Wat is de betekenis van vies?

2019
2021-01-19
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

vies

vies - Bijvoeglijk naamwoord 1. smerig Mijn kunstgras is vies. Synoniemen goor

Lees verder
2018
2021-01-19
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

vies

vies - bijvoeglijk naamwoord 1. met een onaangename smaak ♢ deze koffie smaakt vies 2. met stof of modder of iets anders besmeurd ♢ de badkamer is erg vies 3. wat weerzin uitd...

Lees verder
1973
2021-01-19
Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

vies

bn. en bw. (viezer, -t), 1. vuil, onsmakelijk, walging veroorzakend: een vieze boel; een vieze vent; (ongunstig) seksueel of scatologisch getint: vieze praat; 2. vieze varkens worden niet vet, men moet niet te kieskeurig zijn; hij is daar niet van, daar houdt hij wel van; (gew.) uit zijn humeur; gemutst; 3. bw., lelijk, m.n. in: er bij zijn, gesnap...

Lees verder
1950
2021-01-19
Dikke Van Dale

Nederlands woordenboek (7e druk)

Vies

bn. (...zer, -t), 1. kieskeurig (inz. op het eten), in het alg. gebr. veroud.; zich vies houden. al te keurig ; hij valt niet vies, hij is niet zeer keurig ; vieze varkens worden niet vet, men moet niet te kieskeurig zijn ; — hij is daar niet vies van, daar houdt hij wel van (vgl. lij 3.) — (gew.) vies op...

Lees verder
1898
2021-01-19
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

VIES

VIES - bn. (...zer, -t), walglijk, walging veroorzakende : het is een vieze vent; het ziet er vies uit; een viezen smaak in den mond hebben; — vieze praat, woorden, gemeene; — vies doen (van en tegen kinderen gezegd), eene kleine of groote boodschap doen; — walging gevoelende : ik ben er vies van; — kieskeurig (inz. op het e...

Lees verder