Peul
I. v. (-en), 1. schil of hauw van peulvruchten, inz. bonen en erwten; 2. (plantk.) éénhokkige, met twee kleppen openspringende doosvrucht met één rij van zaden; 3. (gewoonlijk in ’t mv.) verscheidenheid van de zaaierwt (Pisum sativum): wij eten vanmiddag peulen; peen met pelden; peulen afhalen,...