Wat is de betekenis van vrijbuiter?

2020
2021-08-04
Algemeen Nederlands Woordenboek

Digitaal woordenboek van eigentijdse Nederlands

vrijbuiter

Het begrip vrijbuiter heeft 2 verschillende betekenissen: 1) zeerover of avonturier. zeerover die vroeger al dan niet met een machtiging van een overheid schepen van vijandige naties enterde en beroofde; kaper; ook: ontdekkingsreiziger; avonturier. 2) eigengereid persoon. iemand die een grote vrijheidsdrang heeft en die zijn eigen ga...

Lees verder
2019
2021-08-04
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

vrijbuiter

vrijbuiter - Zelfstandignaamwoord 1. (geschiedenis) (scheepvaart) een zeerover die niet zijn buit grotendeels zoals een kaper aan de staat afstond, maar vrijelijk op de markt verkocht Kapers werden vaak vrijbuiters als hun dat uitkwam, zodat het verschil niet zo groot was. 2. iemand die ni...

Lees verder
2010
2021-08-04
Wielerwoordenboek

Geschreven door Fons Leroy en Wim van Rooy

vrijbuiter

vrijbuiter: renner die voor zichzelf rijdt, die zich niet aan de wedstrijd- of ploegafspraken houdt of hoeft te houden (in dat laatste geval kreeg hij een 'vrijbuitersrol'). Hij is of egocentrisch of rebel.

1981
2021-08-04
Zelfstudie

Encyclopedie voor Zelfstudie

vrijbuiter

In vroegere eeuwen waren vrijbuiters rovers, vooral zeerovers, die tot geen enkel land behoorden, maar vrij buit maakten waar ze maar konden.

1973
2021-08-04
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

vrijbuiter

m. (-s), 1. kaper, hij die op buit vaart; 2. iemand met erg vrije opvattingen, avonturier; 3. iemand die zich niet aan conventies of regels stoort.

Lees verder
1952
2021-08-04
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Vrijbuiter

s., frijbûtser.

1950
2021-08-04
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Vrijbuiter

m. (-s), 1. kaper, hij die op buit vaart; — kaperschip ; — kaperkapitein ; 2. (fig.) iem. die op roof uitgaat; avonturier; iem. die zich niet aan conventies stoort.

Lees verder
1921
2021-08-04
Levende taal

T. Pluim - 1921

Vrijbuiter

een volksetymologie van ‘t Fransche flibustier: zeeroover.

1898
2021-08-04
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

VRIJBUITER

VRIJBUITER - m. (-s), zeeroover die overal op buit gaat; kaperschip; kaperkapitein. VRIJBUITERIJ, v. (-en), zeeroof; (fig.) journalistieke vrijbuiterij.