Wat is de betekenis van onbeschaafd?

2019
2022-12-01
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

onbeschaafd

onbeschaafd - Bijvoeglijk naamwoord 1. geen goede opvoeding of opleiding genoten hebbend Tot slot nog een hartenkreet over het Van Dale-woord van het jaar 2016: treitervlogger. Laten we dit woord maar heel snel vergeten, schreef iemand, want het beschrijft een onbeschaafd en irritant verschijnsel dat...

Lees verder
1973
2022-12-01
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

onbeschaafd

(het accent wissel), bn. en bw., 1. (eig.) niet beschaafd, ruw, oneffen: ruwe, geheel on'beschaafde planken; 2. (-er, -st), (fig.) zonder beschaving, in onontwikkelde staat levend, ruw, woest: on'beschaafde volken; getuigend van gemis aan beschaving: on'beschaafde manieren; on'beschaafde taal; bw., hij spreekt onbeschaafd'...

Lees verder
1952
2022-12-01
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Onbeschaafd

adj. & adv., ûnbiskaefd, ûnbislipe, -bisnoeid, -biheind, -bimunstere, groubloedich.

1950
2022-12-01
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Onbeschaafd

bn. bw., 1. (eig.) niet beschaafd, ruw, oneffen: ruwe, geheel on'beschaafde planken; 2. (oneig.) ongepolijst, onafgewerkt en ruw wat de vorm betreft: de verzen van Onno Zwier van Haren zijn veelal ruw en onbeschaafd'; 3. (-er, -st), (fig.) zonder beschaving, in onontwikkelde staat levende, ruw, woest: on'beschaafde...

Lees verder
1937
2022-12-01
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

onbeschaafd

bn. (ongepolijst, ruw van vorm en [fig.] van manieren): een onbeschaafd volk; onbeschaafde taal, manieren.

1930
2022-12-01
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

onbeschaafd

(onbə'scha:ft) bn. en bw. (-er, -st) 1. niet met de schaaf gladgemaakt, oneffen: hout 2. onafgewerkt, ongepolijst: die verzen zion nog - 3. ruw; een volk; een -e taal; -e manieren, zeden.

Lees verder
1898
2022-12-01
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Onbeschaafd

bn. bw. niet beschaafd, niet met de schaaf gladgemaakt, ruw, oneffen : onbeschaafd hout; de zitplaatsen waren ruwe, geheel onbeschaafde planken; ongepolijst, onafgewerkt en ruw wat den vorm betreft: de verzen van Onno Zwier van Haren zijn veelal ruw en onbeschaafd; — (-er, -st), (overdr.) niet van de oorspronkelijke ruwheid ontdaan, in onontw...

Lees verder
1864
2022-12-01
Nieuw woordenboek der Nederlandsche taal

I.M. Calisch (1864)

Onbeschaafd

Onbeschaafd, bn. ongeschaafd. *-, bn. en bijw., *-ELIJK, bijw. (fig.) onwellevend, onfatsoenlijk, ruw. *-HEID, v. onwel- levendheid,@#lompheid. *...BESCHAAMD, bn. en bijw. (-er, -st), -ELIJK, bijw. zonder schaamte, overmoedig, stout. -HEID, v. *...BESCHADIGD, bn. *...BESCHADUWD, bn. *...BESCHANST, bn. *...BESCHEID, o. onheusch antwoord; lomp...

Lees verder