Wat is de betekenis van Pui?

2018
2022-09-26
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

pui

pui - zelfstandig naamwoord 1. voorgevel van de begane grond van een huis ♢ aan de pui was een naambord bevestigd Zelfstandig naamwoord: pui de pui de puien

Lees verder
1973
2022-09-26
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

pui

[Fr.], v./m. (-en), 1. bordes of stoep, soms rustend op pilaren, soms een massief stenen bouwsel, voor een stadhuis van waar af men eertijds de besluiten, verordeningen enz., voorlas: van de pui iets verkondigen; 2. stoep of bordes voor een paleis of groot herenhuis; 3. (vero.) dwarsbalk in een gevel waarop het bovenste deel van een gevel rust; t...

Lees verder
1955
2022-09-26
Vreemd woordenboek

Vreemde woorden woordenboek

Pui

bordes of stoep; onderste deel van een gevel.

1952
2022-09-26
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Pui

s., pij, pei.

1950
2022-09-26
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Pui

I. PUI (<Fr.) v. (-en), 1. bordes of stoep, soms rustend op pilaren, soms een massief stenen bouwsel, voor een stadhuis van waaraf men de besluiten, verordeningen enz. voorlas : van de pui iets verkondigen; 2. stoep of bordes voor een paleis of groot herenhuis; 3. (veroud.) dwarsbalk in een gevel waarop het bovenste deel van een gevel...

Lees verder
1949
2022-09-26
De Kleine Winkler Prins

Encyclopedie van A tot Z - 1949

Pui

benedenste deel van gevel, gewoonlijk voor een groot deel uit glas bestaande.

1937
2022-09-26
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

pui

v. puien, puitje (benedendeel v. e. winkelgevel, ondergevel, voorkant of bordes v. e. stadhuis, waar bekendmakingen worden afgelezen; gevel): een artistiek puitje.

1933
2022-09-26
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Pui

Vnl. uit glas samengestelde wand, zooals winkelpui, tochtpui (glazen afscheiding van een tochtportaal) e.d.

1930
2022-09-26
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

pui

v. (-en; -tje) [msch. Lat. podium (< Gr. podion < poes, podos, voet), verhoog] I. bordes van het stadhuis waar bekendmakingen worden afgelezen. 2. Uitbr. a. benedengevel. b. gevel : voor-, achterpui.

Lees verder
1898
2022-09-26
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Pui

Pui v. (-en), ondergevel, benedendeel van den gevel; (bij uitbr.) de gevel: voorpui, achterpui; — de pui van het stadhuis, die plaats van een stadhuis waar men de besluiten, verordeningen enz. afleest.

Lees verder
1870
2022-09-26
Winkler Prins 1870

Nederlandse encyclopedie

Pui

Pui (Meinard Simon du), een verdienstelijk geneeskundige, geboren te Enkhuizen, studeerde in de medicijnen en zette zijne studie voort in de ziekenhuizen te Londen en Parijs, vestigde zich als stadsgeneesheer te Kampen en werd in 1791 hoogleeraar te Leiden. Hier was hij op eene loffelijke wijze werkzaam en overleed als emeritus den 4den Junij 1835....

Lees verder