Wat is de betekenis van rijgen?

2018
2022-10-06
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

rijgen

rijgen - onregelmatig werkwoord uitspraak: rij-gen 1. er een draad doorheen halen ♢ Regina rijgt kralen aan een ketting 2. losjes vastnaaien ♢ mevrouw Van den Bosch rijgt het embleem op de jas...

Lees verder
2017
2022-10-06
WizWijs

Inzicht voor leerling en leerkracht

rijgen

Rijgen is een van de strategieën waarmee de leerlingen bij hoofdrekenen handig leren optellen en aftrekken met getallen boven de 10. Rijgen gebeurt op de getallenlijn. De leerlingen starten bij een getal en tellen daar een tweede getal bij op of trekken er een tweede getal van af. Daarbij nemen ze eerst het tiental en daarna de eenheden. Bij groter...

Lees verder
2014
2022-10-06
Mokums woordenboek

Ditte Simons en Hans Heestermans

rijgen

in: rijgen op, vallen op: Dat je ... aan het pezen was met dat mokkel op de tramhalte die in die zwarte jas en met die zwarte kousen ... Zeg rijg jij op dat halve goed met die zwarte kleren? BOTING1 89; op iemands zak rijgen, op iemands zak teren: Nei Kees, ’t is maan beurt, je denkt toch niet dat-te-we ’n beetje op jouw sak raage, SMIS...

Lees verder
2002
2022-10-06
Lexicon voor de kunstvakken

Verklaringen van woorden die gebruikt worden in teksten over kunst.

rijgen

Rijgen is: 1) m.b.v. de rijgsteek verschillende stukken textiel aan elkaar bevestigen; 2) met de rijgsteek borduren; 3) voorwerpen die doorboord zijn, bijv. kralen (zie kraal), naast elkaar op een draad plaatsen.

1973
2022-10-06
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

Rijgen

(reeg, heeft geregen), 1. (voorwerpen die doorboord zijn) naast elkaar aan een snoer hechten: parels, kralen aan een draad (fig.) iemand aan de degen rijgen, hem de degen door het lijf steken; 2. met een snoer of veter dicht- of vastmaken: schoenen, een korset rijgen; zich rijgen, (een korset) insnoeren; 3. door middel van een rijgdraad of rijgp...

Lees verder
1971
2022-10-06
Watersport A-Z

Watersport A-Z, Kramer (1971)

Rijgen

Rijgen - het voortdurend zodanig van koers veranderen met hoge achteroplopende golven, dat zoveel mogelijk een koers evenwijdig aan de golfkammen kan worden gestuurd. Als de golven zo hoog zijn dat ze gevaarlijk kunnen worden voor schip en bemanning, dan brengt men het jacht snel recht voor de golven. De hoge golf loopt dan onder het schip door en...

Lees verder
1952
2022-10-06
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Rijgen

v., riuwe, r e a u, r e a u n.

1950
2022-10-06
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Rijgen

(reeg, heeft geregen), 1. (voorwerpen die doorboord zijn) naast elkander aan een snoer hechten : paarlen, kralen aan een draad rijgen ; — (fig.) iem. aan de degen rijgen, hem de degen door het lijf steken; 2. met een snoer of veter dicht- of vastmaken: schoenen, een korset rijgen; 3. zich rijgen, een korset dragen...

Lees verder
1937
2022-10-06
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

rijgen

reeg, heeft geregen; met een snoer tot een reeks verenigen; met een grote steek voorlopig naaien: kralen aan een koordje rijgen; zijn schoenen rijgen; zegsw. iemand a. d. degen rijgen, doorsteken.

1930
2022-10-06
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

rijgen

(reeg, regen; heeft geregen) 1. doorboorde voorwerpen met een draad aan elkaar verbinden : kralen, paarlen tot een halssieraad aan een koord, snoer -. 2. aan het spit steken : paling aan een speet -; iemand aan de degen, de spies, het zwaard -, hem daarmede doorboren. 3. vastsnoeren: schoenen, een korset -; het kan geschieden door een veter door ga...

Lees verder
1911
2022-10-06
pluim

Keur van Nederlansche woordafleidingen

Rijgen

letterlijk: op een rijg of rij brengen, nl. aan een snoer, of met lange steken aan elkander naaien; verwant met ’t Skr. rekha = streep, lijn. Een andere afl. is reeks.

1898
2022-10-06
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Rijgen

Rijgen - (reeg, heeft geregen), voorwerpen, die doorboord zijn, naast elkander aan een snoer hechten : paarlen, kralen rijgen ; — met een snoer of een veter dicht- of vastmaken : schoenen, een korset rijgen ; — driegen, met wijde steken naaien ; — (fig.) iem. aan den degen rijgen, hem den degen door het lijf steken ; — zi...

Lees verder
1864
2022-10-06
Nieuw woordenboek der Nederlandsche taal

I.M. Calisch (1864)

Rijgen

Rijgen, bw. ong. (ik reeg, heb geregen), voorwerpen die doorboord zijn nevens elkander aan een snoer hechten; met een snoer of eenen veter digt- of vastmaken; met wijde steken naaijen; (fig.) iem. aan den degen -, hem den degen door het lijf steken.

1856
2022-10-06
Jacob van Lennep

Zeemans-woordenboek 1856

Rijgen

b.w. - Vereenigen, door een klein touw of een raband te halen door gaten, langs de lijken, welke men wil te samen voegen. Een zeil, een lijzeil, bonnet rijgen.