Wat is de betekenis van schrijnwerker?

2020
2021-12-01
Algemeen Nederlands Woordenboek

Digitaal woordenboek van eigentijdse Nederlands

schrijnwerker

ambachtelijke meubelmaker. iemand die voor zijn beroep van hout sierlijke meubels, kisten of deuren en kozijnen maakt, wat vroeger een gangbaarder beroep was dan tegenwoordig; ambachtelijke timmerman en meubelmaker. Voorbeelden: "Als iemand vroeg of ik iets kon tekenen zei ik altijd ja. Zoals je een schrijnwerker kunt vragen om...

Lees verder
2015
2021-12-01
Typisch Vlaams

Door Ludo Permentier en Rik Schutz

schrijnwerker

timmerman De Béthune bracht een schare gelijkgezinde ambachtslieden en kunstenaars bij elkaar om Vivenkapelle tot stand te brengen. Niet alleen de beeldhouwer en de schilder, ook de gewone metselaar en de gewone schrijnwerker waren volwaardige leden van De Béthunes groep. (Geert van Istendael, Alle uitbarstingen) Belgi...

Lees verder
1994
2021-12-01
Vreemde woorden

Woordenboek vreemde woorden

Schrijnwerker

ebenist (z.a.), vakkundig maker van fijne meubelen.

1990
2021-12-01
Art & Architecture Thesaurus

Art & Architecture Thesaurus

schrijnwerker

schrijnwerker - Personen die hout samenvoegen, vooral bij het maken van deuren, schuiframen, paneelwerk en ander permanent houtwerk.

1973
2021-12-01
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

schrijnwerker

m. (-s), werker in fijn hout, maker van fijn kastenen meubelwerk.

1952
2021-12-01
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Schrijnwerker

s., skryn-, kast(e)makker.

1950
2021-12-01
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Schrijnwerker

m. (-s), werker in fijn hout, maker van fijn kasten- en meubelwerk.

1937
2021-12-01
Koenen

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

schrijnwerker

m. schrijnwerkers (maker van fijn kastenmakerswerk, meubelmaker; Z.-N. timmerman).

1898
2021-12-01
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

SCHRIJNWERKER

SCHRIJNWERKER - m. (-s), meubelmaker; werker in fijn hout.