Wat is de betekenis van precies?

2018
2020-11-23
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

precies

precies - bijvoeglijk naamwoord, tussenwerpsel uitspraak: pre-cies 1. zonder afwijkingen naar boven of beneden ♢ deze plank is precies twee meter 1. dat is precies hetzelfde [helemaal gelijk]...

Lees verder
2015
2020-11-23
Typisch Vlaams

Door Ludo Permentier en Rik Schutz

precies

blijkbaar, kennelijk (informeel) Alsof ik van lotje getikt ben, kijkt ze naar mij. En precies nog kwaad zijn ook! (Geertrui Daem, Het verdeelde huis) Precies' wordt in Belgisch-Nederlands vaak gebruikt om onzekerheid uit te drukken, in tegenstelling tot het Nederlandse gebruik. Vergelijk bijvoorbeeld 'hij is ziek�...

Lees verder
1973
2020-11-23
Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

precies

[→Lat.], bn. en bw. (-zer, -t), 1. juist, nauwkeurig: het zijn er tien; het past -; ik weet het niet —; geheel en al: dat is hetzelfde; het is zijn vader; 2. nauwgezet, nauwnemend: die man is erg -; zelfst. (hist.) de preciezen, de strenge calvinisten, tegenover de rekkelijken; 3. nauwkeurig aanof opgegeven: de precieze plaats, tijd, h...

Lees verder
1948
2020-11-23
Kramers woordentolk

Vreemde woorden, uitdrukkingen en afkortingen (1948)

precies

nauwkeurig, juist, stipt.

1914
2020-11-23
De vreemde woorden

De vreemde woorden, verklarend woordenboek door Fokko Bos.

precies

precies - nauwkeurig; juist.

1898
2020-11-23
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Precies

Precies - bn. bw. (...zer, -t), juist, nauwkeurig : precies te vijf uren; — nauwlettend : die man is wat precies; — gierig.

Lees verder
1864
2020-11-23
Beknopt kunstwoordenboek

Beknopt kunstwoordenboek, I.M. Calisch (1864)

precies

precies - bn. en bijw. juist, nauwkeurig; precies ten vijf ure; gierig, nauwlettend; die man is wat precies