Wat is de betekenis van voegen?

2025-12-15
Nederlandstalige WikiWoordenboek

Wiktionary (2019)

voegen

voegen - Werkwoord 1. (juridisch) Een procespartij kan zich 'voegen' in een zaak waar hij of zijn niet de initiator van is. 2. het afwerken van metselwerk voegen - Zelfstandignaamwoord 1. meervoud van het zelfstandig naamwoord voeg

2025-12-15
Muiswerk Educatief

Muiswerk Educatief (2017)

voegen

voegen - regelmatig werkwoord uitspraak: voe-gen 1. je gedragen naar de omstandigheden ♢ hij voegt zich naar Gods wil 2. ze aan elkaar vastmaken ♢ we voegen woorden samen tot zinnen ...

2025-12-15
Vlaams-Nederlands woordenboek

Peter Bakema (2003)

voegen

- zich voegen, zich goed gedragen.

2025-12-15
Zuidnederlands Woordenboek

Walter De Clerck (1981)

voegen

Van pers.: zich goed gedragen. Meneer, als ... onze Rik, of onze Jan, zich niet voegen wil, laat het me aanstonds weten, PEETERS 1931, 121.

2025-12-15
Frysk Wurdboek (Friesch woordenboek)

Fa. A.J. Osinga (1952)

Voegen

v., foegje; dat voegt mij niet, dat is myn saek net; zoiets voegt niet, soks is, jowt gjin foech; een ieder niet —, gjin allemansfoech, allemansgading wêze; zich erbij —, jin derby jaen.

2025-12-15
Verklarend handwoordenboek der Nederlandse taal

M. J. Koenen's (1937)

voegen

voegde, h. gevoegd (1 onderling verbinden, in elkaar passen; 2 passen, betamen; 3 fijne kalkspijs tussen de naden van een muur strijken; bijstrijken; 4 verenigen met; insluiten; 5 gelegen komen): 1. aarden buizen in elkaar voegen, twee planken in of aan elkaar voegen; 2. zulk een toon voegt u niet; 3. een gevelmuur voegen; 4. hij wil dit weiland bi...

2025-12-15
Modern Woordenboek

Jozef Verschueren (1930)

voegen

('voegən) (voegde, heeft gevoegd) 1. samensluiten : planken aan, in elkaar -. 2. de ruimten tussen de stenen vullen : een tuinmuur -. 3. verbinden : twee wanden aan elkaar -. 4. insluiten : hierbij (bij deze brief) voeg ik een briefje van 100 fr. 5. zeggen, schrijven : wat heb je hier nog bij te -? 6. wegens de omstandigheden passen : zo...

2025-12-15
Oosthoek Encyclopedie

Oosthoek's Uitgevers Mij. N.V (1916-1925)

Voegen

(voegde, heeft gevoegd), 1. onderling verbinden: woorden aan elkaar voegen; 2. verenigen zonder dat er van verbinding sprake is: hij wil zijn tuin bij de mijne voegen; zich bij iemand voegen, zich in iemands gezelschap begeven; de daad bij het woord -, ten uitvoer brengen wat men zegt; 3. de voegen tussen stenen opvullen, volzetten met kalk; 4....

2025-12-15
Middelnederlandsch handwoordenboek

J. Verdam (1911)

Voegen

vogen, vougen, vuegen, zw. ww. — I. Trans. 1) Voegen, schikken, regelen; verordenen, instellen; daeromme gevoecht was een seent. 2) zenden. 3) te gader v., verbinden, vereenigen. 4) er toe zetten; sinen moet voegen. 5) pass., geplant of geworteld zijn in; in sijn herte ben ic gevoecht; in de sonden gevoecht si...

2025-12-15
Keur van Nederlandsche woordafleidingen

J.Pluim (1911)

Voegen

van den Germ. wt. fag = schikken, in orde brengen, passend bijeenzetten. Zie ook Vaag en Vegen. ,,Dat voegt u niet” = dat schikt, past u niet.

Wil je toegang tot alle 18 resultaten?

Ja, ik word vriend van Ensie!
2025-12-15
Etymologisch Woordenboek

Instituut voor de Nederlandse taal

voegen

voegen ww. 'verbinden, bij elkaar doen; schikken, passen' categorie: erfwoord ◆ 400 Onl. (gi)fuogen 'verbinden, verenigen' in furista gefuogeda singindon 'de vorsten verbonden met de zangers' [10e eeuw. W.Ps.]; mnl. voeghen 'verbinden, bij elkaar doen; schikken, gepast zijn, betamen', als vugen...