Wat is de betekenis van steel?

2024-02-21
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Marc De Coster (2020-2024)

steel

(17e eeuw) (inf.) mannelijk geslachtsorgaan. ‘Op zijn steel staan’ betekent: copuleren. Vgl. ‘op zijn elfde* vinger staan.’ • Steel beteekend eerst dat endje, daar aan de vrugten hangen: waar van, het steeltje is nog groen: het welk wanneer het van een grijsaard gesegt werd, soo heeft het een seer kragtige beteekenis. (...

2024-02-21
Nederlandstalige WikiWoordenboek

Wiktionary (2019)

steel

steel - Zelfstandignaamwoord 1. staaf 2. staafvormig handvat (bijv. bij gereedschap) 3. (plantkunde) deel van een plant, waarmee een bloem of vrucht aan de stengel vastzit, bladsteel steel - Werkwoord 1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stelen ♢ Ik steel 2. gebiedende...

2024-02-21
Muiswerk Educatief

Muiswerk Educatief (2017)

steel

steel - zelfstandig naamwoord 1. handvat in de vorm van een stok ♢ er moet een nieuwe steel aan de bezem 1. weten hoe de vork in de steel zit [hoe het ervoor staat] 2. deel v...

2024-02-21
Golfsportwoordenboek

Jan Luitzen (2009)

steel

→ shaft

Wil je toegang tot alle 20 resultaten?

Ja, ik word vriend van Ensie!
2024-02-21
Woordenboek van populaire uitdrukkingen

Marc de Coster (1998)

Steel

op zijn - staan, slanguitdr. voor ‘copuleren’. Steel is hier een metafoor voor het mannelijk lid (Albert Mol, ‘Zo’zijn, 1984: ‘Wij zijn de homosexuelen, wij hebben poep aan onze stelen’). Vgl. opzijn elfde vinger staan.

2024-02-21
Art & Architecture Thesaurus

Getty Research Institute (1990)

steel

steel - Stelen van gereedschappen, zoals die van bijlen, hakmessen of hamers.

2024-02-21
Erotisch woordenboek

Hans Heestermans (1977)

steel

steel - mannelijk lid; eig. ‘stengel v. e. plant’ (vgl. de vrouwelijke pendant roos). Dees ted’re bloem, Tracht naar een steeltje, Eros’ L. 14 [18de e.]. Uw geheel gevoel-vermogen komt in werking, als gij den lieven steel in uw schutsluisje voelt kruipen, N. Kwakers Predikatie 8 [1829].

2024-02-21
Zuid-afrikaans woordenboek

H.J. Terblanche - M.A., D. Litt

steel

stele, handvatsel (byl, hamer); stingel (plant); gesteel, wederregtelik toe-eien en verwyder, diefstal pleeg; in jou medespeler se baan speel (tennis).

2024-02-21
De vreemde woorden

Fokko Bos, Dr. O. Noordenbos (1955)

Steel

staal; steels: aandelen in de Amerikaanse staaltrust

2024-02-21
Frysk Wurdboek (Friesch woordenboek)

Fa. A.J. Osinga (1952)

Steel

s.; (stengel), stâl(le), stêlle; (stok), stâl(le), stêlle, stôk, fiem; — van hooivork, foarkestôk; — van zeis, dorsvlegel, hânstôk; — van bezem, biezemstôk.

2024-02-21
Woordenboek Engels (EN-NL)

Dr. F.P.H. van Wely (1951)

steel

I. staal; staalmiddel; wetstaal; vuurslag; balein [v. korset]; cold steel, het staal; het zwaard, de bajonet, de dolk; II. stalen, van staal; III. stalen, verstalen, hard maken, verharden, ongevoelig maken, pantseren (tegen against).

2024-02-21
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Van Dale Uitgevers (1950)

STEEL

m. (stelen), 1. stengel van een plant: deze plant heeft een lange steel; — gewoonlijk voor het deel waarmee een deel v.e. plant aan de stengel of tak verbonden is : een bloem op tengere steel; — (van een vrucht) de kersen van de stelen ontdoen ; — stelen, volksnaam voor raapzaad ; gerecht daaruit bereid : ik hou niet van stelen ;...

2024-02-21
Geneeskundig woordenboek (EN-NL)

dr. mr. W. Schuurmans Stekhoven (1949)

steel

staal.

2024-02-21
Kramers woordentolk

Jacon Kramers Jz (1948)

steel

futiel) (Eng.) rn. staal; ~s, v.mv. aandelen in de Amerik. staal trust, veel in Nederland verhandeld.

2024-02-21
Verklarend handwoordenboek der Nederlandse taal

M. J. Koenen's (1937)

steel

m. stelen, steeltje; 1. lang, recht min of meer rond handvatsel; stok: de steel van een bezem, een vork, een riek, een schop; zegsw. zie vork; 2. v. een pijp: buis: de steel van een gouwenaar; 3. schacht: de steel van een lans, een speer; 4. stengel: de steel van een bloem, een blad, waarmee bloem of blad aan een tak is verbonden; 5. groente: houdt...

2024-02-21
Vreemde woordenboek

S. van Praag (1937)

steel

(Eng.), m. staal.

2024-02-21
Modern Woordenboek

Jozef Verschueren (1930)

Steel

(ste:l) m. (stelen; -tje) [~ staal III] 1. Eig. kleine stengel: de van een → appel, een bloem. een → blad, een → kers, een → peer; stelen, groente bestaande uit stelen van planten lnz. van rapen. 2. Metf. lang, meestal rond handvatsel van vele werktuigen : de van een → bezem, → bijl, → hamer, → hark, →...

2024-02-21
Oosthoek Encyclopedie

Oosthoek's Uitgevers Mij. N.V (1916-1925)

steel

m. (stelen), 1. stengelachtig plantedeel, b.v. bladsteel, bloemsteel; 2. handvat, m.n. in de vorm van een stok of schacht van verschillende voorwerpen: de — van een bijl; (zegsw.) hij wil weten hoe de vork in de — zit, hoe het met de zaak gesteld is, wat er precies aan de hand is; de — naar de bijl werpen, de zaak opgeven, er niet...

2024-02-21
De vreemde woorden

Fokko Bos (1914)

steel

steel - m., staal; „steels”: aandeelen in de Amerikaansche staaltrust.

2024-02-21
Groot woordenboek der Nederlandsche taal

J.H. van Dale (1898)

STEEL

STEEL - m. (stelen), lang, min of meer rond handvatsel van vele werktuigen : de steel van eene bijl, een hamer, een lepel, eene vork, een bezem; — (spr.) hij wil weten, hoe de vork aan den steel zit, hij wil weten, hoe het met de zaak gelegen is ; — den steel naar de bijl werpen, eene zaak opgeven, er niets meer van willen weten; &mda...