. In de wijze van uitbeelding zijn zij typisch romaans. Op het gebied der steensculptuur valt in de 10de en 11de eeuw weinig van belang aan te wijzen. In de 12de eeuw vraagt allereerst N. Italië de aandacht. Aan de Dom te Modena voeren een meester Willigelmus met zijn helpers beeldhouwwerk uit (o.a. reliëfs met taferelen uit het O.T., profeten, apostelen en taferelen uit de legende van koning Arthur). Een meester Nicolaus, die Byzantijnse invloed schijnt te hebben ondergaan, werkt aan portalen van de cathedralen van Ferrara (1135). Piacenza en Verona en aan de S. Zeno te Verona, waar hij aan de gevel reliëfs aanbrengt met taferelen uit Genesis en de ge¬schiedenis van Theoderik, terwijl een meester Guillelmus, waarschijnlijk zijn leerling, N.T.-ische taferelen beitelt. De belangrijkste meester in Noord-Italië is Benedetto Antelami, die zowel invloed van de Byzantijnse kunst als van de Franse ondergaat. Hij vervaardigt een kansel voor de Dom te Parma (1178) en voert beeldhouwwerk uit voor het door hem gebouwde Baptisterium aldaar (begonnen 1198). Tenslotte brengt hij de sculpturale versieringen aan de gevel van de cathedraal van Borgo S. Donnino aan, waarbij invloed van de kunst in de Provence aan het licht komt. Beeldhouwwerk te Venetië van de 11de en 12de eeuw heeft een Byzantijns karakter. In de 13de eeuw wordt aan het middenportaal van de S. Marco echter een typisch westers-romaanse beeldversiering aangebracht (o.a. alle¬gorie van het menselijk leven en de maanden van het jaar).

Z. Italië, Rome en Umbrië hebben in deze eeuwen vrij¬wel geen monumentale beeldhouwkunst van betekenis. Waar portaalsculptuur verschijnt (Bari, Trani, Troja) is deze bescheiden. Het sterkst ontwikkelt zich beeldversie¬ring aan het kerkmeubilair. Van belang zijn de bronzen deuren in Z. Italië. Barisanus van Trani vervaardigt deuren met uit slechts enkele vormen gegoten en daardoor telkens herhaalde reliëfs (Trani 1170, Ravello 1179, Monreale 1186). Bonannus van Pisa echter, die in 1180 een deur aan de Dom te Pisa aanbrengt en in 1186 een deur voor Mon¬reale maakt, geeft zelfgemodelleerde, doch wat ruwe re¬liëfs. Tenslotte vinden wij aan de cathedraal van Beneventum een deur met 72 reliëfs, waarvan 43 N.T.-ische voorstellingen vertonen. Op instigatie van Frederik II (1194-1250) ontstaat in de 13de eeuw een beeldhouwkunst, waarbij de antieken op verrassende wijze worden nage¬volgd (sculptuur van de afgebroken triomfpoort te Capua).

In Toscane ontwikkelt zich allereerst te Pisa een beeldhouwersschool, waarin Noorditaliaanse en Byzantijnse in¬vloeden elkaar ontmoeten (beeldhouwwerk van het Battistero te Pisa). Daarnaast mogen Pistoia en Lucca worden genoemd.

III.DE GOTHIEK TOT CA 1400 Buitengewoon rijk ontwikkelt zich de beeldhouwkunst in het laatst van de 12de eeuw en in de 13de eeuw aan de cathedralen van Frankrijk. Het aantal beelden, dat in die tijd daar ontstaat, is geweldig groot. Nog blijven bouw¬kunst en beeldhouwkunst met elkaar verbonden, groeien beide als het ware samen op, waarbij de eerste tot funda¬ment van de laatste dient, de plastiek een bijbehorend onderdeel van het architectonisch kunstwerk vormt. De leiding over bouwwerk en beeldhouwkunst heeft de bouw¬meester, de maître de l’oeuvre. Een kleiner of groter aan¬tal beeldhouwers voert het beeldhouwwerk uit volgens een vast opgesteld plan. De beelden worden vervaardigd in de ateliers en vervolgens op hun plaats aangebracht. Zij worden beschilderd, doch deze beschildering is voor ons verloren gegaan. Het iconografisch programma, dat aan een dergelijke beeldversiering ten grondslag ligt, om¬vat vrijwel het gehele middeleeuwse weten, zoals wij dit in de literatuur samengevat vinden in Vincentius van Beauvais’ (gest. 1264) ‘Spéculum Majus’. Dit werk bestaat uit vier boeken: een spiegel van de natuur, een spiegel van de wetenschap, een spiegel van de moraal en de geschie¬denis van de mensheid. Aan de cathedraal vinden wij de natuur weergegeven in de vorm van dieren, planten, de vier elementen en taferelen uit de dierfabels, de weten¬schap in de gedaante van de zeven vrije kunsten (trivium en quadrivium), de tekens van de dierenriem en taferelen, die de werkzaamheden in de verschillende maanden van het jaar voorstellen, de moraal hoofdzakelijk in de perso¬nificaties van deugden en ondeugden en tenslotte de geschiedenis van de mensheid in een grote hoeveelheid beelden en reliëfs, die voornamelijk betrekking hebben op het O. en het N.T. en de geschiedenis der heiligen. De geschiedenis van de mensheid wil in deze tijd zeggen de geschiedenis van het Christendom en van de kerk, van de zondeval tot het laatste oordeel. Voorstellingen uit de profane geschiedenis komen slechts sporadisch voor.In het centrum van de beeldversiering staat de figuur van Christus en de door Hem gebrachte verlossing. In de 13de eeuw krijgt Maria echter een vrijwel even belangrijke plaats toebedeeld.

Van deze gehele beeldversiering staat geen onderdeel op zichzelf. Ieder beeld, ieder reliëf, kan slechts worden begrepen in verband met het grote geheel. Tezamen geven zij uitdrukking aan een cosmische idee. Zij hebben tot doel de gedachte van de beschouwer te richten op een boven¬zinnelijke wereld (de materialibus ad immaterialia). In deze beeldversiering ligt een diepe symboliek opgesloten. Bij de samenstelling van het iconografisch programma neemt men tot uitgangspunt liturgische geschriften, predicaties en geestelijke spelen, zoals deze in Kerst- en Paastijd worden opgevoerd. Tot de geraadpleegde preken behoort o.a. de verzameling samengesteld door Honorius van Autun (begin 12de eeuw) voor wie Teder schepsel de schaduw (is) van de waarheid en van het leven’.

Zo ziet men in de adder een zinnebeeld van de zonde, in de basiliscus dat van de dood, stellen de vijf dwaze maagden de begeerten der zinnen voor, de vijf wijze de vijf vormen van contemplatie enz. In de gehele M.E. trekt men een parallel tussen de gebeurtenissen in het O.T. en die in het N.T., waarbij de eerste als voorlopers en aan¬kondigers van de laatste worden beschouwd. Tegenover de oftering van Izaak staat de kruisdood van Christus, tegenover de redding van Jonas uit de walvis de opstan¬ding uit de doden. In de 12de eeuw wordt het iconografisch programma verrijkt en verdiept en het is vooral ook dank zij abt Suger van St. Denis, dat de zin voor symboliek in die tijd sterk herleeft.

De beeldversiering aan de cathedralen is, zoals wij aan de W. portalen van Chartres zagen, aanvankelijk nog in romaanse stijl uitgevoerd. Omstreeks 1170-1180 schijnt in Frankrijk echter een nieuw leven door de strakke romaanse beelden te stromen. Er treedt een nieuwe stijlperiode in, de gothische. De beelden geven nu niet langer alleen uitdrukking aan begrippen, zij stellen menselijke wezens voor, wier houdingen, bewegingen, gedragingen voortvloeien uit hun gevoelens en emoties. Zij verbreken hun isolement, worden zich bewust van de wereld om zich heen, krijgen contact met elkaar en met de toeschouwer. De strakheid, het schema¬tische is verbroken. In de voorstellingen wordt een over-springen van gedachten en gevoelens aanschouwelijk ge¬maakt. Voor de verstandelijk af te lezen voorstelling komt het tafereel, dat door de toeschouwer mee kan worden beleefd.

Fris en spontaan openbaart zich deze nieuwe kunst aan het W. portaal te Senlis (1180-1190) — het eerste portaal, dat geheel aan Maria gewijd is — i.h.b. in de zeer gevoelige voorstelling van Maria’s herrijzenis in het hoogveld. Rijker en veel omvangrijker ontplooit zij zich dan aan de dwarsschipportalen te Chartres, waaraan men na de brand van 1194 begint. Hier is de N. zijde gewijd aan het O.T. (afb. blz. 94) en het leven van Maria, de Z. zijde aan de heiligen van de kerk en Christus’ laatste oordeel. Geleidelijk zien wij hier de zin voor de wer¬kelijkheid toenemen, de figuren winnen aan menselijkheid. Tot volle rijpheid komt deze kunst met de prachtige groep van de Visitatie aan de N. zijde, met de kloeke en zeer menselijke gestalten van de H. Joris en de H. Theodorus aan de Z. zijde (ca 1225-1230). Met liefde wordt vaak in¬gegaan op details van kleding en versiering. Met fijn gevoel wordt de psyche van sommige der voorgestelden tot uitdrukking gebracht. Tussen 1225 en 1250 worden nog voorportalen aangebracht, die eveneens met beeld¬houwwerk zijn gesierd.

Aan de cathedraal van Parijs zijn de portaalbeelden in de 19de eeuw door nieuwe vervangen. Uit de 13de eeuw dateert echter het beeldhouwwerk aan de hoogvelden en de portaalbogen van middenportaal en iinkerportaal. Het laatste (van ca 1210-1220) geeft in een welafgewogen com¬positie op indrukwekkende wijzeMaria’s hemelvaarten kro¬ning te zien, het eerste (ca 1225-1230) vertoont in talrijke figuren een voorstelling van het laatste oordeel. Aan de N. dwarsarm vinden wij een hoogveld (ca 1250) met tafe¬relen uit Christus’ jeugd en de legende van Theophilus en tegen de middendam een prachtige majestueuze Madonna, aan de Z. dwarsarm, die het jaar 1258 draagt, de geschie¬denis van Stefanus en taferelen uit het studentenleven . Van ca 1270 is het meer schilderachtig behandelde beeldhouwwerk aan de Porte Rouge aan de N. zijde. Na 1296 ontstaan de zeer schilderachtige reliëfs met taferelen uit het leven van Maria aan de kapellen om het koor.

Van 1220 af is men bezig aan de W. gevel van de cathejiraal te Amiens, waarvan het beeldhouwwerk iconogra¬fisch en stylistisch een prachtige eenheid vormt. Aan het middenportaal staat de verheven en toch zo diep mense¬lijke Christus, de ‘Beau Dieu’ van Amiens met ter weers¬zijden de apostelen. Men schrijft dit beeld en de meeste der apostelen wel toe aan de meester, die het hoogveld van het Mariaportaal te Parijs uitvoerde. Uitvoerig wordt het laatste oordeel verteld. Het linkerportaal is aan de H. Firminus gewijd, het rechter aan Maria.

Te Reims vinden wij aan hetN. dwarsschip (het portaal van St. Sixtus) beelden, verwant met sommige aan hetZ. dwarsschip te Chartres, terwijl een ander portaal aan de N. zijde van de kerk apostelbeelden laat zien, in op antieke sculptuur geïnspireerde gewaden. Het beeldhouwwerk aan de W. gevel, ten dele reeds gereed, voor men aan de bouw begint, vormt in veel mindere mate een eenheid dan dat te Amiens. Wij kunnen hier duidelijk het werk van een viertal meesters onderscheiden, waarvan er twee tevoren te Amiens werkzaam geweest schijnen te zijn. Op¬merkelijk zijn de beide sterk geantiekiseerde figuren van Maria en Elisabeth, die de groep van de Visitatie vormen. Het meest persoonlijke karakter heeft wel het werk van de z.g. Meester van de H. Jozef, die o.a. Jozef in de groep van de voorstelling in de tempel, de engel van de Annun¬ciatie (afb. blz. 376) en een engel aan het linkerportaal (de vermaarde Sourire de Reims) maakt. Hij laat zijn figuren zich wat ter zijde wenden, waardoor prachtige lange gewaadplooien voor de benen komen te vallen, terwijl om de mond een lichte, soms haast wat spottende glimlach speelt. Wij vinden zijn invloed terug in verschillende figuren te Reims, doch ook elders. Eenzelfde houding en gewaadplooiing vertoont o.a. de reeds bovengenoemde Madonna aan de N. zijde van de Notre Dame te Parijs. Wat gemanië¬reerd wordt zijn kunst herhaald in de ‘ Vierge Dorée’ aan de Z. zijde van de cathedraal te Amiens. Aan het Z. transept te Reims ontstaan de bekende beelden van de ‘Ecclesia* en de ‘Synagoge’ (het eerste is tijdens deeerste wereldoorlog vernield).

Wij kunnen hier niet ingaan op het beeldhouwwerk aan andere cathedralen, als dat te Sens, te Laon, te Bourges te Auxerre, te Rouen. Vooral in de 2de helft van de 13de eeuw toont men een zekere voorliefde voor het aanbrengen van kleine bas-reliëfs.

Het beeldhouwwerk te Straatsburg heeft enerzijds een zeker autochthoon karakter, maar is anderzijds door talrijke draden verbonden met dat te Chartres, te Reims en te Parijs. Aan het Z. dwarsschip ontstaat een Maria¬portaal, waaraan tevens het idee van het laatste oordeel is verbonden, o.a. tot uitdrukking komend in de ver¬maarde ‘Engelpijler’ (met engelen en evangelisten), in het dwarsschip aangebracht. De beelden van ‘Ecclesia’ en ‘Synagoge’, afkomstig van dit portaal (thans in het mu¬seum) verraden de invloed van Reims. Van 1280 af werkt men aan de versiering van de W. gevel (deugden mef ondeugden onder de voeten, wijze en dwaze maagden, profeten), waarin men omstreeks 1300 een nieuwe tendenz naar abstraheren kan opmerken.

In de 14de eeuw worden omvangrijke werken als in de voorafgaande periode ontstaan zijn, niet meer onder¬nomen. Men zet echter voort, wat onvoltooid is gebleven. Beeldhouwwerk van belang ontstaat o.a. nog aan de cathedraal van Bordeaux, terwijl ook de fraaie apostelen uit de kapel van het Collége de Rieux, nu in het museum te Toulouse, mogen worden genoemd. De opdrachten worden van andere, meer bescheiden aard, terwijl ook de opdrachtgevers niet meer dezelfde zijn als voorheen. Verlangd wordt de versiering van afzonderlijke kapellen, van een bepaald portaal. Daarnaast neemt de grafsculptuur toe in belangrijkheid. De band tussen architectuur en sculptuur wordt losser. Het enkele beeld wint aan bete¬kenis. Het persoonlijke element komt in de kunst meer naar voren. Eensdeels streeft men naar sterker stilering — madonna’s zien wij vaak de oversierlijke S-vorm aan-nemen — anderdeels doet zich een verlangen naar rea¬lisme voor en dit wel het meest opmerkelijk in de graf¬beelden, waarvan de koppen soms uitgesproken indivi¬duele trekken gaan vertonen. De grafsculptuur kunnen wij het best bestuderen in de abdijkerk te St. Denis, waar wij verschillende graven aantreffen. Zeer individueel behandelde figuren worden omstreeks 1375 aangebracht tegen de N. toren van de cathedraal te Amiens (o.a. het beeld van de raadsman van Karel V, Bureau de la Rivière). Van een onopgesmukte weergave van de werkelijkheid getuigen de beelden van Karel V (1364-1380) en Jeanne de Bourbon, afkomstig van de kerk der coelestijnen te Parijs (Louvre), die worden toegeschreven aan Jean de Liége. De belangrijkste beeldhouwer is in die tijd wel André Beauneveu van Valenciennes, die voor Karel V grafmonumenten uitvoert te St. Denis.

In Spanje wordt in sterke mate de Franse Gothiek op¬genomen. Voorbeelden van gothische beeldhouwkunst vinden wij er o.a. te Leon, Burgos en Tarra¬gona.

In Duitsland blijft de romaanse stijl voortleven tot aan het 2de kwart van de 13de eeuw. Aan de Dom te Bamberg vinden wij omstreeks 1230 een school van beeldhouwers bezig, die nog in een laatromaanse stijl werken. Zij voeren o.a. de bekende apos¬telen en profeten van het St. Joris-koor uit (afb. blz. 159). Weldra dringt echter de invloed van de Fr. Gothiek Duits¬land binnen. Een jongere school van beeldhouwers te Bamberg, die o.a. aan het Vorstenportaal werkzaam is en de ‘Maria’ en ‘Elizabeth’ in de Dom uitvoert, blijkt vooral de invloed van de kunst te Reims te hebben ondergaan. Ook portaalsculpturen te Freiberg i. S., te Maagdenburg (o.a. de wijze en de dwaze maagden), te Münster i.W. en te Paderborn verraden de bekendheid met Fr. kunst. Sterk Fr. zijn beelden aan de O.L. Vrouwekerk te Trier, terwijl de meester, die het levendig behandeld beeldhouwwerk aan de zangerstribune in de Dom te Naumburg uitvoert, een Fr. scholing schijnt te hebben ondergaan. Opmerkelijk individualistisch zijn de vermaarde beelden van de stich¬ters in de Naumburgse Dom behandeld.

Op de beeldhouwkunst van Z. D. oefent Straatsburg grote invloed uit. Het beeldhouwwerk aan het W. portaal en in de voorhal van de Münsterkerk te Freiburg i. Br. (ca 1300) is van de Straatsburgse sculpturen afhankelijk. Een Fr. scholing moet de meester hebben ondergaan, die de slanke, zeer decoratieve apostelen uitvoert in het koor van de Keulse Dom (na 1320).

Omstreeks het midden van de 14de eeuw ontstaat beeld¬houwwerk te Gmünd en te Rottweil van een tamelijk benepen en provinciaal karakter. Ook beeldhouwwerk te Neurenberg uit deze eeuw aan de Sebalduskerk en de Lorenzkerk is niet meer dan middelmatig. Te Münster i. W. mogen worden genoemd de beelden van Maria en de twaalf apostelen, afkomstig van de Überwasserkirche (ca 1380). Een belangrijke plaats neemt in D. het beeld¬houwwerk in hout in: kruisbeelden, madonna’s, kruisigingsgroepen, sinds het eind van de 13de eeuw ook de Piëta enz. Genoemd mag ook worden het beeldhouwwerk aan verschillende koorbanken, in het bijzonder dat in de Keulse Dom (ca 1330).

Een opmerkelijke artistieke bedrijvigheid openbaart zich in de laatste drie decennia van de 14de eeuw te Praag, waar leden van de familie Parler werkzaam zijn. Merkwaardig zijn er o.a. de zeer indivi-dualistisch behandelde portretbustes aan het triforium van de Dom.

In de Nederlanden valt weinig aan monumentale beeld¬houwkunst aan te wijzen. Het Bergportaal aan de St. Servaes te Maastricht (ca 1250), een navolging van het W. portaal te Senlis, is zeer sterk vernieuwd. Beeldhouw¬werk uit de 14de eeuw vinden wij o.a. te Doornik, te Dinant, te Hoei (portaal aan de O.L. Vrouwekerk, laatste kwart 14de eeuw) en te Luik (kroning van Maria aan de St. Jacobskerk, tegen 1380). In het N. mogen worden genoemd enkele sculpturale versieringen aan de Utrechtse Dom en een paar graftombes (o.a. die der Van Arkels te Gorcum en die van Arnoud van der Sluys in het Rijks¬museum).

Ook in Engeland wordt in de 13de eeuw aan de cathedralen beeldhouwkunst aangebracht, doch niet op zo uitgebreide schaal als in Frankrijk. Veel van dit beeldhouwwerk heeft een min of meer deco¬ratief karakter. Vaak komen wij in de kerk boogzwikken met sculpturale versiering tegen, zo o.a. te Lincoln, in Westminster Abbey te Londen (ca 1255). te Salisbury (ca 1270). Gevelsculptuur is in E. schaarser dan in Fr.

Rijke versiering vinden wij echter aan de gevel van de cathedraal te Wells (ontstaan tussen 1220 en 1242), waar¬aan wij een reeks beelden onder arcaden aantreffen en aan de gevel van de cathedraal te Exeter (ontstaan tussen 1330 en 1375). Belangrijk is in de 14de eeuw de grafsculptuur in E. Vooral in de 2de helft van de 14de eeuw krijgt de beeldhouwkunst in albast een grote verbreiding. Van belang voor de productie hiervan zijn de ateliers van Nottingham.

In Italië komt omstreeks het midden van de 13de eeuw Toscane vooraan te staan. In verschillende steden werkt Guido Bigarelli da Como (van hem o.a. een preekstoel in deS. Bartolommeo in Pantano te Pistoia), die naar meer levendigheid in de wijze van uit¬beelden en sterker gevoelsuitdrukking streeft. Uit Z. It. komt Niccolö Pisano (ca 1215-1280). Hij heeft van de Byzantijnse kunst iconografische motieven overgenomen en van de Fr. Gothiek decoratieve elementen, doch ziet vooral naar de antieke sculptuur, zowel terwille van de technische behandeling, als om er nieuwe uitdrukkings¬middelen aan te ontlenen. Van 1259 is zijn preekstoel in het Baptisterium te Pisa, in 1269 voltooit hij met (hel¬pers) een preekstoel in de Dom te Siena. Aan zijn laatste werk, een fontein te Perugia, werken mee zijn zoon Giovanni en Arnolfo di Cambio. Giovanni Pisano (ca 1250¬1323) geeft een meer dramatische, feller bewogen kunst dan zijn vader. Hij heeft kennis gemaakt bovendien met de Fr. Gothiek en is daardoor beïnvloed. Hij werkt aan de gevel van de Dom te Siena , doch is tegelijkertijd voor Pisa werkzaam. In 1301 voltooit hij een preekstoel te Pistoia, in 1312 een preekstoel voor de Dom te Pisa. Uit Giovanni’s school komt Tino di Camaino. In N. It. verbreidt Giovanni di Balduccio de Pisaanse kunst.

Te Florence voert Arnolfo di Cambio, die tevens bouw¬meester is, met zijn leerlingen en helpers beeldhouwwerk uit voor de gevel van de Dom (die in 1587 zal worden afgebroken). Andrea da Pontedera, gen. Andrea Pisano (ca 1290-1343) begint in 1330 aan zijn bronzen deuren voor het Baptisterium te Florence, die in 20 overzichtelijk en harmonisch gecomponeerde taferelen de geschiedenis van Johannes de Doper laten zien, terwijl 8 reliëfvelden gevuld zijn met allegorische figuren van deugden. Andrea Oreagna, schilder en beeldhouwer, beitelt het marmeren tabernakel voor Or S. Michele (1348-1359). Een omvang¬rijke versiering in reliëf wordt aangebracht aan de gevel van de Dom te Orvieto. Waarschijnlijk is zij ontworpen door de Sienees Lorenzo Maitani (bouwleider sinds 1310) en door hem gedeeltelijk ook uitgevoerd. Verschillende stijlrichtingen zijn in dit werk te onderkennen, o.a. die van Andrea Pisano. Andrea’s zoon, Nino Pisano, keert naar Pisa terug, waar hij verschillende werken uitvoert.

In N. It. werken in verschillende steden als Milaan, Verona e.a. de Campionezen, afkomstig van het meer van Lugano. Te Venetië vinden wij leden van de familie dalle Massegne aan het werk. Van de in het N. ontstane werken mogen wij de graven der Scaligers te Verona noemen.

IV. DE VROEGE RENAISSANCE IN ITALIË De ontwikkeling, die wij in de 14de-eeuwse beeldhouwkunst opmerkten — een zich losmaken van de architectuur, een meer zelfstandig worden van het enkele beeld, een streven naar realisme en naar sterkere persoonlijke uitdrukkings¬wijze — leidt naar een vernieuwing, die zich kort na 1400 voltrekt. In het N. loopt de bovengenoemde ontwikkeling uit op Sluter, op wiens werk wij straks nog terugkomen. In het Z. brengen te Florence enkele geniale kunstenaars een geheel nieuwe kunst, waarbij wordt gebroken met de overgeleverde vormen om in de waargenomen werkelijk¬heid een uitgangspunt voor het kunstzinnig scheppen te vinden. In de beeldhouwkunst wordt het menselijk lichaam niet langer verborgen achter de sierlijke en soms gekunstelde plooival van het gewaad. Men beijvert zich de structuur ervan te doen uitkomen en waar de kleding over het lichaam valt, accentueert deze er veeleer de op¬bouw van, dan dat zij hem verbergt. Bij dit nieuwe streven ziet men vaak naar voorbeelden uit de Oudheid. Het zou echter onjuist zijn de studie der antieken als oorzaak van de stijlverandering te beschouwen en van een wederont¬dekking der classieke beeldhouwkunst te spreken. Deze was nimmer aan het oog onttrokken geweest en werd ook in de M.E. nagevolgd. Doch waar men vroeger een plooi¬val een lichaamshouding, een enkel detail overnam, zoekt men nu naar de innerlijke wetten, die aan de antieke sculptuur ten grondslag liggen. De vernieuwing in de kunst heeft tot gevolg, dat men de antieken met andere ogen ziet, er meer begrip voor heeft.

In 1401 wordt een prijsvraag uitgeschreven voor een bronzen deur voor het Baptisterium te Florence. Van de ingeleverde proefstukken, een reliëf met Izaaks offering, zijn er twee bewaard (afb. blz. 276), nl. dat van Lorenzo Ghiberti (1378-1455) en van Filippo Brunelleschi (1377¬-1446). Ghiberti toont in zijn werk nog een zekere voor¬liefde voor het zachtvloeiende der gothische vormen. Brunelleschi’s reliëf is realistischer en getuigt van groter dramatische spanning. Niettemin krijgt Ghiberti de op¬dracht voor de deur, die hij tussen 1403 en 1424 met ver¬schillende helpers uitvoert. Zij sluit in opzet aan bij de deur van Andrea Pisano. In 28 reliëfs zijn taferelen uit de geschiedenis van Christus, de vier evangelisten en de vier kerkvaders uitgebeeld. Tussen 1425 en 1452 vervaardigt Ghiberti een tweede deur, thans van een ander karakter. In tien reliëfvelden zijn O.T.-ische taferelen weergegeven tegen een landschap- of architectuurachtergrond.

In de laatste twintig jaren van de 14de en het begin van de 15de eeuw heerst in Florence vrij grote bedrijvigheid op het gebied der beeldhouwkunst. Onder meer worden beelden gemaakt voor de gevel van de Dom, terwijl in deze tijd ook aan de versiering van de Porta della Mandorla aan de N. zijde van de kerk wordt gewerkt. Van de verschillende toen werkzame beeldhouwers noemen wij slechts Nanni di Banco (1374-1420; beeld van Lucas voor de gevel, 1414). Uit deze dombouwhut komt nu voort Donatello (1386-1466), de geniale vernieuwer, die richtinggevend zal werken op de beeldhouwkunst van Florence, doch ook daarbuiten. Hij is volbloed realist, geeft het enkele beeld een volkomen zelfstandig karakter en drukt op elk van zijn scheppingen zijn zeer persoonlijk stempel. Omstreeks 1413-1415 ontstaat zijn‘Johannes de Evangelist’ voor de gevel van de Dom, een krachtige, innerlijk bewogen figuur, tussen 1416 en 1420 zijn St. Joris, voor een der nissen van Or S. Michele, een fiere en kloeke ridder. Sterk realistisch, soms echte volkstypes, zijn de beelden van profeten, die hij voor de Campanile maakt (de laatste, Habakuk, voltooid 1436). Een bezoek aan Rome, samen met Brunelleschi, waarvan hij in 1433 terug¬keert, versterkt in hem de invloed der antieken. Omstreeks die tijd is zijn bronzen David ontstaan. Na zijn reis maakt hij een marmeren zangerstribune voor de Florentijnse Dom, waaraan hij een wilde stoet van dansende en zingende putti aanbrengt. Van 1443 tot 1453 verblijft hij te Padua, waar hij een altaar voor het Santo en het ruiterstandbeeld van de Condottiere Gattamelata uitvoert. In zijn laatste levensjaren ontstaan enkele sterk realistische en zeer aangrijpende werken.

In Siena is Jacopo della Quercia (1374-1438) een ver¬nieuwer, al breekt hij minder sterk met het trecento dan Donatello. Zijn figuren zijn sterk bewogen en vol expres¬sie. Te Siena voert hij het beeldhouwwerk aan de Fonte Gaya uit (1409) en vervaardigt hij het doopbekken voor het Baptisterium, waarvoor ook Ghiberti, Donatello en Giovanni Turini reliëfs leveren, te Bologna werkt hij aan het hoofdportaal van de S. Petronio.

Te Florence is Luca della Robbia (1399-1482) zachter en milder van aard dan Donatello. Hij toont zich een voortreffelijk meester in een marmeren zangerstribune, die tegenover die van Donatello een plaats moest vinden en is voorts vooral bekend door zijn werk in geglazuurd terracotta, meest in witte en blauwe kleur. Zijn werkplaats wordt voortgezet door zijn neef Andrea della Robbia (1435-1525) en vervolgens door diens zoon Giovanni. Medewerker van Donatello is Michelozzo di Bartolommeo (1396-1472), terwijl ook Agostino di Duccio (1418-1481), die reeds vroeg Florence verlaat — hij werkt o.a. te Rimini — Donatello’s invloed ondergaat. Bernardo Rossellino (1409-1464) voert het zeer harmonieuze wand¬graf van Leonardo Bruni in de S. Croce te Florence uit. Zijn broer Antonio Rossellino (1427ca 1478), realist als Dona¬tello, verliest zich soms iets te veel in details (graf van de kardinaal van Portugal in S. Miniato bij Florence). Ook Desiderio da Settignano (1428-1464) gaat van Donatello uit. Zijn werk ademt een bijzondere frisheid, is smaakvol en gevoelig (graf van Carlo Marsupini in S. Croce te Florence, de z.g. ‘Marietta Strozzi’ te Berlijn). Zijn leer¬ling is Mino da Fiesole (1431-ca 1484), wiens werk een wat droog, bijna fabriekmatig karakter bezit. Bij Desiderio zowel als bij Ant. Rossellino knoopt aan Benedetto da Majano (1442-1497), een uitnemend marmerbewerker (o.a. kansel in de S. Croce te Florence). Te Lucca werkt Matleo Civitali (1436-1501).

Antonio Filarete (ca 1400ca 1469), die mee schijnt te hebben gewerkt aan Ghiberti’s eerste deur, maakt een bronzen deur voor St. Pieter te Rome.

Van de bronsgieters is Bertoldo di Giovanni (1420-1491) een leerling van Donatello uit diens latere jaren. Antonio Pollaiuolo (1429-1498; vgl.afb. blz. 186) goudsmid, brons¬gieter en schilder, die samen met zijn broer Piero een groot atelier leidt, geeft zijn figuren een sierlijk, zelfs wat gerekt karakter. Van hem zijn o.a. de graven van Sixtus IV en InnocentiusVIII te Rome.Ook Andrea del Verrocchio (1435¬1488), een veelzijdig kunstenaar en leermeester o.a. van Leonardo da Vinci is van huis uit goudsmid. Zijn bronzen David is verfijnder, precieuzer dan die van Donatello, in overeenstemming met de meer wereldse geest en de grotere luxe in de 2de helft der 15de eeuw. Voor een der nissen van Or S. Michele te Florence maakt hij een groep van Christus en Thomas, voor Venetië het machtige ruiter¬standbeeld van de Condottiere Colleoni.

Te Siena werken o.a. de Turini's, Antonio Federighi (ca 1420-1490), Lorenzo Vecchietta (1412-1480), de veel¬zijdige Francesco di Giorgio Martini (1439-1502), beeld¬houwer, bouwmeester en schilder, en Giovanni Cozzarelli. In Padua doet zich sterk de invloed van Donatello’sFrankrijk en de Neder¬landen Vlaanderen uit en een Calvarieberg, waarvan het voet¬stuk met zes prachtig gekarakteriseerde profetenfiguren (de z.g. Mozes-put)eneen deel van het kruis¬beeld bewaard zijn gebleven. Tenslotte be¬gint hij aan de graftombe van de hertog met de indrukwekkende stoet der ‘pleurants’, een werk, dat echter door zijn neef Claes van de Werve wordt voltooid. Sluter maakt de beelden geheel los van de architectuur, brengt hun innerlijke bewogen¬heid op sprekende wijze tot uitdrukking en drapeert de gewaden op natuurlijke wijze over de lichamen. Sluit hij enerzijds een voorafgaande ontwikkeling af, anderzijdsstaat hij aan de ingang van een nieuwe tijd. De graftombe van Jan zonder Vrees, een navolging van die van Filips de Stoute, wordt wel bij Claes van de Werve besteld, maar hij is er nooit aan begonnen. Zij wordt na 1443 uitge¬voerd door Jean de Huerta en Antoine le Moiturier, welke laatste het werk in 1470 voltooit. De traditie van Sluters kunst leeft omstreeks het midden van de 15de eeuw voort te Bourges. In de tweede helft van de 15de eeuw verliest Bourgondië aan betekenis tegenover Midden-Fr. (het Loire-bekken; beelden in de slotkapel te Chateaudun, 1464, graflegging te Solesmes, 1496). Uitdeze Loire-school komt Michel Colombe (ca 1430-ca 1512; graf van Frans II van Bretagne te Nantes: 1502-1507).

In het laatste decennium van de 14de eeuw vervaardigt Jacob de Baerze van Dendermonde te Dijon twee houten retabels, met gestileerde figuren, nog geheel volgens de oude 14de-eeuwse traditie. Een 14de-eeuws karakter hebben ook de beelden van de Madonna en van de drieverblijf gelden. Bartolommeo Bellano, die met Donatello meegaat naar Toscane, keert in 1469 te Padua terug. Zijn leerling Andrea Riccio (1470-1532) is vooral bekend door zijn kleine bronzen figuren. Te Milaan wordt de Dom met beeldhouwwerk gesierd. Te Modena geeft Guido Mazzoni (1450-1518) uiterst naturalistische groepen in gekleurd terracotta (o.a. Bewening in de S. Giovanni). Van het meer van Lugano komen de Gagini's, die vooral te Genua werken. De belangrijkste Lombardische beeld¬houwer is echter Giovanni Antonio Amadeo (1447-1522), die te Pavia (aan de Certosa), te Milaan en te Bergamo (de Colleoni-kapel) werkt. Te Venetië zijn in de eerste helft van de 15de eeuw leden van de familie Buon werk¬zaam (Porta della Carta van het Dogenpaleis). Na hen komt de Veronees Antonio Rizzo (ca 1430-ca 1497). Het meest belangrijk zijn Pietro Lombardo (ca 1435-1515) en zijn zoons Antonio (gest. ca 1516) en Tullio Lombardo (gest. 1532) (graven in de S.S. Giovanni e Paolo te Venetië).

Te Rome werken veelal kunstenaars uit andere plaatsen, o.a. Andrea Bregno, Mino da Fiesole, Luigi Caponi (leer¬ling van Amadeo) en Giovanni Dalmata. Francesco Laurana uit Dalmatië (ca 1423-1502) werkt o.a. te Napels, op Sicilië en in Z. Fr. Bekend zijn de portretbustes van zijn hand.

v. DE 15DE-EEUWSE BEELDHOUWKUNST

BUITEN ITALIË Claus Sluter (gest. 1406), afkomstig van Haarlem, schijnt enige jaren te Brussel gewerkt te hebben voor hij in 1385 te Dijon verschijnt. In 1389 volgt hij Jean de Marville op als hofbeeldhouwer. Hij voert de portaalsculptuur van de Chartreuse te Champmol met de zeer naturalistische portretten van Filips de Stoute en Margaretha van Vlaanderen uit en een Calvarieberg, waarvan het voetstuk met zes prachtig gekarakteriseerde profetenfiguren (de z.g. Mozes-put) en een deel van het kruisbeeld bewaard zijn gebleven. Tenslotte begint hij aan de graftombe van de hertog met indrukwekkende stoet der ‘pleurants’, een werk, dat echter door zijn neef Claes van de Werve wordt voltooid. Sluter m aakt de beelden geheellos van de architectuur, brengt hun innerlijke bewogenheid op sprekende wijze tot uitdrukking en drapeert de gewaden op natuurlijke wijze over de lichamen. Sluit hij enerzijds een voorafgaande ontwikkeling af, anderzijds staat hij aan de ingang van een nieuwe tijd. De graftombe van Jan zonder Vrees, een navolging van die van Filips de Stoute, wordt wel bij Claes van de Werve besteld, m aar hij is er nooit aan begonnen. Zij wordt na 1443 uitgevoerd door Jean de Huerta en Antoine le Moiturier, welke laatste het werk in 1470 voltooit. De traditie van Sluters kunst leeft omstreeks het midden van de 15de eeuw voort te Bourges. In de tweede helft van de 15de eeuw verliest Bourgondië aan betekenis tegenover Midden-Fr. (het Loire-bekken; beelden in de slotkapel te Chateaudun, 1464, graflegging te Solesmes, 1496). Uit deze Loire-school komt Michel Colombe (ca 1430-ca 1512; graf van Frans II van Bretagne te Nantes; 1502-1507).

In het laatste decennium van de 14de eeuw vervaardigt Jacob de Baerze van Dendermonde te Dijon twee houten retabels, met gestileerde figuren, nog geheel volgens de oude 14de-eeuwse traditie. Een 14de-eeuws karakter hebben ook de beelden van de Madonna en van de drie koningen aan de kerk te Halle (eind 14de eeuw). Een op¬merkelijke verwantschap met de sculptuur van de Mozesput bezitten echter profeten, afkomstig van het stadhuis te Brussel (Gemeentemuseum). Zeer expressief en even-eens van een sluteriaans karakter zijn de twaalf fraaie apostelbeelden in de kerk te Halle (ca 1410). Een centrum vooral van grafsculptuur vormt in de 15de eeuw Doornik.

Een aarzelend begin van realisme valt eind 14de eeuw ook op te merken aan het graf van Jan van Polanen in de Grote Kerk te Breda, evenals aan figuren van de tombe van Adolf VI te Kleef. Beeldhouwwerk in steen van zeker belang is in de 15de eeuw echter schaars in ons land. Een centrum vormt Utrecht, waar steensculptuur ontstaat, in het bijzonder voor de Dom. Bijzonder mooi beeldhouw¬werk van omstreeks 1460 (consoles en zwikvullingen) vinden wij er in de kapel van Rudolf van Diepholt, terwijl uit deze zelfde kapel een vijftal beeldjes (o.a. een St. Maar¬ten te paard) afkomstig zijn (Centraal Museum, Utrecht). Al dit werk wordt wel toegeschreven aan de bouwmeesterbeeldhouwer Jacob van der Borch. Van het midden van de 15de eeuw af merken wij her¬haaldelijk in de beeldhouwkunst invloed van de schilder¬kunst op, in het bijzonder van de kunst van Rogier van der Weyden (groep van de Bewening te Soignies, ca 1440¬1450). Van Ned. kunst gaat Nicolaes Gerhaert van Leiden (of van Leyen) (gest. ca 1473) uit. Hij heeft waarschijnlijk beeldhouwwerk te Utrecht leren kennen, ondergaat de invloed van de kunst van Claus Sluter en van Jan van Eyck, alsmede van de sculptuur te Bourges en werkt te Trier (1462), Straatsburg (1463-1467), Passau en Wiener¬Neustadt. Voor Baden-Baden maakt hij een crucifix. Zijn werk is van een indrukwekkend realisme.

Van groot belang is in de Ned. de beeldhouwkunst in hout. In dit materiaal worden de grote altaren met hun meestal gepolychromeerde taferelen gemaakt, waarvan in het Z. verschillende exemplaren bewaard zijn gebleven, zoals de altaren van Hakendover (ca 1430-1435) en van Zoutleeuw (ca 1480) en het St. Jorisaltaar door Jan Borreman gesneden (1493; Jubelparkmuseum te Brussel). Centra voor de vervaardiging zijn Brussel, Antwerpen en ook Mechelen. Vooral in de 16de eeuw worden dergelijke altaren ook naar het buitenland uitgevoerd, tot in Zweden toe. Zij krijgen dan echter een zeer fabriekmatig karakter. Voorts worden in hout losse beelden en beeldgroepen vervaardigd (madonna’s, kruisbeelden, pieté’s en apos¬telen, die men soms voor de zuilen van het schip plaatst, enz.). Tenslotte worden de kerkmeubelen veelal van snij¬werk voorzien, i.h.b. de koorbanken. Voorbeelden hiervan zijn o.a. te Zalt-Bommel (ca 1425), Sittard (ca 1425), in de St. Pieter te Leuven (1438-1442), te Den Bosch (ca 1427ca 1465), Breda (ca 1475), Diest (ca 1490), Bolsward (eind 15de eeuw), Aerschot, Oirschot (1508-1511) en Haarlem (1512). Genoemd mogen hier ook worden de in hout gesneden figuren, meest apostelen en evangelisten, die wij soms in de lichtbeuk, de viering of het koor van een kerk aantreffen (Ilpendam, Bakenesserkerk te Haar¬lem, Nisse in Zeeland). Onze musea bewaren een vrij groot aantal kleinere beelden en bceldgroepjes, die waarschijn¬lijk oorspronkelijk deel hebben uitgemaakt van altaren. Een achttal van dergelijke werkjes, o.a. een groep die het sterfbed van Maria voorstelt (Rijksmuseum), van een uitnemende kwaliteit heeft men op stijlcritische gronden wel toegeschreven aan de Utrechtse Jacob van der Borch. Een drie- of viertal andere exemplaren, o.a. de groep van Joachim en Anna in het Rijksmuseum (afb. blz. 258), beschouwt men wel als werk van een meester uit de 2de helft van de 15de eeuw, die in het W. van ons land, misschien te Haarlem, is werkzaam geweest (de Meester van Joachim en Anna). Ook in Duitsland neemt de hcutsculptuur een belangrijke plaats in. Hans Multscher te Ulm werkt in steen en hout (altaar in hout te Sterzing, 1458). Van Jörg Syrlin en zijn helpers is het rijk versierde koor¬gestoelte in de Dom te Ulm (1469-1475). In 1481 voltooit Michael Pacher het grote altaar te St. Wolfgang, waarvan schilder- en beeldhouwwerk waarschijnlijk beide door hem zijn uitgevoerd. Een belang¬rijk centrum is Neurenberg. Veit Stoss (ca 1447-1533), een temperamentvol meester, die de invloed heeft ondergaan van Nicolaes Gerhaert, werkt te Krakau (1477-1496) en keert in 1496 te Neurenberg terug. Hij werkt in steen, hout en brons (reliëfs aan het koor van de Sebalduskerk, 1499, crucifix in de kerk, 1520). Adam Krafft (gest. ca 1509) is een wat nuchter en benepen beeldhouwer in steen (Sacramentshuisje in de Lorenzkerk te Neurenberg), Peter Vischer (ca 1455-1529), bronsgieter, past na 1500 reeds renaissancemotieven toe in zijn werk. In 1508 begint hij het Sebaldusgraf te Neurenberg, dat hij voltooit met medewerking van zijn zoons, die Italië bezocht schijnen te hebben. Tilman Riemenschneider (ca 1460¬1531), afkomstig uit de Harz, 1483 lid van het gilde te Würzburg, beeldhouwer zowel in steen als in hout, toont zich een gevoelig en lyrisch gestemd kunstenaar.

In Spanje werken in de 15de eeuw Fr., Ned. en D.kunstenaars, bij wie zich Spaanse volgelingen aansluiten. Wij vinden er grote altaarkasten, met een overdaad vaak aan snijwerk. Voorts komen graven voor naar Bourgondisch voorbeeld.

VI. DE HOOG RENAISSANCE IN ITALIË Terwijl de kunst van het quattrocento over het algemeen een ontledend karakter heeft, ontstaat tegen 1500 een streven naar synthese. In de 16de eeuw stelt men zich opnieuw tot doel een wereld weer te geven, die boven de alledaagse uitgaat. Men laat daarbij de waargenomen werkelijkheid niet los, maar schept, gebruik makend van de verworven kennis aangaande lichaamsstructuur, spier-werking e.d., vormen, die edeler, verhevener zijn dan de gewoonweg realistische. De voorgestelde personen be¬zitten veelal een zekere voorname waardigheid, hun hou¬dingen en gebaren zijn groots en schoon. In de beeld¬houwkunst is Michelangelo (1475-1564) een alles over¬heersende figuur. Hij geeft bovenmenselijke gestalten, voortgekomen uit zijn verbeelding en vervuld van de gevoelens, die hemzelf bezielen. Soms schijnen zij vol somber broeiende gedachten, soms van een diepe wee¬moed, soms opstandig tegen aardse banden, die hen gevangen houden. Van grote invloed zijn ook op Michel¬angelo de antieken, maar wat hij aan hen ontleent, vormt hij steeds tot iets geheel eigens om. Hij leert bij Bertoldo, die de antieken-verzameling der Medici beheert, en sluit in zekere zin aanvankelijk dan ook aan bij de 15de-eeuwse donatelliaanse traditie. Maar tevens weet hij ook in zijn vroegste werk reeds een zeer persoonlijk element te leggen (de Madonna aan de Trap, Florence). Te Bologna leert hij della Quercia’s werk kennen. In 1496 gaat hij naar Rome, waar zijn Bacchus (Bargello, Florence) ontstaat en zijn vermaarde Piëta (St Pieter, Rome), waarin hij op aangrijpende wijze de diepe innerlijke smart van Maria weergeeft. Terug te Florence (1501) beitelt hij zijn David (Accademia, Florence), een door goddelijke kracht be¬zielde jonge held, gereed om de strijd te aanvaarden. Omstreeks dezelfde tijd ontstaat een Mattheus (onvol¬tooid gebleven, Accademia, Florence), die men wel een ‘psychische meditatie in marmer’ heeft genoemd. Te Rome krijgt Michelangelo vervolgens van paus Julius II de opdracht een graftombe te maken. Het oorspronkelijke, zeer groots opgezette plan zal echter nooit tot uitvoering komen. Herhaaldelijk wordt het herzien en verkleind. Eerst na 1532 komt het, als wandgraf, gereed (S. Pietro in Vincoli te Rome). De voornaamste figuur er aan is de bekende Mozes. De beide slaven in het Louvre waren, evenals enkele andere beelden, oorspronkelijk voor dit graf bestemd (zie lijst van illustraties buiten de tekst). Te Florence teruggekeerd, richt Michelangelo de Medicikapel op met de graven van Giuliano de Medici, hertog van Nemours, en Lorenzo de Medici, hertog van Urbino. Vooral de beelden van de Avondschemering en de Mor-genstond, de Dag en de Nacht geven op indrukwekkende wijze Michelangelo’s eigen stemming weer. De Madonna in deze kapel met het op haar schoot zich omwendende Kind behoort tot het hoogste, dat ooit werd gebeiteld. In 1534 gaat Michelangelo opnieuw naar Rome, waar hij tot zijn dood blijft. In deze laatste periode van zijn leven ontstaan o.a. een Bewening (Dom te Florence) en de aangrijpende Piëta Rondanini (Rome).

Te Florence vertegenwoordigt Andrea Sansovino (1460-1529) naast Michelangelo de nieuwe richting. Te Rome maakt hij wandgraven in S. Maria del Popolo. Een leerling van Verrocchio, beïnvloed door Leonardo da Vinei, is Giovanni Francesco Rustici (1474-1554), die in 1528 naar Frankrijk gaat. Een leerling van Andrea Sansovino is Jacopo Sansovino (1486-1570), die te Rome aansluiting zoekt bij Michelangelo, doch bovenal bij de antieken. In 1517 komt hij te Venetië, waarde Lombardi en Alessandro Leopardi wel reeds antiekiserend werken, doch waar hij feitelijk de eerste is, die geheel in hoog¬renaissancegeest werkt (beelden van de Loggetta te Venetië). Directe leerlingen van Michelangelo zijn: Rafaello da Montelupo (1505-1567), Montorsoli (1507¬1563) en Guiglielmo della Porta (vóór 1516-1577). Onder zijn invloed staat ook Niccolo Tribolo (1485-1550), leerling van Andrea en Jacopo Sansovino, die van 1525 af te Bologna werkt. Baccio Bandinelli (1493-1560) tracht met Michelangelo te concurreren door in sterke mate de antieken na te volgen. Zijn leerling Barlolommeo Ammanati (1511-1592), die ook te Venetië bij Jacopo Sansovino leert, ondergaat echter wederom Michelangelo’s invloed (Neptunus-fontein te Florence).

Ook Benvenuto Cellini (1500-1571) bewondert Michel¬angelo, doch tevens Rafaël. Tussen 1540 en 1545 werkt hij in Frankrijk (de Nymf van Fontainebleau, Louvre). Uit 1548 dateert zijn vermaarde Perseus te Florence (afb. blz. 188). Cellini streeft er naar beelden te geven, die van ver¬schillende kanten met even grote bevrediging bekeken kunnen worden, een tendenz, die ook bij Michelangelo valt op te merken. Hiermede wordt de kunst van de Barok reeds aangekondigd.

VII. DE RENAISSANCE BUITEN ITALIË Renaissance-vormen verbreiden zich in de 16de eeuw in sterke mate ook buiten Italië. Karel VIII en Lodewijk XII nemen van hun tochten It. meesters mee naar Fr. Guido Mazzoni volgt reeds Karel VIII. Tijdens Lodewijk XII komen leden van de beeldhouwersfamilie Giusti naar Fr. (les Justes), die zich te Tours vestigen. Antonio Giusti schijnt het renaissancegraf van Lodewijk XII in St. Denis (1516-1532) te hebben ont¬worpen. Een belangrijk centrum vormt Fontainebleau. Giovanni Battista Rosso werkt er als schilder en stuc¬werker (1531) en na zijn dood in 1541 krijgt Primaticcio er de leiding. Van deze school van Fontainebleau gaat Pierre Bontemps uit. De meest typische vertegenwoordiger van de Franse Renaissance is Jean Goujon (1510-1568), die, aansluitend bij It. voorbeelden, slanke, sierlijke vor¬men geeft en een vloeiend lijnenspel. Zijn kunst is bovenal van een hoge decoratieve waarde (de nymfen van de Fontaine des Innocents te Parijs). In zijn ‘Diana van Anet’ (Louvre) merken wij de invloed van Cellini en van Primaticcio op. Deze kunst wordt voortgezet door Ger¬main Pilon (graf van Hendrik II en Catherina de Medici in St. Denis van 1570, waarvoor Primaticcio in 1559 een tekening heeft geleverd). Een leerling van Pilon is Bar¬thélemy Prieur (graf van Anne de Montmorency en Made¬leine de Savoye).

In Spanje brengt Pietro Torrigiano (1470-ca 1522) de realistische kunst van Guido Mazzoni. Italianiserend werkt er o.a. Alonso Berruguete (1486-1561), die 1520 uit Florence terugkeert. It. invloed verraadt ook het werk van Caspar Becerra (1520-1570), die bij Vasari heeft geleerd en van Juan de Juni (gest. 1577).

In de Ned. dringt de Z. vormentaal, mede door bemid¬deling van de prentkunst, binnen. Conrad Meit van Worms (ca 1480-1551), die te Wittenberg met de kunst van Lukas Cranach en van andere italianiserende meesters kennis kan hebben gemaakt, werkt voor Margaretha van Oostenrijk aan het mausoleum te Brou. Van meer betekenis voor de ver¬spreiding der renaissancevormen is waarschijnlijk Jan Mone, die verschillende praalgraven uitvoert en enkele altaren (altaar te Halle 1533). Naar een ontwerp van Lancelot Blondeel wordt de fraaie renaissanceschouw in de schepenzaal te Brugge uitgevoerd, waarvoor Guyot de Beaugrant een fries levert (1528-1529). Te Breda verrijst het grafmonument voor Engelbert II van Nassau, waarvan de ontwerper waarschijnlijk Thomas Vincidor van Bo¬logna is. Jacques Dubroeucq komt in Italië onder de invloed van Andrea Sansovino (zangerstribune in de St. Waudru te Bergen 1538-1548, in gedeelten bewaard). In het Noorden ontstaan Jan Terwens koorgestoelte te Dor¬drecht (1538-1540) met zijn fijn en smaakvol snijwerk en het meesterlijk uitgevoerde koorhek te Enkhuizen (1542).

Te Antwerpen wordt Cornells Floris (1514-1575), die 1549 uit Italië terugkeert, een leidende figuur. Uit zijn werkplaats komen epitafen, graftombes, sacramentshuizen, oxalen (sacramentshuizen van Zoutleeuw en Zuur¬bemde, mausoleum van Christiaan II te Roskilde, oxaal te Doornik). Vooral voor de verspreiding van de aan de grottesken ontleende ornamentiek is Floris van belang. Dezelfde stijlrichting komt ook langs directe weg, ten dele waarschijnlijk door gravures naar N. Ned., waar Colijn de Nole van Kamerijk, die van 1530 af te Utrecht werkt, er de voornaamste vertegenwoordiger van is. Tussen 1543 en 1545 maakt hij de schouw in het raad¬huis te Kampen. Uit zijn school komt het graf van Rei¬noud van Brederode te Vianen voort. Dubroeucq heeft tot leerling de in Douai geboren Giovanni da Bologna, die in It. geheel een It. kunstenaar wordt. Bij deze laatste sluiten zich aan Adriaan de Vries (1560-1627) uit Den Haag en diens landgenoot Hubert Gerhart. In Duitsland werken Peter Vischer de Jonge (1487¬1528) en zijn broer Hans Vischer te Neurenberg in renaissancistische stijl. Tot de verbreiding der renaissancevormen draagt ook Peter Flötner bij, die zich in 1522 te Neurenberg vestigt. Genoemd mogen worden Adolf Dauher (1460-1523/1524), die te Augsburg werkt, en zijn zoon Hans Dauher, voorts Pankraz Labenwolf (1492-1563) uit de school van Peter Vischer, die te Neurenberg de beroemde fontein met het ‘Ganzemannetje’ uitvoert. In de 2de helft van de 16de eeuw dringt ook van de Ned. uit de Renaissance in D. binnen. In het bijzonder de Florisstijl vindt er verbreiding. Tenslotte werken er de italianiserende Nederlanders Adriaan de Vries (fonteinen te Augsburg, beelden voor Stadthagen en Bückeburg) en Hubert Gerhart. De Vries werkt voorts ook voor Rudolf II te Praag. Vermeld moge hier worden het beeldhouwersmilieu te Calcar, waar Heinrich Douverman de aandacht verdient. Zijn vroeger werk heeft een Ned. laatgothisch karakter, doch in zijn latere altaren (Xanten, Calcar 1540) neemt hij renais¬sance-elementen op.

VIII. BAROK EN ROCOCO Een renaissancebeeld is, hoe zelfstandig het op zich zelf ook moge zijn, toch nog zo gecomponeerd, dat één zijde ervan zich als de belangrijkste doet kennen. Het is er op berekend, dat de toeschouwer zich tegenover die zijde zal plaatsen. De kunstenaar van de Barok daarentegen stelt zich tot doel een beeld of beeldgroep te construeren, die met even grote bevrediging van alle kanten bekeken kan worden. Hij bouwt er de compositie van op in de ruimte, nodigt de toeschouwer soms zelfs uit om het beeld heen te lopen door het om zijn lichaamsas een wentelende be¬weging te laten maken. Tevens verdwijnt de herinnering aan het blok, waaruit het is gehouwen. Gedeelten van het beeld steken naar buiten uit, een deel van de ruimte wordt om zo te zeggen in de compositie opgenomen en deze indruk wordt soms nog versterkt, doordat men zekere effecten van licht en schaduw teweeg brengt. De schilderachtigheid neemt toe. Tegelijkertijd wordt in sterkere mate dan voorheen de beweging uitgedrukt. Gaf het renaissancebeeld min of meer een toestand van rust weer, zij het ook dat in die rust vaak een innerlijke span¬ning scheen te bestaan, het barokke beeld suggereert vaak een snelle of hevige beweging. Ook de psychische bewogenheid is groter geworden. De gevoelens zijn hef¬tiger, stijgen tot pathos en extase. Men streeft daarbij naar realistische weergave der verschillende onderdelen, naar een vaak geraffineerde uitbeelding van de stof. Ook ten tijde van de Hoogbarok — na ca 1630 — is dit het geval, doch men stijgt tegelijkertijd boven dit realisme uit door een zekere overdrijving in de vormgeving. De antieken blijven ook in deze periode de aandacht vragen. Men interpreteert ze op eigen wijze.

Giovanni da Bologna (1524-1608) vertegenwoordigt met zijn vaak sierlijke, geïdealiseerde figuren een maniëristisch stadium in de ontwikkeling der beeldhouwkunst. Zijn Sabijnse maagdenroof van 1583 is echter gecomponeerd in de ruimte en mag als zodanig een inleiding tot de Barok worden genoemd. Tussen 1587 en 1591 ontstaat zijn ruiterstandbeeld van Cosimo I te Florence. Tot zijn leerlingen behoren o.a. Pietro Franca¬villa (1548-1618) van Kamerijk en Pietro Tacca (1577¬1641). Te Rome vervaardigt Stefano Maderna (1571-1636) o.a. zijn H. Cecilia, die hij liggend in een nis onder het altaar (in de S. Cecilia te Rome) weergeeft, waardoor het beeld omringd is met diepe schaduwpartijen, die er het schilderachtige karakter van verhogen. Ntccolo Cordieri, afkomstig uit Lotharingen, laat gedeelten van zijn beeld¬houwwerk uitsteken in de ruimte (beelden in de Capella Paolina te Rome), terwijl Pietro Bernini (1562-1629) aan zijn sculpturen een zeer schilderachtig karakter geeft (reliëf met de Hemelvaart van Maria, Baptisterium van S. Maria Maggiore te Rome). De grootste beeldhouwer van de Barok te Rome is Pietro’s zoon Lorenzo Bernini (1598-1680). Van 1619 is zijn David, die met een heftige lichaamsbeweging de steen naar Goliath slingert (Gal¬leria Borghese, Rome). Tussen 1632 en 1638 ontstaat zijn beeld van Longinus in de St. Pieter, tussen 1644en 1647zijn pathetische en schilderachtige H. Theresia in de S. Maria della Vittoria te Rome. In 1647 komt zijn grafmonument voor Urbanus VIII in de St. Pieter gereed. Bekend is hij ook door zijn fonteinen (o.a. die op de Piazza Barberini) ter¬wijl zijn portretbustes (o.a. Scipione Borghese van ca 1630, Frans I d’Este te Modena) buitengewoon knap en uiterst naturalistisch zijn (afb. blz. 168). Vooral in zijn latere werk vervalt hij echter in overdrijving. Alessandro Algardi (1602-1654) uit Bologna, die in 1625 te Rome komt, is meer realist dan Bernini. Samen met anderen voert hij het graf van Leo XI in de St. Pieter uit. Van 1646 is zijn zeven meter hoog reliëf met de verdrijving van Attila (St. Pieter). Ook zijn verschillende portretbustes van zijn hand. François Duquesnoy (1594-1643) uit Brussel, die de invloed van Rubens ondergaat, maakt o.a. een beeld van Andréas voor de St. Pieter.

Onder de talrijke leerlingen en volgelingen van Bernini zijn vrijwel geen beeldhouwers van betekenis. Men geeft nu weinig afzonderlijke beelden, doch vaak reeksen van sculpturen, die tezamen een eenheid vormen. Beelden in nissen worden als cycli gezien. Verschillende graven van pausen zijn verzamelwerken, door verschillende kunste¬naars gezamenlijk opgebouwd. In een bouwwerk zoekt men naar samenhang van het geheel, waarbij bouwkunst, schilderkunst en plastiek met elkaar worden verbonden. In de 18de eeuw zien wij een tentoonspreiden van tech¬nische bekwaamheid en virtuositeit, dat soms tot smake¬loosheid leidt.

In de Fr. beeldhouwkunst van de eerste helft der 17de eeuw werkt de invloed van It. nog door, doch tevens valt een streven naar naturalisme op te merken (Pierre Biard, Michel Bourdin, Simon Guillain).

Jean IVarin (ca 1604-1672) is bekend door zijn portret¬bustes. Er is ook navolging van de antieken, waaruit zich een typisch Fr. classicisme ontwikkelt. In de grafsculptuur werkt vooral de traditie voort. Men blijft de gestorvenen knielend weergeven. Bekend door zijn grafmonumenten is François Anguier (1604-1669; graf van Auguste de Thou, gedeeltelijk opgebouwd in het Louvre). Uit Antwerpen komt Gérard van Opstal (1594-1668), die aan het Louvre werkt. In 1648 wordt te Parijs de Académie opgericht, die in alle aangelegenheden, die de kunst betreffen, oppermachtig is. Zij weet een zekere eenheid van opvatting en stijl te forceren, waarbij It. en de an¬tieken als maatstaf gelden. François Girardon (1628-1715) sluit zich na zijn terugkeer uit Rome in 1650 bij Anguier aan. Tussen 1664 en 1671 voert hij de sculpturale versie¬ring van de Galerie d’Apollon in het Louvre uit. Bekend is ook zijn groep van Apollo met nymfen te Versailles. Antoine Coysevox (1640-1720), in 1666 hofbeeldhouwer, maakt portretten o.a. van Lodewijk XIV. In 1683 en 1684 ontstaat zijn ‘ Nymf met schelp’(Louvre), in 1686 zijn ‘Venus met schildpad’ (Versailles). Buiten deze classicistische stroming staat echter Pierre Puget (1622-1694), een realist, die het antieke element bij voorkeur verwaarloost. Hij bezoekt twee maal It. (Genua, Florence en Rome), werkt te Genua en krijgt, terug in Fr., verschillende opdrachten. Van 1682 is zijn vermaarde, zeer naturalistisch behan¬delde, Milo van Croton, in het Louvre. In de 18de eeuw krijgt de beeldhouwkunst een meer schilderachtig ka¬rakter. De leerlingen van Coysevox, Nicolas (1658-1733) en Guillaume Coustou (1677-1746), vormen een overgang naar de 18de eeuw. De eerste werkt in het Louvre, in Versailles en Marly, de tweede is o.a. bekend door zijn ‘Rossenbedwingers van Marly’, thans aan de ingang van de Champs Elysées te Parijs. Buitengewoon schilderachtig is Robert le Lorrains (1666-1743) reliëf met de zonnepaarden van de Imprimerie Nationale te Parijs. Een leerling van le Lorrain is Jean Baptiste Lemoyne (1704-1778), de voor¬naamste vertegenwoordiger van de rococosculptuur. Het meest bevredigt hij in zijn portretbustes. In de 18de eeuw blijft echter toch ook een meer classicistische stro¬ming bestaan. Na 1740 ongeveer komt de drang naar plastische vormgeving weer sterker op. Tussen Rococo en Classicisme in staat Edmé Bouchardon (1698-1762).

Etienne Falconet (1716-1791), leerling van Lemoyne, gaat van het Rococo uit, maar streeft naar het geven van vaster omschreven vormen. Hij is niettemin een tegenstander van het Classicisme en bewondert Puget. Bekend is o.a. zijn ‘Baadster’ (in het Louvre). Hij wordt leider van de modelleerklasse te Sèvres. Tussen 1766 en 1778 ontstaat zijn ruiterstandbeeld van Peter de Grote (Leningrad). J. B. Pigalle (1714-1785) is een naturalist (het Kind met de Vogelkooi, Louvre), terwijl Auguste Pajou (1730-1809) tussen Barok en Classicisme in staat. Jean Antoine Houdon (1741-1828) moge hier nog vermeld worden om zijn prachtige, naturalistisch behandelde portretbustes (afb.

blz. 171). In Napoleons tijd laat hij zich echter geheel meeslepen door het Classicisme.

In Spanje wordt reeds in de 2de helft van de 16de eeuw door kunstenaars als Becerra en Juan de Juni de voor dat land typisch realistische beeldhouwkunst van de 17de eeuw voorbereid. Van overwegend belang wordt de beschilderde plastiek in hout. Er ontstaat een sterk naturalistische, ja veristische sculptuur, waarbij de kunstenaars zich echter tevens tot doel stellen boven¬aardse gevoelens en ontroeringen weer te geven. Te Sevilla werkt Juan Martinez Montahez (ca 1580-1649), die de invloed van Torrigiani heeft ondergaan (crucifix en Onbevlekte Ontvangenis in de cathedraal van Sevilla). Zijn leerlingen gaan in het verisme verder dan hij. Nu ontstaan beelden met echte haren, in gips gedrenkte stoffen, glazen ogen enz. Bij Montanez sluit aan Alonso Cano (1601-1667), architect, schilder en beeldhouwer, die tot leerlingen heeft Pedro de Mena (gest. 1693; onbe¬schilderde heiligenbeelden aan het koorgestoelte in de cathedraal van Malaga) en José de Mora (1638-1725). In de 18de eeuw ontstaan verschillende omvangrijke, rijkelijk van beeldhouwwerk voorziene altaren. In 1732 voltooit NarcLo Tomé de overdadig versierde ‘Transparente’ in de cathedraal van Toledo.

In de Z. Ned., waar de katholieke godsdienst gehand¬haafd blijft, vinden de beeldhouwers ook in de 17de eeuw een rijk arbeidsveld. Beelden worden aangebracht voor de zuilen van het kerkschip, terwijl koorgestoelten, tochtportalen en preekstoelen verrijzen, rijkelijk met snijwerk getooid. Van de beide zoons van Jérome Duquesnoy (gest. 1641) gaat François, zoals wij zagen, naar It., terwijl de ander, Jérome Duquesnoy II (1602-1654), na te Rome bij zijn broer ge¬werkt te hebben, naar het N. terugkeert. Van zijn hand zijn o.a. vier apostelbeelden in het schip van de St.Goedele te Brussel.

Artus QueUinus de Oude (1609-1668) leert in It. Fran¬çois Duquesnoy en Bernini kennen. Terug in Antwerpen (1640) ondergaat hij de invloed van Rubens’ kunst. Zijn belangrijkste werk vormt de sculpturale versiering van het Amsterdamse stadhuis: de gevelfrontons met de daarmede verbonden bronzen beelden, de reliëfs en de caryatiden in de Vierschaar (1650-1670). Zijn kunst is vol warm leven, spontaan en hartstochtelijk. Buitengewoon aantrekkelijk zijn de modellen, die hij voor het Amsterdamse werk maakte (Rijksmuseum). Als portrettist leren wij hem ken¬nen in zijn naturalistische, zorgvuldig uitgevoerde bustes van Cornelis en Antonie de Graef (Rijksmuseum) en van Johan de Witt (Dordrecht). Tijdens zijn afwezigheid wordt te Antwerpen Quellinus’ atelier geleid door Peter Ver-bruggen. De Quellinusstijl vinden wij in de Z. Ned. in tal van werken terug.

Lucas Faid'herbe (1617-1697), gevormd in de werkplaats van Rubens, is een weliswaar bekwaam, maar tamelijk oppervlakkig meester. Werken van zijn hand vinden wij vooral te Mechelen. Artus Quellinus 7/(1625-1700), neef en leerling van de oude Artus Quellinus, is de typische vertegenwoordiger van een virtuoze Laatbarok, die reeds de komst van het Rococo schijnt aan te kondigen. Zijn leerling Gabriel Grupello (1644-1730) werkt te Düsseldorf. Nicolaas Millich van Antwerpen brengt deze kunstrichting naar Zweden. Als stichter van een Luikse school mag worden beschouwd Jean Delcour (1627-1707), die te Rome een leerling van Bernini is geweest. Voor de 18de eeuw noemen wij Michiel Vervoort, Theodoor Verhaeghen (1700-1759) en Laurens Delvaux (1696-1778; preekstoel in de St. Bavo te Gent).

In N. Ned., waar de Hervorming vaste voet krijgt, zijn grotere opdrachten voor de beeldhouwers veel zeldzamer dan in het Z. Verlangd worden nog grafmonumenten, terwijl ook portretbustes worden gemaakt. Daarnaast komen echter onder de meer decoratieve versieringen aan gevels, poorten e.d. vaak voorbeelden van goed beeldhouwwerk voor. De invloed der Italianen is hier geringer dan in het Z., terwijl zich vaak een zeer landseigen realisme openbaart (bij¬voorbeeld in de gevelstenen). De belangrijkste van onze 17de-eeuwse beeldhouwers is Hendrick de Keyser (1565¬1621), tevens bouwmeester, een leerling van Cornelis Bloemaert (die misschien de overhuiving van de kansel in de St. Jan te Den Bosch heeft ontworpen, 1566). Zijn meest bekende werk is het grafmonument van Willem de Zwijger in de Nieuwe Kerk te Delft (1614-1621). Misschien is De Keyser beïnvloed door het werk van Pilon en ook door Biard, doch anderzijds schijnt hij zich aan te sluiten bij werk in de Z. Ned., waarin elementen van de Florisstijl bewaard zijn gebleven. Typisch Hollands is hij in zijn sobere, goed gekarakteriseerde portretbustes als die van Vincent Jacobsz. Coster (1608, Rijksmuseum). Tot zijn helpers behoren zijn zoons Pieter en Willem de Keyser, zijn schoonzoon Nicholas Stone, en Gerrit Lambertsz. Stone voert beeldhouwwerk uit voor het oxaal van de St. Jan te Den Bosch (1610-1613, thans in het Victoria and Albert Museum te Londen), waaraan ook een beeld van De Keyser (St. Jan de Evangelist) voorkomt. Beelden aan de galerij van het slot te Frederiksborg (Denemarken) zijn naar het ontwerp van De Keyser door Gerrit Lambertsz. vervaardigd, terwijl ook de bekende‘Dolhuisvrouw’ (in het Rijksmuseum) door De Keyser moet zijn ontworpen en door Gerrit Lambertsz. uitgevoerd.

Voor de versiering van het Amsterdamse stadhuis wordt, zoals wij zagen, Artus Quellinus naar het N. geroepen. Zijn leerling en helper Rombout Verhuist (1624-1696) uit Meche¬len is vooral bekend door zijn praalgraven, zoals dat van Maarten Hz. Tromp te Delft (1658) en van Michiel de Ruyter in de Nieuwe Kerk te Amsterdam (1683). Zijn techniek is voortreffelijk, terwijl hij gevoelig behandelde reliëfs weet te geven. In de 18de eeuw is de Ned. beeld¬houwkunst in verval, al ontstaat in deze tijd nog wel aar¬dig decoratief werk aan gevels en poorten. Daarnaast willen wij herinneren aan de tuinbeelden van die tijd. De bekendste beeldhouwers zijn de Z. Ned. J. B. Xavery (1697-1742; grafmonumenten, portretbustes o.a. Willem IV en zijn gemalin, Mauritshuis) en Jacob Cresant (sinds 1735 te Utrecht gevestigd).

In Engeland worden de meer belangrijke opdrachten veelal door vreemden uitgevoerd, al vallen ook E. beeld¬houwers aan te wijzen. De belangrijkste figuur onder hen is wel. Nicholas Stone (1586-1647).

De Duitse beeldhouwkunst is in de 17de eeuw van weinig betekenis. Een figuur van belang is eerst weer Andreas Schlüter (1664-1714; ruiterstandbeeld van de Grote Keurvorst, sculpturale versieringen aan het Tuighuis te Berlijn).

IX. VAN HET CLASSICISME TOT HEDEN In het laatste kwart van de 18de eeuw doet zich opnieuw een bewuste aansluiting bij de kunst der antieken gelden.

Houdon gaat in de napoleontische tijd geheel tot dit nieuwe Classicisme over. De voornaamste vertegenwoordiger van deze richting is de Italiaan Antonio Canova (1757-1822), die in 1779 naar Rome gaat, waar hij in de kring komt, die zich om Winckelmann en de schilder Rafael Mengs heeft ge-vormd. Hij wordt in zijn tijd uitermate geëerd, is technisch zeker een hoogst bekwaam meester, maar zijn werk komt ons thans veelal als te opzettelijk geantiekiseerd en daar¬door gezocht voor. In 1802 gaat hij op uitnodiging van Napoleon naar Parijs. Van zijn werken mogen genoemd worden de graven van Clemens XIV en Clemens XIII te Rome, Amor en Psyche (Louvre), Venus (Uffizi, Florence) en de buste van Napoleon (Pitti, Florence). Uit het N. komt de Deen Berthel Thonvaldsen (1770-1844; afb. blz. 45) naar Rome, wiens classicisme koud en zielloos aan¬doet (beelden van heidense góden en godinnen). In Enge¬land wordt het Neoclassicisme vertegenwoordigd door John Flaxman (1755-1826; grafmonument van Nelson in de St. Pauls te Londen).

In Duitsland is Gottfried Schadow (1764-1850) meer een laatbarok-kunstenaar dan een classicist.

In de beeldhouwkunst werkt het Classicisme sterker na dan in de schilderkunst. In Frankrijk blijft James Pradier (1792-1852) er enerzijds trouw aan, terwijl hij anderzijds doordrongen is van een roman¬tisch gevoel (Psyche, Louvre). Ook François Rude (1784¬1855) gaat nog uit van het Classicisme, maar ontwikkelt zich tot een romantisch beeldhouwer in zijn groep van de uitrukkende vrijwilligers van 1792 aan de Arc de Tri¬omphe te Parijs. Pierre Jean David d'Angers (1788-1856) versiert het gevelveld van het Pantheon te Parijs. In Duitsland richt in deze tijd Christian Ranch (1777-1857) een reeks standbeelden op (o.a. Frederik de Grote, Berlijn).

De eerste volbloed realist in de 19de eeuw is feitelijk Louis Barye (1795-1875), bekend door zijn dierplastieken. E. Frémiet (1824-1910) beeldhouwt dieren naar het voorbeeld van Barye, bij voorkeur echter in combinatie met menselijke figuren (strijd van mens en gorilla). Een volgeling van Rude is Jean Baptiste Carpeaux (1827-1875). Hij gaat in 1854 naar Rome, waar hij het werk van Michelangelo bestudeert. Met zijn schilderachtig behandelde bewegelijke figuren is hij in zekere zin een voortzetter van de Barok (Ugolino en zijn kinderen, de Dans, Louvre; de Fontaine de 1’Observatoire te Parijs). Een leerling van Pradier is Henri Chapu (1833-1891; Jeanne d’Arc, Louvre). Bij Rude en Carpeaux sluit aan Jules Dalou (1838-1902), die een vrije vormgeving paart aan gevoel voor het monumentale (Monument voor de Republiek, Parijs). Paul Albert Bartholomé (1848-1928) is vooral bekend door zijn indruk¬wekkend monument voor de doden op Père Lachaise te Parijs (1895).

Het schilderachtige element in de beeldhouwkunst op te voeren is het streven van Auguste Rodin (1840-1917), de impressionnist onder de beeldhouwers. Hij werkt eerst bij Barye, komt in aanraking met Carpeaux en Dalou en gaat in 1875 naarItalië, waar het werk van Michelangelo indruk op hem maakt. Van 1875 af werkt hij aan zijn ‘Hellepoort’, waarvan o.a. het beeld van de ‘Denker’ (Museé Rodin, Parijs, afb. Deel I, blz. 87) afkomstig is. Tussen 1884 en 1886 ontstaan zijn ‘Burgers van Calais’, beelden, die ieder afzonderlijk treffen door de psychische uitdrukking, doch die tezamen als groep wei¬nig geslaagd zijn. Meesterlijk zijn Rodins portretten door de wijze, waarop hij het innerlijk leven der voorgestelden tot uitdrukking weet te brengen. In België is Constantin Meunier (1831-1905) schilder en beeldhouwer, bekend door zijn aangrijpende, levenswaar weergegeven, bronzen figuren van arbeiders uit de mijn¬streek. Jef Lambeaux (1852-1908) geeft bacchantische en mythologische taferelen.

In Duitsland houdt Adolf Hildebrand (1847-1921) meer dan zijn tijdgenoot Rodin vast aan de vorm van het blok, waaruit hij zijn beeld te voorschijn haalt. Zijn leer — hij schrijft ook een boek over het probleem van de vorm — vindt in D. sterke verbreiding, wat in standbeelden en fonteinen, die er in deze tijd worden opgericht, vaak tot uiting komt.

Een generatie na Rodin wendt zich in Fr. van diens impressionnisme af om tot een vaster vormgeving te komen. Dit is het geval met Émile Antome Bourdelle (1861¬1929), die aanvankelijk wel bij Dalou en Rodin aansluit, dan echter tot sterker plastisch werk overgaat. Ook Aristide Maillol (1861-1945) komt tot strakker vormen, waarbij hij soms inspiratie schijnt te zoeken bij Griekse voor¬beelden. Bij de kunst van Maillol sluit Charles Despiau (1874-1946) aan. In België toont George Minne (geb. 1866) zich in zijn stijlvolle, meest naakte mannelijke figuren een zeer gevoelig meester. In Italië werkt Medardo Rosso onder invloed van Rodin, in Noorwegen blijkt Gustav Vigeland (geb. 1869) de invloed van de grote Fr. meester ondergaan te hebben. In Duitsland streeft Georg Kolbe (geb. 1877), die te Parijs Rodin heeft leren kennen, echter naar een eenvoudige natuurlijkheid en strengheid van stijl. De Zwitser Hermann Haller (geb. 1880) geeft een¬voudige menselijke figuren en goede aan architectuur ge¬bonden sculptuur. Jacob Epstein, te New York geboren (1880), die te Parijs studeert, waar hij de invloed onder¬gaat van Rodin, toont zich een goed psycholoog in zijn portretbustes. In Z. Slavië is Mestrovic (geb. 1883) een figuur van betekenis.

In ons land is tot op het eind van de 19de eeuw van beeldhouwkunst van enige betekenis eigenlijk geen sprake. Pier Pander (1864-1919) is niet meer dan een degelijk academicus. Charles van Wijck (1875-1917) werkt impres¬sionistisch. In de 20ste eeuw kunnen wij echter een op¬bloei van onze beeldhouwkunst constateren. L. Zijl voert zijn in strakke, eenvoudige vormen gehouden beelden aan de bouwwerken van Berlage uit. In zijn meer zelfstandige werken is hij wat schilderachtiger. Mendes da Costa is o.a. bekend door zijn kleine genre-achtige figuurtjes, J. C. Altorf door zijn eenvoudig gestileerde dierfiguren. Hildo Krop (geb. 1884) brengt als stadsbeeldhouwer van Amster¬dam aan verschillende gebouwen beeldhouwwerk aan, in de regel in wat zware, gesloten vormen. Een zeer aparte figuur is John Radecker (geb. 1885), die in zijn werk een bijzondere, wat dromerige stemming weet te leggen. Voorts dienen genoemd H. A. van den Eynde (geb. 1867; beeldhouwwerk aan het Scheepvaarthuis te Amsterdam), Johan Polet, F. J. van Hall, Theo van Rheyn (afb. Deel I, blz. 191), Gijs Jacobs van den Hof, L. O. Wenckebach en H. M. Wezelaar. Ook de katholieke kerk treedt thans vaak weer als opdrachtgeefster voor de beeldhouwers op (werk o.a. van Charles Vos en Mari Andriessen). Vermeld mogen worden de in ons land werkende Belgen Albert Termote en Jules Vermeire. In de jongste stroming in de beeldhouwkunst, het expressionnisme, openbaart zich in sterke mate het streven innerlijke belevingen en geestelijke waarden tot uitdrukking te brengen in vormen, die in meerdere of mindere mate van de natuur afwijken. Een vertegenwoordiger van deze richting is o.a. de Duitser Wilhelm Lehmbruck (1881-1919), wiens gerekte gestalten begrippen als verlangen, hoop, verzaking e.d. symboliseren. Tot een zeker geometriseren komt soms de Rus Moissi Kogan (1879-ca 1943), terwijl zijn landgenoot Alexander Archipenko zich in sterk geabstraheerde vormen uitdrukt.

[I]J. S. WITSEN ELIAS[/I] M. Laurent en W. van der Pluym, De Meesterwerken der Beeldhouwkunst en der Bouwkunst, 1933. A. Vermeylen, Van de Catacomben tot Greco. Geschiede¬nis van de Europeesche Plastiek en Schilderkunst, 1946. E. Mâle, L'art religieux du Xlle siècle en France, 3de dr. 1928; L'art religieux du Xllle siècle en France, 7de dr. 1931; L'art religieux de la fin du Moyen-Âge en France 4de dr. 1931; L'art religieux après le Concile de Trente, 1932. Julius Baum, Die Malerei und Plastik des Mittelalters in Deutschland, Frankreich und Brittannien, 1930. Vitzthum en W. F. Volbach, Die Malerei und Plastik des Mittelalters in Italien 1925. A. Kingsley Porter, Romanesque Sculpture of the Pil¬grimage Roads, 10 dln., 1923. P. Deschamps, La sculpture française à l'époque romane, 1930. M. Aubert et P. Vitry, La sculpture gothique en France, 1929. Beenken, Romanische Skulptur in Deutschland, 1924. A. Gardner, A Handbook of Engl sh mediaeval Sculp¬ture, 1935. G. Weise, Spanische Plastik aus 7 Jahrhunderten, 5 dln., 1925-1930. M. Devigne, La sculpture mosane du Xlle au XVIe siècle, 1932. P. Schubring, Die italienische Plastik des Quattrocento, 1915.

A. E. Brinckmann, Barockskulptur, 1917.

E. Hildebrandt, Die Malerei und Plastik des achtzehnten Jahrhunderts in Frankreich, 1924. Voor de verschillende technieken:

Theo van Rheyn, Beeldhouwen, 1936.