Wat is de betekenis van precies?

2018
2021-05-08
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

precies

precies - bijvoeglijk naamwoord, tussenwerpsel uitspraak: pre-cies 1. zonder afwijkingen naar boven of beneden ♢ deze plank is precies twee meter 1. dat is precies hetzelfde [helemaal gelijk]...

Lees verder
2015
2021-05-08
Typisch Vlaams

Door Ludo Permentier en Rik Schutz

precies

blijkbaar, kennelijk (informeel) Alsof ik van lotje getikt ben, kijkt ze naar mij. En precies nog kwaad zijn ook! (Geertrui Daem, Het verdeelde huis) Precies' wordt in Belgisch-Nederlands vaak gebruikt om onzekerheid uit te drukken, in tegenstelling tot het Nederlandse gebruik. Vergelijk bijvoorbeeld 'hij is ziek�...

Lees verder
1993
2021-05-08
Vreemd Nederlands

Vreemd Nederlands

Precies

nauwgezet; juist

1973
2021-05-08
Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

precies

[→Lat.], bn. en bw. (-zer, -t), 1. juist, nauwkeurig: het zijn er tien; het past -; ik weet het niet —; geheel en al: dat is hetzelfde; het is zijn vader; 2. nauwgezet, nauwnemend: die man is erg -; zelfst. (hist.) de preciezen, de strenge calvinisten, tegenover de rekkelijken; 3. nauwkeurig aanof opgegeven: de precieze plaats, tijd, h...

Lees verder
1955
2021-05-08
vreemd

Vreemde woordenboek

Precies

nauwkeurig; juist

1952
2021-05-08
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Precies

adj. & adv., presiis, krekt; (adv.) op 'e kop ôf; — als, krekt (al)lyk as; het isalsof, it hoecht net oars, net liker as; het komt niet zo —, dat komt net sa lyk, sa krekt, it kin in streekje lije.

1950
2021-05-08
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Precies

(<Fr.-Lat.), bn. bw. (...zer, -t), 1. juist, nauwkeurig: precies te vijf uren; ze begrepen het niet altijd precies; 2. nauwlettend : die man is wat precies; — zelfst. (hist.) de preciezen, de strenge Calvinisten, tgov. de rekkelijken; 3. (elliptisch voor dat zegt gij precies) inderdaad: precies, dat be...

Lees verder
1948
2021-05-08
Kramers woordentolk

Vreemde woorden, uitdrukkingen en afkortingen (1948)

precies

nauwkeurig, juist, stipt.

1898
2021-05-08
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Precies

Precies - bn. bw. (...zer, -t), juist, nauwkeurig : precies te vijf uren; — nauwlettend : die man is wat precies; — gierig.

Lees verder
1864
2021-05-08
Beknopt kunstwoordenboek

Beknopt kunstwoordenboek, I.M. Calisch (1864)

precies

precies - bn. en bijw. juist, nauwkeurig; precies ten vijf ure; gierig, nauwlettend; die man is wat precies