Ensie 1947

Ensie deel 2, 1947, Anton Reichling S.J. en J.S. Witsenelias.

Gepubliceerd op 30-05-2019

2019-05-30

Beeldende kunsten

betekenis & definitie

Inleiding: Kunstgeschiedenis is, zoals G. J. Hoogewerflf het in zijn boek ‘Verbeelding en Voorstelling' (1939) uitdrukt, een geschiedenis van vormen, vormen die uitdrukking geven aan het geestelijk leven van de tijd, waarin zij ontstonden.

Veranderen zij van aard, dat wil zeggen verandert de stijl, dan is dit het gevolg van een verandering in de geestelijke structuur van de mensen.

Wie deze geschiedenis wil samenstellen, zal zijn onderwerp in hoofdstukken moeten indelen. Naast elkaar tekenen zich verschillende beschavingsgebieden af, die — ondanks vaak voorkomende onderlinge wisselwerking en beïnvloeding — ieder voor zich een aparte behandeling vragen. Binnen die beschavingsgebieden volgen elkaar tijdperken op.

De geschiedenis van de Europese kunst verdeelt men in Oudheid, Middeleeuwen en Nieuwe Tijd. Ieder van deze drie heeft een uitgesproken eigen karakter.

De middeleeuwse kunst is, wanneer zij met de Gothiek van de 13de eeuw haar volle rijpheid heeft bereikt, in wezen volkomen tegengesteld aan die van de classieke Oudheid. Schubring heeft het voor wat de bouwkunst betreft eens aldus uitgedrukt: ‘Er zijn eigenlijk slechts twee stijlen, de tempel en de cathedraal; al het andere is daarvan afgeleid.’ Toch bestaat er tussen Oudheid en M.E. evenmin als tussen M.E. en Nieuwe Tijd een scherp te trekken grens. In de Oudheid zijn de grondslagen gelegd voor de kunst van de M.E. en de eerste gaat geleidelijk in de andere over. Wanneer in Italië de antieke traditie kwijnend schijnt af te sterven, vertonen zich tegelijkertijd de kiemen van een nieuwe stijl en het Byzantijnse rijk verwekt uit de erfenis van de Oudheid een eigen kunstbloei, die op haar beurt bevruchtend zal werken op W. Europa.

De Nieuwe Tijd, die met de Renaissance aanvangt, kondigt zich reeds in de late M.E. aan en ook hier is slechts van geleidelijke overgang sprake.

Binnen de bovengenoemde tijdperken tekenen zich elkaar opvolgende stijlfasen af: archaïsch-Grieks, classiekGrieks en Hellenistisch; Voorromaans, Romaans, Gothiek en Laatgothiek; Vroegrenaissance, Hoogrenaissance, Maniërisme, Barok, Rococo en Classicisme. Het zijn alle begrippen waaraan wij bepaalde voorstellingen verbinden. Zij zullen in de volgende artikelen herhaaldelijk ter sprake komen. De classieke Oudheid is daarin als één geheel behandeld. De Europese kunst gedurende M.E. en Nieuwe Tijd is echter gesplitst in een aantal artikelen naar de verschillende kunstsoorten als: bouwkunst, beeldhouwkunst, schilderkunst, meubelkunst enz. Welke kenmerken het Romaans heeft, welke de Gothiek, de Laatgothiek, de Vroegrenaissance enz., zal men telkens voor ieder van deze kunstsoorten in het daarop betrekking hebbende artikel vermeld vinden. Hier moge echter, voor het gemak van de lezer, een uiterst korte samenvatting van deze kenmerken volgen.

De Romaanse kunst, eeuwen lang voorbereid — de draden, die er heen leiden zijn reeds in merovingische en karolingische tijd te vervolgen —en uit verschillende, ook uitheemse elementen samengesteld, geeft een kerkbouw te zien met door zware muren omsloten ruimten, waarin de nadruk valt op het centrum van de eredienst, het altaar. Het inwendige is onder te verdelen in verschillende duidelijk van elkaar onderscheiden ruimten. Het uitwendige heeft een sterk plastisch karakter. Met de bouwkunst verbonden zijn een beeldhouw- en schilderkunst in geabstraheerde vormen.

De Gothiek brengt een andere opvatting van de ruimte. Er is een ineenvloeien der verschillende ruimtelijke onderdelen en een zich openen naar buiten, samengaand met zekere structurele veranderingen. De krachten, die bij de romaanse bouw in de muren opgesloten waren, worden nu in bepaalde banen geleid. De constructie van het bouwwerk wordt op deze wijze kenbaar gemaakt, terwijl de verticale accenten sterker gaan spreken. Tegelijk is er een vermenselijking in beeldhouw- en schilderkunst. Men heeft wel een vergelijking getrokken tussen deze kunst en het rationalisme der gelijktijdige scholastiek.

In de late Gothiek groeit het zinvol construeren uit tot een spelen met architectonische vormen. Tegelijk doet zich in beeldhouw- en schilderkunst opnieuw een tendentie voor tot schematiseren en idealiseren. Het bovenzinnelijke karakter der voorgestelde personen wordt uitgedrukt in vaak oversierlijke vormen. In deze tijd wint het irrationele het van het rationele element. De tijd breekt aan van de mystiek.

Maar reeds liggen de kiemen klaar voor een nieuwe kunst in zekere realistische tendenties, die, aanvankelijk schuchter en bescheiden tot uiting komend, weldra tot een brede stroom zullen aanwassen.

De Renaissance, wanneer wij het begrip zo ruim mogelijk nemen, is een zich overgeven aan de werkelijkheid, terwijl, in leven en kunst, in sterker mate, een persoonlijk element naar voren komt. Aldus opgevat openbaart zij zich, ongeveer tegelijkertijd in verschillende landen van Europa.

Nemen wij het woord Renaissance in meer beperkte zin, dan verstaan wij eronder de artistieke beweging, die zich in de 15de en 16e eeuw in Italië voltrekt, om vandaar uit zich over de meeste andere Europese landen te verbreiden.

In de bouwkunst der Italiaanse Renaissance wordt de ruimte een in zichzelf besloten geheel, dat men met één blik in zich kan opnemen. Er is niet meer een vloeiend in elkaar overgaan der verschillende onderdelen, die het oog geneigd is voordurend te volgen, als in de Gothiek. Het muurvlak herkrijgt zijn betekenis als afsluiting. Daarbij wordt soms teruggegrepen op antieke bouw- en siervormen, of vormen die men daarvoor aanziet, als die uit voorromaanse en romaanse tijd, die antieke elementen bewaard hebben (de z.g. Protorenaissance). Schilder- en beeldhouwkunst krijgen een realistisch karakter, waarbij soms antieke kunst inspirerend werkt. Het heilige neemt een aardse gedaante aan.

De Vroegrenaissance is een tijd van experimenteren en naarstige studie, een ‘veroveren van de werkelijkheid’ als men het gemeenlijk noemt. Zij is daardoor ook — in zekere zin — een tijd van voorbereiding. De Hoogrenaissance is dan de voltrekking. Met behulp van de verkregen kennis en vaardigheid schept men opnieuw een geïdealiseerde wereld, waarin evenmaat en harmonie heersen en het aesthetische hoogste norm is.

Maar de zo ontstane kunst leidt tot ‘manier’, tot het overnemen van eenmaal gevonden en als hoogste schoonheid aanvaarde vormen, maar ook tot overdrijving daarvan. Weisbach heeft het eens zo uitgedrukt: ‘Maniërisme ontstaat daar waar vormen, die oorspronkelijk een zekere zin en uitdrukkingskracht hadden, tot in het extreme worden doorgevoerd en verwrongen, zodat zij geaffecteerd, gekunsteld, hol, afgesleten en onnatuurlijk aandoen.’ De kunstenaars der late Renaissance bereiden echter een nieuwe stijl voor: de Barok. Weer vloeien de ruimtevormen in elkaar. Bovendien ontstaat er sterker eenheid tussen bouwkunst, beeldhouwkunst en schilderkunst. Barok brengt pathos, vervoering en beweging, maar ook een zekere streling der zinnen. Het is de tijd der Contrareformatie, waarin de kerk de gelovigen met nieuwe middelen aan zich tracht te binden. Naast de eigenlijke Barok handhaaft zich vooral in de bouwkunst het strenger en beheerster Classicisme.

De consequente voortzetting van de Barok is het Rococo, met zijn grillige en speelse vormen en schilderachtige effecten.

In Frankrijk onderscheidt men in deze eeuwen de stijlen naar de verschillende vorsten (men zie hierover in de eerste plaats de artikelen over Bouwkunst en Meubelkunst).

Als reactie tegen de weke zinnelijkheid van de Louis XVstijl komt omstreeks 1760 het Louis XVI op (ruim 15 jaar voor deze vorst de troon bestijgt). Voor het bovengenoemde speelse en grillige komen orde en symmetrie in de plaats. Bij het aanschouwen van deze zuiverder en serener vormgeving dringt zich, zoals E. Hildebrandt terecht opmerkt, onwillekeurig de gedachte op aan het zich baanbrekend rationalisme, dat een nieuwe wereldbeschouwing inluidt. Wanneer een nauwere aansluiting bij vormen uit de Oudheid een zekere koelheid en verstrakking teweegbrengt, spreekt men opnieuw van Classicisme. In de Keizertijd spreekt men van Empire-stijl. De in die tijd gebruikte vormen zijn in zo sterke mate van voorbeelden uit de Oudheid afgeleid, dat er reden tot twijfel bestaat of hier nog wel van een eigen stijl in de volle zin van het woord mag worden gesproken. Deze vormen geven echter zozeer uitdrukking aan de geest van die tijd, dat vormgeving en tijdgeest elkaar volkomen schijnen te dekken. Stijlloosheid treedt eerst op in de 19de eeuw.

Dan geeft de bouwkunst weldra het zielloos beeld te zien van het Historicisme, een opeenvolging van stijlimitaties of een geheel ontbreken van iedere stijl. De voorwerpen van dagelijks gebruik ontaarden in de 2de helft van de 19de eeuw tot kunstloos massaproduct. Het aesthetische bewustzijn en het gevoel voor stijl schijnen te verzwakken of geheel te verdwijnen. Men verlangt van de dingen die men gebruikt geen schoonheid meer, doch slechts practische bruikbaarheid en ook het fabrieksproduct, dat de voortschrijdende industrialisatie aan de markt brengt, voldoet aan dit verlangen.

Wanneer door individuele kunstenaars gebruiksvoorwerpen worden gemaakt, die tevens kunstwerken zijn, dan zijn zij een luxe, bereikbaar alleen voor enkelen.

In schilder- en beeldhouwkunst zien wij de ontwikkeling zich verder voltrekken. De Romantiek beïnvloedt de inhoud der kunstwerken. De benaming duidt niet een bepaalde stijl aan. Als stijlen onderscheidt men realisme, impressionnisme, neo-impressionnisme. Zij streven naar een steeds directer weergave van de waargenomen werkelijkheid. Zij slaan om in hun tegendeel in het expressionnisme. Dat zich in de 20ste eeuw met haar chaotische veelheid van strevingen ook in de kunst verschillende stromingen naast elkaar aftekenen verwondert niet. Men zoekt thans weer naar een nieuwe stijl in bouwkunst en meubelkunst. In beeldhouw- en schilderkunst ontwaren wij zeer uiteenlopende uitingen. Misschien valt er in alle samen toch iets gemeenschappelijks aan te wijzen: een zich afwenden nl. van het realisme der 19de eeuw, wat tevens een streven inhoudt naar een zekere ‘vergeestelijking’.

In dit deel zal thans eerst worden nagegaan, wat kunstgeschiedenis feitelijk is, waarmede zij zich bezig houdt, hoe zij zich heeft ontwikkeld en welke methoden van onderzoek zij volgt. Daarna zal de ontwikkeling der beeldende kunsten zelf worden beschreven. Allereerst wordt gesproken over de kunst van het palaeolithicum, vervolgens over die van de niet-classieke en van de classieke Oudheid.

Hierop wordt de ontwikkeling beschreven van de Europese kunst tijdens M.E. en Nieuwe Tijd, op de wijze als boven reeds is aangegeven. Volledigheid kon hierbij echter niet worden bereikt. Terwille van de ruimteverdeling moest een bijdrage over de ontwikkeling van de kleding worden verplaatst naar Deel IX (Hoofdstuk over de Kleding). Bij de z.g. ‘hogere kunst’, die in dit deel wordt besproken, had de redactie een beschouwing over aard en wezen van de z.g. volkskunst, getoetst aan enkele voorbeelden van Nederlandse volkskunst, willen laten aansluiten. Dit artikel is eveneens om bovengenoemde reden naar Deel III overgebracht bij de Volkskunde.

Tenslotte wordt de kunst behandeld van Indië, van China en Japan, van het oude Amerika en van de Islam. De kunst der natuurvolken vindt hier geen plaats, daar zij bij de Volkenkunde ter sprake zal worden gebracht.

J. S. WITSEN ELIAS

André Michel, Histoire de l'art depuis les premiers temps Chrétiens jusqu'à nos jours, 8 dln, 1906-1929. Karl Woermann, Geschichte der Kunst aller Zeiten und Vôlker, 6 dln, 2de dr. 1924-1927. Algemeene Kunstgeschiedenis, onder red. van Fr. van Thienen, 1941 e.v.

A. W. Byvanck, De Kunst der Oudheid, 4 dln deel 1 versch. 1946.

O. Wulff, Altchristliche und byzantinische Kunst, 2 dln, 1914. Ch. Diehl, Manuel d'Art Byzantin, 2 dln, 1925-1932.

A. W. Byvanck, Byzantijnse Kunst, van Konstantijn den Grooten tot Mohammed den Veroveraar, 1930. H. Focillon, Art d'Occident, Le Moyen-Age roman et gothique, 1938.

A. Venturi, Storia dell'arte Italiana, 11 dln, 1901-1940.

Dehio, Geschichte der deutschen Kunst, 3 dln tekst en 3 dln platen, 4de dr. 1930.

St. Leurs, Geschiedenis van de Vlaamse Kunst, 2 dln, z.j. E. van Gelder, Kunstgeschiedenis der Nederlanden, 2de dr. 1945.