Wat is de betekenis van tamelijk?

2019
2021-02-28
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

tamelijk

tamelijk - Bijvoeglijk naamwoord 1. nogal, in relatief grote mate, behoorlijk Ik ben een tamelijke dikzak. tamelijk - Bijwoord 1. nogal, in relatief grote mate Woordherkomst Naamwoord van handeling van het verouderde werkwoord tamen met het achtervoegsel -lijk...

Lees verder
2018
2021-02-28
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

tamelijk

tamelijk - bijwoord uitspraak: ta-me-lijk 1. behoorlijk, maar niet uitzonderlijk ♢ er waren tamelijk veel mensen Bijwoord: ta-me-lijk Synoniemen betrekkelijk, nogal, redelijk, wel Tegenstellingen ongehoord

Lees verder
1980
2021-02-28
Van aalmoes tot zwijntjesjager

Geschreven door Dr. E. Schröder, 1980

Tamelijk

In het Middelnederlands bestond een werkwoord tarnen dat betekende: passen, voegen. Daarvan zijn afgeleid: betamelijk, het veel vaker voorkomende onbetamelijk: ongepast, en ook tamelijk dat vroeger terecht werd gebruikt voor: behoorlijk, gepast. Anna Bijns schrijft: Dat kinderen voor priesters lichten haren capproen (hun petje afnemen) is tamelijc....

Lees verder
1950
2021-02-28
Dikke Van Dale

Nederlands woordenboek (7e druk)

Tamelijk

bn. bw. 1. redelijk, vrij goed: hij heeft het er nog al tamelijk afgebracht; 2. vrij behoorlijk van grootte, nog al groot: een tamelijk vermogen; 3. vrij, nogal: dat is tamelijk goed bewerkt: de zieke is tamelijk wel; tamelijk veel omstanders.

Lees verder
1898
2021-02-28
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Tamelijk

Tamelijk - bn. bw. middelmatig, redelijk, vrij goed : dat is tamelijk goed bewerkt; de zieke is tamelijk wel; een tamelijk vermogen; tamelijk veel omstanders; — billijk: dat is een tamelijke prijs.

Lees verder