onvruchtbaarheid betekenis & definitie

Een toestand waarbij een vrouw niet zwanger kan worden of een man haar niet zwanger kan maken.

Mensen gebruiken het woord ‘onvruchtbaarheid’ soms terwijl het nog lang niet zeker is dat de geslachtsorganen van de man of de vrouw het echt niet doen. Zolang de dokters bezig zijn met het vruchtbaarheidsonderzoek, kunnen de man en de vrouw beter van ‘verminderde vruchtbaarheid’ spreken. Vaak lukt een bevruchting namelijk nog met medische technieken of wordt de vrouw onverwachts toch zwanger, soms pas jaren later.

Het kan evengoed aan de man als aan vrouw liggen wanneer zij niet zwanger wordt, terwijl ze toch veel met elkaar vrijen en de man elke keer in de vagina van de vrouw klaarkomt. Daarbij komen de zaadcellen achter in de vagina terecht. De meeste zaadjes komen niet voorbij de baarmoedermond, maar de sterkste zaadjes lukt dat wel. Die zwemmen met hun slingerende zweepstaart omhoog in de richting van de eierstokken. Ook dan bezwijken onderweg nog een hoop zaadjes. Uiteindelijk zijn het maar een paar zaadjes die het doel bereiken: het eitje. En maar één mag zich ‘winnaar’ noemen: het zaadje dat de wand van de eicel weet te doorboren. Soms lukt het twee (of nog meer) zaadjes tegelijkertijd. Dan krijgt de vrouw aan het eind van de zwangerschap een tweeling (of… een drie- of vierling…).

Ook infertiliteit, subfertiliteit. Kijk ook bij zwangerschap, vruchtbaarheidsonderzoek.