voegen
voegen - Werkwoord 1. (juridisch) Een procespartij kan zich 'voegen' in een zaak waar hij of zijn niet de initiator van is. 2. het afwerken van metselwerk voegen - Zelfstandignaamwoord 1. meervoud van het zelfstandig naamwoord voeg
Benieuwd hoe Ensie en Prisma digitale woordenboeken jouw lessen kunnen versterken?
Wiktionary (2019)
voegen - Werkwoord 1. (juridisch) Een procespartij kan zich 'voegen' in een zaak waar hij of zijn niet de initiator van is. 2. het afwerken van metselwerk voegen - Zelfstandignaamwoord 1. meervoud van het zelfstandig naamwoord voeg
Muiswerk Educatief (2017)
voegen - regelmatig werkwoord uitspraak: voe-gen 1. je gedragen naar de omstandigheden ♢ hij voegt zich naar Gods wil 2. ze aan elkaar vastmaken ♢ we voegen woorden samen tot zinnen ...
Walter De Clerck (1981)
Van pers.: zich goed gedragen. Meneer, als ... onze Rik, of onze Jan, zich niet voegen wil, laat het me aanstonds weten, PEETERS 1931, 121.
Fa. A.J. Osinga (1952)
v., foegje; dat voegt mij niet, dat is myn saek net; zoiets voegt niet, soks is, jowt gjin foech; een ieder niet —, gjin allemansfoech, allemansgading wêze; zich erbij —, jin derby jaen.
M. J. Koenen's (1937)
voegde, h. gevoegd (1 onderling verbinden, in elkaar passen; 2 passen, betamen; 3 fijne kalkspijs tussen de naden van een muur strijken; bijstrijken; 4 verenigen met; insluiten; 5 gelegen komen): 1. aarden buizen in elkaar voegen, twee planken in of aan elkaar voegen; 2. zulk een toon voegt u niet; 3. een gevelmuur voegen; 4. hij wil dit weiland bi...
Jozef Verschueren (1930)
('voegən) (voegde, heeft gevoegd) 1. samensluiten : planken aan, in elkaar -. 2. de ruimten tussen de stenen vullen : een tuinmuur -. 3. verbinden : twee wanden aan elkaar -. 4. insluiten : hierbij (bij deze brief) voeg ik een briefje van 100 fr. 5. zeggen, schrijven : wat heb je hier nog bij te -? 6. wegens de omstandigheden passen : zo...
Oosthoek's Uitgevers Mij. N.V (1916-1925)
(voegde, heeft gevoegd), 1. onderling verbinden: woorden aan elkaar voegen; 2. verenigen zonder dat er van verbinding sprake is: hij wil zijn tuin bij de mijne voegen; zich bij iemand voegen, zich in iemands gezelschap begeven; de daad bij het woord -, ten uitvoer brengen wat men zegt; 3. de voegen tussen stenen opvullen, volzetten met kalk; 4....
J. Verdam (1911)
vogen, vougen, vuegen, zw. ww. — I. Trans. 1) Voegen, schikken, regelen; verordenen, instellen; daeromme gevoecht was een seent. 2) zenden. 3) te gader v., verbinden, vereenigen. 4) er toe zetten; sinen moet voegen. 5) pass., geplant of geworteld zijn in; in sijn herte ben ic gevoecht; in de sonden gevoecht si...
J.Pluim (1911)
van den Germ. wt. fag = schikken, in orde brengen, passend bijeenzetten. Zie ook Vaag en Vegen. ,,Dat voegt u niet” = dat schikt, past u niet.
Instituut voor de Nederlandse taal
voegen ww. 'verbinden, bij elkaar doen; schikken, passen' categorie: erfwoord ◆ 400 Onl. (gi)fuogen 'verbinden, verenigen' in furista gefuogeda singindon 'de vorsten verbonden met de zangers' [10e eeuw. W.Ps.]; mnl. voeghen 'verbinden, bij elkaar doen; schikken, gepast zijn, betamen', als vugen...
Gerelateerde zoekopdrachten
Log hier in om direct te kunnen beginnen met schrijven.
Wil je dit begrip toevoegen aan je favorieten? Word dan snel vriend van Ensie en geniet van alle voordelen: