Wat is de betekenis van vatbaar?

2024-02-29
Nederlandstalige WikiWoordenboek

Wiktionary (2019)

vatbaar

vatbaar - Bijvoeglijk naamwoord 1. gemakkelijk aangetast, besmet kunnende worden, iets op kunnen doen, ontvankelijk 2. geschikt om te ondergaan, wat in aanmerking komt 3. begrijpelijk Woordherkomst Naamwoord van handeling van vatten met het achtervoegsel -baar Antoniemen onvatbaar

2024-02-29
Muiswerk Educatief

Muiswerk Educatief (2017)

vatbaar

vatbaar - bijvoeglijk naamwoord uitspraak: vat-baar 1. snel ziek of verkouden worden ♢ doe een sjaal om, je bent zo vatbaar! 1. niet voor rede vatbaar [niet naar verstandige raad willen luisteren]...

2024-02-29
Zuid-afrikaans woordenboek

H.J. Terblanche - M.A., D. Litt

vatbaar

gevoelig vir, bevatlik.

2024-02-29
Frysk Wurdboek (Friesch woordenboek)

Fa. A.J. Osinga (1952)

Vatbaar

adj., fetber.

Wil je toegang tot alle 9 resultaten?

Ja, ik word vriend van Ensie!
2024-02-29
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Van Dale Uitgevers (1950)

Vatbaar

bn. (-der, -st), 1. licht te vatten, een gevoelig gestel hebbend: hij is zeer vatbaar voor kou, hij wordt licht verkouden; — ook abs.: vatbaar zijn, licht ongesteldheden opdoen 2. ontvankelijk: vatbaar zijn voor rede, voor redenering, rede verstaan; voor goede indrukken vatbaar zijn; hij is niet vatbaar voor verbeterin...

2024-02-29
Verklarend handwoordenboek der Nederlandse taal

M. J. Koenen's (1937)

vatbaar

bn.; vatbaarder, vatbaarst (1 spoedig bevangen wordende door; 2 ontvankelijk; 3 bevattelijk, geschikt): 1 hij is zeer vatbaar voor kou; 2 niet vatbaar voor verbetering; 3 vatbaar voor onderwijs.

2024-02-29
Modern Woordenboek

Jozef Verschueren (1930)

vatbaar

bn. en bw. (-der, -st) 1. kunnende gevat worden, te grijpen. 2. spoedig bevangen wordend: zeer voor kou. 3. ontvankelijk: voor verbetering. 4. bevattelijk, geschikt: voor onderwijs, rede(nering).

2024-02-29
Oosthoek Encyclopedie

Oosthoek's Uitgevers Mij. N.V (1916-1925)

Vatbaar

bn. (-der, -st), licht aangetast kunnende worden: hij is zeer vatbaar voor kou, hij wordt snel verkouden; ook abs.: vatbaar zijn, snel ongesteldheden opdoen; ontvankelijk; toegankelijk: vatbaar zijn voor rede, voor redenering; geschikt: vatbaar voor verbetering.

2024-02-29
Groot woordenboek der Nederlandsche taal

J.H. van Dale (1898)

VATBAAR

VATBAAR - bn. (-der, -st), te vatten, te grijpen; hij is zeer vatbaar voor koude, hij wordt licht verkouden; (fig.) bevattelijk: vatbaar zijn voor rede, redeneering, rede verstaan; voor goede indrukken vatbaar zijn; hij is niet vatbaar voor verbetering, hij is niet te verbeteren. VATBAARHEID, v. bevattelijkheid; geschiktheid.