Wat is de betekenis van zemelen?

2026-01-16
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Van Dale Uitgevers (1950)

Zemelen

(zemelde, heeft gezemeld), (gemeenz.) zemelknopen, vervelend kleingeestig zijn ; zeuren, zaniken.

Wil je toegang tot alle 20 resultaten?

Studenten van onderstaande onderwijsinstellingen hebben gratis toegang

Universiteit Leiden University of Amsterdam Universiteit Utrecht
2026-01-16
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Marc De Coster (2020-2025)

zemelen

(16e eeuw) (inf.) talmen; zeuren, zaniken. Vgl. Duits: semmeln. • zemêln = langzaam, slepend, temend praten; ook NBrab. Kil. semelen (ww.), semelachtigh, en: semeler; Oostfr. sämeln = langzaam handelen, spreken, treuzelen; Neders. semmeln, semmelke, semmelije, van: sümen (Gron. zumen, in: verzumen = verzuimen), Nederl. sammel...