Wat is de betekenis van Plukken?

2018
2020-11-25
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

plukken

plukken - regelmatig werkwoord uitspraak: pluk-ken 1. van een plant of boom af halen ♢ buurman Van Heteren plukt de pruimen uit de boom 1. iemand plukken [hem zijn geld of bezit afnemen]...

Lees verder
2004
2020-11-25
Woordenboek van Eufemismen

Marc De Coster

plukken

(1) bloempjes -: kijk onder bloempjes. (2.) geld aftroggelen; afzetten; bestelen. Het WNT citeert o.a. J.B. Houwaert (‘De Vier Wterste. Van de doot, van het oordeel, van d’ eeuwich leven, van de pyne der hellen’. 1583). En het eind van het liedje is natuurlijk dat het je altijd meer geld gaat kosten. Het zijn altijd de jongens uit de middengroep v...

Lees verder
1998
2020-11-25
drs. Toine van Hoof

AUTEUR VAN HET BRIDGE WOORDENBOEK - "BRIDGE OPZOEKBOEK" (UITGAVE 1998)

plukken

1. Aan verschillende kaarten trekken voor er eentje bij te spelen. 2. Term voor een speciale manier van troef trekken, namelijk door het afspelen van een of twee zijkleuren. Voorbeeld:Tegen 5♣ van zuid start west met ♦H. Het lijkt erop dat de leider altijd twee klaveren en een ruiten verliest. Door te gaan ‘plukken’ kan hij dit voorkomen. Zuid nee...

Lees verder
1990
2020-11-25
Art & Architecture Thesaurus

Art & Architecture Thesaurus

plukken

plukken - Een klein dun stuk of laagje materiaal, meestal plat en slap.

1973
2020-11-25
Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

plukken

(plukte, heeft geplukt), I. (overg.) 1. (vruchten, bloemen enz.) afbreken of -trekken, oogsten: bessen, peren —; blaadjes, bloempjes, (fig.) de vruchten van iets —; de voordelen daarvan verwerven; 2. de veren uittrekken: een kip —; 3. (fig.) beroven, bestelen, geld afzetten: ze hebben hem lelijk geplukt; 4. uit elkaar halen, pluiz...

Lees verder
1949
2020-11-25
Boevenjargon

Geschreven door Professor Henry Roskam

plukken

(z.h.) het afknippen van distributiebonnen door een grote zwarthandelaar in grote partijen, meestal van eenzelfde soort.

1898
2020-11-25
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Plukken

Plukken (plukte, heeft geplukt), van een tak afbreken : bessen, peren plukken; — inzamelen : de vruchten plukken; — (fig.) welke vruchten zal hij daarvan plukken ?, welke voordeelen zal hij daarvan hebben, wat zal hij zich daardoor verwerven ?; — van een stengeltje afbreken: blaadjes, bloempjes plukken; — (fig.) haar bloe...

Lees verder