Gepubliceerd op 07-04-2022

power

betekenis & definitie

I. kracht, macht, gezag, vermogen, sterkte; energie; bevoegdheid; volmacht (ook: full powers); mogendheid; powers, ook: geestesgaven, talent; the powers that be, de gestelde machten; merciful powers!, grote Goden!; in power, aan het bewind, aan de regering, aan het roer, aan de macht; under her own power, op eigen kracht [v. boot]; more power to your elbow!, alle goeds!, veel succes!;

II. energie leveren (aan, voor), aandrijven.