Vanitas betekenis & definitie

Vanitas of vanitasschilderij, stilleven waarop doodssymbolen en andere vergankelijkheidssymbolen voorkomen zoals een schedel, een uitgaande kaars, zeepbellen, een zandloper, verdorde bloemen.

Vanitas, zelfstandig of in samenstellingen als vanitaskunst, -motief, -symbool e.d., betekent ‘ijdelheid, vergankelijkheid’, vooral in de context van de zeventiende-eeuwse schilderkunst.

Deze term, die mèt het genre schilderijen in zwang kwam binnen de bloeiende zeventiende-eeuwse schilderkunst, is gebaseerd op het Latijn van de Vulgaat: ‘Vanitas vanitatum, et omnia vanitas’ (Ecclesiastes of Prediker 1:2). Deze spreuk kan men soms ook op de vanitasschilderijen zelf aantreffen. Ook de Nederlandse versie is bekend, maar dan in algemene zin (zie IJdelheid).

Gebruiksvoorbeeld: David Bailly (1584-ca.1657). Vanitas, 1651. Stedelijk Museum De Lakenhal Leiden [tekst op prentbriefkaart, gekocht 1998].

Gebruiksvoorbeeld: IJdelheid der IJdelheden. Hollandse Vanitas-voorstellingen uit de zeventiende eeuw (Titel van de Tentoonstellingscatalogus Stedelijk Museum De Lakenhal, Leiden, 1970)

Gebruiksvoorbeeld: Het vervolg van de bundel [Komrij’s dichtbundel Rook zonder vuur] is, geheel in vanitasstemming, een beschrijving van de ijdelheden des levens en de ervaring dat alles voor niets is en in het menselijk lichaam een skelet woont. (Vrij Nederland, 9-1-1999, p. 49)

Gepubliceerd op 11-05-2017